Op vakantie een gewone boekwinkel bezoeken kan zeer leerrijk zijn. In de jaren ’70 vielen mij in Parijs de massa’s occulte boeken op. West-Europa volgde. Tussen 2005 en 2010 zag je in Spanje veel romans met nep-geschiedenis. Dan Brown en dergelijken. Een zogezegd wetenschappelijk betoog samenhangend met levensbeschouwing, maar gegoten in de vorm van een roman. Zeer suggestief en gemakkelijk voor de schrijver, want niet alles behoeft waar te zijn. Nu vind ik in Zuid-Frankrijk veel serieuze levensbeschouwing en serieuze wetenschap. Ik ben geen voorstander van humanisme, maar ook als je ongelovig wilt zijn, is het beter je standpunt serieus te overwegen dan je met natte-vingerwerk tevreden te stellen. Bij ons in Vlaanderen zie je nauwelijks wat in Frankrijk kennelijk gewoon aan het worden is. De boeken die te koop liggen, zijn bij ons in het algemeen oppervlakkiger.

Een interessant werkje dat ik in Frankrijk kocht, was Discours sur l’origine de l’univers van Étienne Klein.1 De auteur bespreekt eerlijk voor en tegen van diverse aspecten van de evolutietheorie. Hij erkent ook vaak eerlijk, dat er geen oplossing is voor bepaalde vragen.
In de jaren ’80 gebruikte het biermerk Hoegaarden hier in Vlaanderen bierviltjes met gevatte uitspraken. Je kon voorstellen ook inzenden. Zeer opvallend was dat waarop stond: ‘In den beginne was er niets… …en toen is dat nog ontploft!’

Discours sur l’origine de l’univers

Klein komt tot een gelijkaardige conclusie. Wat is verandering? Een mens wordt ouder van uiterlijk en verandert daardoor. Toch blijft hij ook zichzelf. Anders kun je niet van veranderen spreken. Een verandering vindt dus plaats doordat er één of meerdere aspecten zich wijzigen aan iets of iemand. Dat iets of die iemand blijft wel zichzelf. Klein vraagt zich af, hoe bij het ontstaan van het heelal “niets” kan veranderen en ineens ”iets” worden. Als “niets” verandert, blijft het zichzelf niet meer, want het had dan eerst “een zichzelf” dat niets was en na de verandering zou het iets totaal anders geworden zijn. Er kan dus nooit verandering plaatsvinden van “niets”. Dat is filosofisch uitgedrukt wat ook op het bierviltje stond. Dit om een indruk te geven van wat Klein doet. We hebben het besproken punt ook verder in dit artikel nog nodig.

De natuurwetten vanuit de evolutietheorie gezien

Belangrijk is ook het verhaal van Klein over de natuurwetten. Het komende gedeelte wordt dus geheel vanuit de evolutietheorie besproken.

Met het gebruik van de term natuurwetten spreken we over bijvoorbeeld het feit, dat twee deeltjes met gelijke elektrische lading elkaar afstoten. Zo zijn er massa’s zeer bekende en ook minder bekende natuurwetten. Als je iets zwaars loslaat, valt het naar beneden. Zou het omhoogvallen, dan was dat opvallend. Enzovoort.

Nu zijn er twee kansen:
° De natuurwetten zijn aan verandering onderhevig.
° De natuurwetten zijn altijd gelijk gebleven.

Voor de eerste kans zijn er geen aanwijzingen. Ook vindt “men” deze kans afschrikwekkend, omdat dan niets zekers gevonden kan worden over de oorsprong van het heelal. Alle onderzoek hierover komt dan op losse schroeven te staan. “Iedereen” kiest dus voor de tweede kans. Maar, als alles in het heelal en ook het heelal zelf aan evolutie – aan verandering dus – onderhevig is, hoe kan het dan, dat de natuurwetten wel gelijk blijven? Men zit dus met een serieus probleem.

Opnieuw zijn er twee kansen:
° De natuurwetten stammen van buiten het heelal.
° De natuurwetten stammen uit het heelal of uit de inhoud van het heelal.

