Als wetenschappers die de literair-historische bedoeling van het Genesisverslag over het begin der dingen aanvaarden, zijn wij veel uitdagingen tegengekomen tijdens onze studie aan de universiteit en later in ons werk als professionele wetenschappers. Soms brachten die uitdagingen ons in verwarring, en soms maakten ze ons zelfs onzeker over wat we aan moesten met de specifieke informatie die wij tegenkwamen. Vaak werden we erdoor gedreven om op onze knieën en naar Gods Woord te gaan voor de verzekering dat we in de goede richting zaten. Altijd werden we aangespoord om meer gedetailleerde analyses uit te voeren van de data die de oorzaak waren van de uitdaging. Een van de grootste uitdagingen was de vraag van macro-evolutie. De theorie van macro-evolutie beweert dat de eerste levende cellen, en alle vormen van leven, het resultaat zijn van ongestuurde, naturalistische processen, zonder ingrijpen van buitenaf (God). Deze theorie kwam op in 19e eeuw, toen wetenschappers niets wisten over de complexiteit van levende cellen. Het was gemakkelijk te geloven dat een cel spontaan kon ontstaan, als men er niet meer in zag dan een zakje gevuld met vloeistof.

seldenrijk_4.sol

“In 1990 begon het Human Genome Project als een rijk gefinancierde poging van een grote groep wetenschappers om de hele informatievolgorde van het menselijk DNA te ontrafelen. Wetenschappers ontdekten, tot hun grote verbijstering, dat slechts een klein deel (ongeveer 2 %, dat is ongeveer 20.000 genen) van het menselijk DNA codeert voor eiwitten.”

Intrede van het DNA

Terwijl we in de 20e eeuw meer informatie kregen over de cellulaire complexiteit, inclusief het DNA, hadden naturalistische wetenschappers geen keus dan te blijven geloven dat dit verbazingwekkend systeem van moleculen, dat aan de basis ligt van alle leven, door toeval moest zijn ontstaan. Welke andere theorie was er? Het idee van een Schepper konden ze zeker niet accepteren, omdat hun naturalistische veronderstellingen die mogelijkheid uitsloot. Nu we in de 21e eeuw zijn beland, hebben drie baanbrekende ontdekkingen het fundament ondermijnd waarop het evolutionaire ontstaan van leven schijnt te zijn gebouwd.

Ontdekking 1: Het Human Genome Project

De twee procent. In 1990 begon het Human Genome Project als een rijk gefinancierde poging van een grote groep wetenschappers om de hele informatievolgorde van het menselijk DNA te ontrafelen. Wetenschappers ontdekten, tot hun grote verbijstering, dat slechts een klein deel (ongeveer 2 %, dat is ongeveer 20.000 genen) van het menselijk DNA codeert voor eiwitten (instructies bevat voor het maken van specifieke eiwitten), ofschoon men wist dat er ongeveer 100.000 eiwitten door menselijke cellen aangemaakt worden. Dit verschil eiste een verklaring en de verklaring was opzienbarend. Men begreep dat de delen van het DNA die coderen voor de aminozurenreeks in een eiwit (exons) op verschillende manieren gecombineerd kunnen worden om verschillende eiwitten te maken. Dit verklaart hoe maar 2 procent van ons DNA zoveel eiwitten kan maken.

Het werd duidelijk dat er een ander controlemechanisme aan het werk moest zijn om te bepalen welke exons aan elkaar geplakt moesten worden om de juiste eiwitten te maken. Dit meerlagen-DNA-managementsysteem was compleet boven elke verwachting van wat men tot dan toe over de complexiteit van het genetisch systeem had bedacht.

De Achtennegentig Procent. Wat deed die andere 98% van het DNA? Evolutiebiologen hadden lang geleden besloten dat DNA dat niet direct codeerde voor eiwitten “junk DNA” moest zijn. Dit niet-functionele DNA, verklaarden zij, werd door toevallige mutaties veranderd om nieuwe genen te produceren, die uiteindelijk onderdeel zouden worden van het genoom van het organisme. Door dit proces zou over een lange tijdsperiode een amfibie een reptiel kunnen worden en een zoogdier een mens. In feite werd “junk DNA” voor biologen al heel snel een sterk argument voor evolutie.

Maar er waren problemen in aantocht. Een nieuw, groots opgezet en door de Amerikaanse Federale Overheid gefinancierd initiatief, die het ENCODE project heette, werd gestart om te achterhalen wat die 98% van het DNA voor functie heeft als het niet voor eiwitten codeert. In september 2012 heeft dit project gelijktijdig een serie artikelen gepubliceerd over de resultaten van het onderzoek.1 Het consortium verklaarde dat ten minste 80% en hoogstwaarschijnlijk veel meer van het menselijk DNA waarvan werd gedacht dat het “junk” was, functioneel DNA blijkt te zijn. Het is niet alleen functioneel, maar ook uitermate belangrijk.

Een groot deel van deze 98% van het DNA dat niet direct voor eiwitten codeert, reguleert het eiwitsynthesesysteem; het is onderdeel van de multifunctionele controle van het genetisch systeem. Evolutionisten waren er snel bij om het rapport te veroordelen, ondanks het feit dat meer dan 400 ’s werelds top moleculair biologen aan het project hebben gewerkt. Maar de resultaten zijn wetenschappelijk staande gebleven en worden nu breed aanvaard.

vuilnisbak_weggooien_recycle_junk_dna.pixabay

“Wat deed die andere 98% van het DNA? Evolutiebiologen hadden lang geleden besloten dat DNA dat niet direct codeerde voor eiwitten “junk DNA” moest zijn.”

De genen die voor eiwitten coderen, 2% van het DNA, zijn in alle dieren gelijk.2 We delen 70% van onze eiwit-coderende genen (70% van 2%) met de eikelworm, 92% met de muis en tot 96% met de chimpansee. De rest van het DNA (98%) is wat een mens scheidt van de eikelworm, de muis en de chimpansee. Dit was een enorme tegenvaller voor de evolutietheorie, maar was reeds lang door creationisten voorspeld, die erkennen dat een Ontwerper de cel zeer zeker niet met junk zou belasten.

Stelt u zich voor dat u in een goedgeorganiseerde machinefabriek stapt en observeert hoe het functioneert. Het heeft honderdduizenden ladenkasten langs de muren. In elke lade zijn gereedschappen en onderdelen die nodig zijn voor de constructie van alles wat de machinefabriek kan maken. Een lade zou een speciale soort boorkop kunnen bevatten; in andere lades liggen specifieke bouten of sluitringen of schroeven. Elke lade heeft iets unieks, maar essentieel voor de constructie van een product. Niet alle producten zullen onderdelen uit elke lade nodig hebben. Deze laden stellen de eiwit-coderende genen voor. Zij zijn belangrijk, zelfs essentieel, maar zij kunnen niets produceren zonder de machinebankwerker en de blauwdruk. Wanneer de machinebankwerker de blauwdruk ontvangt, verzamelt hij de verschillende onderdelen, schakelt de benodigde machines aan en met vakmanschap, verkregen door jarenlange ervaring, maakt hij het vereiste product. Zonder de machinebankwerker en de blauwdruk, kan zelfs de machinefabriek niets produceren. De machinebankwerker en de blauwdruk vertegenwoordigen het regulerende DNA dat het grootste deel van het genoom uitmaakt. Evolutie kan niet verklaren hoe het genetisch systeem is ontstaan. Maar dit is nog maar het begin van de problemen van de naturalistische verklaringen; er is nog meer.