De eerste kans levert een enorm probleem. Waar waren de natuurwetten voordat het heelal bestond? Zweefden die ergens? Maar dat was dan in het niets. Het niets was dan eigenlijk niet niets. Maar welk nut had het bestaan van de natuurwetten dan in het niets? Bestonden die met het oog op het ontstaan van het heelal en zijn inhoud, terwijl er eigenlijk niets was? Maar niets kan ook niet veranderen in iets, zagen we al. Hoe kwam het verder, dat die natuurwetten, als ze al in het niets bestonden, hun gelding hebben gekregen in het heelal? Wie of wat veroorzaakte dat?

Ook de tweede kans bevat problemen. Zoals al gezegd, verandert alles in het heelal en met betrekking tot het heelal zelf, maar de natuurwetten niet. Wie of wat was verder de “wetgevende” instantie die bij de big bang of voor de big bang die natuurwetten opstelde? Hoe is het geregeld geworden, dat die natuurwetten toen zijn gaan gelden binnen het heelal?

Klein ziet geen oplossingen. Op hoofdstuk 7, waarin onder andere bovenstaande stof aan de orde kwam, volgt hoofdstuk 8 met de conclusies. Klein noemt in de eerste zin ervan de vraag naar de oorsprong van het heelal een echt metafysische vraag zonder kenbaar antwoord. Metafysica is sinds Aristoteles in de filosofie het nadenken over wat onwaarneembaar is: oorzaken achter alles, God, goden en dergelijke. Wetenschap op basis van alleen waarneming en het verstand kan dus geen oplossing voor het ontstaan van het heelal vinden. Af en toe vind je in Kleins boeken een voorzichtig uitgedrukte sympathie voor het idee, dat God een goede kandidaat zou zijn bij de verklaring van onoplosbare kwesties. Maar waarschijnlijk behoort God voor Klein niet te fungeren binnen de fysica.

De natuurwetten vanuit de Bijbel gezien

Tot hier de redenering vanuit de evolutietheorie. Nu iets metafysisch – vanuit de Bijbel. Zegt de Bijbel iets over natuurwetten? De term natuurwet wordt niet gebruikt in de Bijbel, maar dat wil niet zeggen, dat de gedachte onbekend is. Ook de term plaatsvervangend lijden staat niet in de Bijbel, terwijl plaatsvervangend lijden toch een hoofdgedachte erin is.

Psalm 104 zegt wel degelijk iets over natuurwetten:

6 De oceaan, Gij hebt haar als met een kleed bedekt.
Boven de bergen stonden de wateren.
7 Zij vluchtten voor uw dreigen.
Zij haastten zich weg voor de stem van uw donder.
8 Bergen rezen op, dalen zonken neer op de plaats
waar Gij hun fundament hebt gelegd.
9 Gij hebt een grens gesteld, die zij niet overschrijden:
zij zullen de aarde niet weer bedekken.

Deze verzen gaan kennelijk over de zondvloed. De tweede regel van vers 6 en vers 9 zijn op dat punt zeer duidelijk. Er blijkt hier (tussen haken), dat de zondvloed niet alleen iets was met een enorme massa water. Ook was er vulkanische activiteit in de aardkorst. We zien, dat God persoonlijk ingrijpt in de gang van zaken in de natuur, maar ook uiteindelijk een wet opstelt: de zondvloed zal niet herhaalbaar zijn.

10 Hij zendt de bronnen naar de beken.
Tussen de bergen vloeien zij daarheen.
11 Zij geven alle dieren van het veld te drinken.
De wilde ezels lessen hun dorst.
12 Daarbij wonen de vogels van de hemel.
Van tussen de takken laten ze hun lied horen.
13 Hij geeft de bergen water uit zijn opperzalen.
Van de vrucht van uw daden wordt de aarde verzadigd.
14 Hij laat het gras ontspruiten voor het vee,
het groene kruid ter bewerking door de mens,
brood uit de aarde voortbrengend
15 en wijn, die het hart van de mens verheugt,
terwijl het het gezicht laat glanzen van olie –
ja, brood, dat het hart van de mens versterkt.

Dit gedeelte kun je opvatten als blijk van het feit, dat God regelingen heeft getroffen in de schepping. Die kun je uiteraard natuurwetten noemen. Maar zo dadelijk blijkt ook iets anders.

16 De bomen van Jahweh worden verzadigd,
de ceders van de Libanon, die Hij heeft geplant,
17 waar de vogels hun nesten maken.
Het huis van de ooievaar zijn de cipressen,
18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
de rotsen een schuilplaats voor de klipdassen.

Ook hier lijkt het te gaan over natuurwetten. Maar er wordt wel gezegd, dat God de ceders op de Libanon heeft geplant. Dit gaat verder dan een natuurwet opstellen bij de schepping. Dit betekent, dat God zich na de schepping ook bezighoudt met individuele ceders.

19 Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden.
De zon kent de tijd van haar ondergang.
20 Beschikt Gij duisternis, dan wordt het nacht,
dan roeren zich alle dieren van het woud.

Ook hier gaan de gedachten dezelfde twee kanten uit. De zon kent de tijd van haar ondergang klinkt als de verwijzing naar een natuurwet die constant geldt. In Beschikt Gij duisternis klinkt dan weer door, dat God elke avond het besluit neemt om het donker te laten worden. En zo gaat het door in deze psalm. Dieren roepen tot God (!) om voedsel. Hij geeft dat of geeft dat niet.

Inmiddels kunnen we onze conclusie trekken. Destijds hebben we in het Europese denken het Deïsme gehad. Het was een variant in dat wat uiteindelijk tot het geestelijk klimaat van de Franse Revolutie heeft geleid. Het Deïsme wilde God wel als schepper zien, maar …. God zou de natuurwetten ingesteld hebben en zich vervolgens niet meer met de aarde bemoeien. Epicurus dacht ook al zoiets. Zegt Psalm 104 dit ook? Nee. Psalm 104 kent zaken die vast geregeld zijn en natuurwetten kunnen genoemd worden. De psalm kent ook de voortdurende bemoeienis van God met de gang van zaken.

Wat levert dit samen op? Samen natuurlijk, want we mogen geen Bijbelse gegevens onder de tafel werken. God beschikt duisternis, maar de zon kent ook haar (gewone) tijd van ondergang. Dat betekent, dat de “natuurwetten” overeenkomen met Gods gewone manier van handelen. God regelt permanent alles, maar gelukkig houdt Hij er vaste gewoontes op na. Stel, dat de zwaartekracht soms ineens voor een kwartier niet zou bestaan of dat magneten op vrijdag niet zouden werken. Stel, dat sommige dagen 8 uur zouden duren. Een complete chaos zou het gevolg zijn. Gezondheidsproblemen, dynamo’s van windmolens die op vrijdag niet werken. Tijdens het uitvallen van de zwaartekracht maar hopen ergens in een gebouw te zijn. Ik schreef Gods gewone manier van handelen. Hij handelt en regelt voortdurend, ook als het voor ons overkomt als kwam het uit een natuurwet. Hij laat daarbij ook negatieve dingen toe. Hij kan ook afwijken van zijn gewoonte. Jezus liet Petrus op het water wandelen. Hij ging toen anders met de zwaartekracht om dan normaal. Hij trok zich toen dus niets aan van wat wij ervaren als de wetten van de zwaartekracht. Wij spreken dan over een wonder, maar eigenlijk doet God dan even voor een keer iets anders dan anders.

Voetnoten

  1. É. Klein, Discours sur l’origine de l’univers, Paris 2010 (uitgeverij Flammarion) voor het gewone boek, Paris 2012 voor de pocketuitgave in de serie Champs van Flammarion. Ons artikel gebruikt hoofdstuk 7.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. A. Dirkzwager studeerde klassieke filologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het hoofdvak was Grieks, de bijvakken Oude Geschiedenis en Latijn. Van de Griekse en Latijnse teksten die hij te bestuderen had, stamde 40% van christelijke auteurs. Zijn doctoraatsthesis was een inhoudelijke commentaar op de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis door de Griekse aardrijkskundige Strabo. De titel was 'Strabo über Gallia Narbonensis', uitgegeven door Brill, Leiden 1975. Hij was werkzaam als leraar in Nederland en Vlaanderen, later als onderwijsinspecteur. Ook gaf hij colleges exegese Nieuwe Testament en hermeneutiek aan de Evangelische Theologische Faculteit van Heverlee. De exegetische kolom van 1 Timotheus, 2 Timotheus, Filemon en Judas in de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek is van zijn hand, na retouches door de redactie.