Ontdekking 2: Epigenese

Tot een paar jaar geleden, was de biologie-doctrine dat genen alles besturen, en dat het de genen zijn die bepalen wie iemand is en wat iemand kan worden. Nu is dat veranderd. Generaties lang zijn wetenschapsstudenten geïndoctrineerd om te geloven dat overerving buiten het DNA om (ook wel bekend als Lamarckisme) een absurditeit zou zijn: een voorbeeld is dat een giraf een lange nek zou hebben gekregen, omdat zijn voorouders voortdurend naar de hoogste blaadjes in de bomen reikten. Maar ongeveer twintig jaar geleden, begonnen wetenschappers in te zien dat er een ander controlemechanisme actief is dat delen van het DNA aan of uit kan schakelen, zonder de informatie van het DNA te veranderen.

giraffe.pixabay

“Generaties lang zijn wetenschapsstudenten geïndoctrineerd om te geloven dat overerving buiten het DNA om (ook wel bekend als Lamarckisme) een absurditeit zou zijn: een voorbeeld is dat een giraf een lange nek zou hebben gekregen, omdat zijn voorouders voortdurend naar de hoogste blaadjes in de bomen reikten.”

Deze epigenetische veranderingen van buiten het DNA hebben invloed op de anatomie van het dier, zijn functioneren en zelfs het gedrag.3 In 2014 hebben wetenschappers die het gedrag van muizen bestudeerden, overtuigend aangetoond dat wanneer een muis geleerd had een afkeer te hebben van een specifieke aangename geur (de dieren schrokken terug wanneer hen de geur werd aangeboden), ze deze afkeer konden doorgegeven aan tot wel de derde of vierde generatie nakomelingen. De titel van het artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Nature gaf uitdrukking aan de gedachte die bij elke Bijbelkenner zal opkomen: “Epigenetica: De zonden van de vaders.”4

In het voorbeeld van de muizen en in andere epigenetische effecten is de overerfbaarheid niet het resultaat van een of ander mutatie of verandering in het DNA. De epigenetische chemische veranderingen worden doorgegeven aan de toekomstige generatie zolang dat nodig is en de veranderingen kunnen in een toekomstige generatie worden hersteld. Bijvoorbeeld, het dieet van de ouder, het gedrag of stressniveau gedurende de zwangerschap kan van invloed zijn op het nageslacht zonder enige DNA-mutaties en deze veranderingen kunnen doorgegeven worden aan opeenvolgende generaties.

Epigenetica is een dramatische uitdaging voor evolutietheorie. Evolutie eist dat alle nieuwe genetische informatie het gevolgd is van toevallige veranderingen. Zonder een Schepper, kan het genetisch proces niet van tevoren weten wat het dier nodig zal hebben. Maar epigenese laat ruimte voor de omgeving om veranderingen op te dringen die voordelig zullen zijn, zonder de hulp van natuurlijke selectie. Welke controlemechanismen en ontwerpen zijn betrokken bij de ontwikkeling van een systeem dat zo geraffineerd is dat het blijvende gedragsinformatie kan doorgeven zonder een verandering in de genen? Dit is een serieus probleem voor de evolutionistische theorie zoals het gedurende de afgelopen 100 jaar is onderwezen. Maar er zijn meer uitdagingen op komst voor de evolutietheorie.

Ontdekking 3: Weesgenen

Het begrip weesgen is geïntroduceerd om eiwitcoderende regionen in het DNA van dieren aan te duiden die niet gevonden worden in aanverwante diergroepen of in enig andere soort. Met andere woorden, er zijn geen gelijkende “voorouderlijke genen” van waaruit het weesgen zou kunnen zijn ontstaan. Het is er gewoon, het voert een unieke taak voor het dier uit, zoals een honingbij in staat is om honing te maken.5 Het ziet ernaar uit dat het dier ontworpen is met dat gen, omdat het specifieke dier het nodig heeft. Weesgenen zijn in alle levensvormen aanwezig en presenteren een kritieke en misschien wel een fataal obstakel voor hen, die proberen het ontstaan van leven te verklaren door evolutionistische processen.

DNA.pixabay

“Het begrip weesgen is geïntroduceerd om eiwitcoderende regionen in het DNA van dieren aan te duiden die niet gevonden worden in aanverwante diergroepen of in enig andere soort.”

Door voortgaand onderzoek is het aantal weesgenen dat ontdekt en als zodanig erkend is, alleen maar toegenomen en op dit moment spreken we waarschijnlijk over een percentage van 10-30% van alle bekende genen. In de mens zijn al meer dan 1.000 weesgenen ontdekt en erkend. Ten minste een aantal van deze weesgenen zijn erg belangrijk; een van hen is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de grote hersenen in de mens.6

Een verklaring die recht doet aan het bewijs, is dat de genen onderdeel zijn van de oorspronkelijke schepping en dat hun aanwezigheid in de individuele soort het gevolg is van origineel ontwerp. Misschien zijn sommige van deze weesgenen, genen die geactiveerd zijn door veranderde omgevingsomstandigheden op aarde (epigenese) na de zondeval. In elk geval, zijn zij een ontnuchterende uitdaging voor de theorie van naturalistische evolutie.

Een betere verklaring

De evolutietheorie beweert dat nieuwe en verschillende typen organismen, zoals vissen, reptielen en zoogdieren zijn ontstaan zonder tussenkomst van een Schepper. Deze theorie wordt momenteel geconfronteerd met serieuze uitdagingen door de geraffineerde mechanismen in de moleculaire biologie die gedurende de laatste 50 jaar zijn ontdekt. De evolutietheorie wordt levend gehouden, omdat het aan de kunstmatige beademing in de vorm van een filosofische toewijding aan het naturalisme ligt, met de veronderstelling dat het leven geen Schepper heeft. Drie recente ontdekkingen: epigenese, de resultaten van het ENCODE project en weesgenen hebben de intellectuele houdbaarheid van de kunstmatige beademing van de macro-evolutie verder ondergraven. Voor velen zijn naturalisme en macro-evolutie nog steeds de enige aanvaardbare verklaringen voor het leven, maar deze verplichting is in toenemende mate gebaseerd op filosofie en niet op toereikend bewijs. We hopen de aanhangers van evolutietheorie ervan te overtuigen dat er een beter en levensvatbaarder alternatief is, die niet alleen verklarende waarde heeft in de wetenschap, maar ook de belofte inhoudt van eeuwig leven voor hen, die het aanvaarden.

Dit artikel is met toestemming van de auteurs vertaald en overgenomen. De originele publicatie is hier te vinden.

Voetnoten

  1. ENCODE. Thirty papers published at the same time in scientific journals, including eight articles and reports in Nature 489 (Sept. 6, 2013): 45-113. See also N. Carey, Junk DNA: A Journey Through the Dark Matter of the Genome (New York: Columbia University Press, 2015).
  2. J. Cohen, “Relative Differences: The Myth of 1%,” Science 316 (June 29, 2007): 1836.
  3. B. G. Dias and K. J. Ressler, “Parental Olfactory Experience Influences Behavior and Neural Structure in Subsequent Generations,” Nature Neuroscience 17 (2014): 89-96. Cf. D. Noble, “Physiology Is Rocking the Foundations of Evolutionary Biology,” Experimental Physiology 98 (2014): 1235-1243. Doi: 10.1113/expphysiol.2012.071134.
  4. V. Hughes, “Epigenetics: The Sins of the Fathers,” Nature 507 (Mar. 6, 2014):22-24.
  5. B. R. Herb, F. Wolschin, K. D. Hansen, M. J. Aryee, B. Langmead, R. Irizarry, G. V. Amdam, and A. P. Feinberg, “Reversible Switching Between Epigenetic States in Honeybee Behavioral Subcastes,” Nature Neuroscience 15, no. 10 (2012): 1371-1373. Cf. W. C. Jasper, T. A. Linksvayer, J. Atallah, D. Friedman, J. C. Chin, and B. R. Johnson, “Large-scale Coding Sequence Change Underlies the Evolution of Postdevelopmental Novelty in Honeybees,” Molecular Biology and Evolution 32, no. 2 (2015): 334-346.
  6. M. Florio, M. Albert, E. Taverna, T. Namba, H. Brandl, E. Lewitus, and W. B. Huttner, “Human-specific Gene ARHGAP11B Promotes Basal Progenitor Amplification and Neocortex Expansion,” Science 347, no. 6229 (2015): 1465-1470.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by en

Prof. dr. A.V. Chadwick is onderzoekshoogleraar aan het biologie- en geologie departement van de Southwestern Adventist University in Texas.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over