De in de natuur voorkomende ondoelmatige schoonheid is een wezenlijk kenmerk van een intelligente schepping. Het naturalistisch beginsel faalt, wanneer het er om gaat, het ontstaan van doelloze schoonheid te verklaren. De natuurlijke selectie zou uitsluitend gunstig zijn voor doelmatige mutaties, die op één of andere wijze een overlevingsvoordeel met zich meebrengen. Schoonheid zou evolutietheoretisch noch begunstigd noch geselecteerd worden. De in de natuur voorkomende ondoelmatige schoonheid is een wezenlijk kenmerk van een intelligente schepping. Het naturalistisch beginsel faalt, wanneer het er om gaat, het ontstaan van doelloze schoonheid te verklaren. De natuurlijke selectie zou uitsluitend gunstig zijn voor doelmatige mutaties, die op één of andere wijze een overlevingsvoordeel met zich meebrengen. Schoonheid zou evolutietheoretisch noch begunstigd noch geselecteerd worden.

Er zijn dieren en planten, die (naar menselijke maatstaven) onuitsprekelijk mooi zijn en die ten opzichte van hun onopvallende en simpel ogende soortgenoten geen voordeel schijnen te hebben. Charles Darwin schreef in zijn boek “Het ontstaan van de soorten”, dat het voor zijn theorie een zware tegenslag zou zijn, indien veel organische structuren werkelijk “slechts vanwege de schoonheid aanwezig zouden zijn, om de toeschouwer te verheugen”.1 Eenvoudig maar mooi te zijn, brengt de evolutie geen voordeel. Hiervan was Darwin zich bewust.
Vanzelfsprekend kan een groot deel van de schoonheid in de natuur met het voortplantingsgedrag van levende wezens in verband worden gebracht. Maar in veel gevallen schijnt zij inderdaad ondoelmatig te zijn.

Structuren, de schijnbaar “slechts vanwege de schoonheid” voorhanden zijn

Veel bloemen zouden in de verste verte niet zo mooi gevormd hoeven zijn, zoals wij ze kennen. Om de juiste bijen en andere insecten aan te trekken, zou het in de meeste gevallen voldoende zijn, bloembladen met de juiste kleuren te produceren. Tenslotte hebben bijen geen ogen, zoals wij mensen ze hebben. De schoonheid van de meeste bloemen (in het bijzonder orchideeën) schijnt inderdaad ondoelmatig te zijn.
De indrukwekkende pauwenstaart met zijn onnodige pracht of de wonderschone patronen en kleuren op vlindervleugels zijn waarschijnlijk niet doelmatig. Zij kunnen zelfs nadelig zijn.
De aeolidia zijn piepkleine slakken, die men slechts met een sterke loep kan waarnemen. Deze slakken tonen verfijnde patronen in levende kleuren – hoewel zij zelf slechts heel eenvoudige ogen bezitten, waarmee zij geen beelden kunnen waarnemen. De bioloog Adolf Portmann schrijft daarover: “Men ziet bij deze kleurige slakken, evenals in ontelbare andere gevallen, gecompliceerde ontwerpen voor optische structuren, die met geen enkel ziend orgaan in verband gebracht kunnen worden en toch in kleur en vorm gebouwd schijnen als om gezien te worden”.2 Ondoelmatige schoonheid impliceert een nadenkende, allesomvattende intelligentie, die niet slechts op ontwerp en doelmatigheid let, maar ook oog heeft voor het leven als geheel, en daarbij ook op harmonie en zelfs schoonheid bedacht is.

Voetnoten

  1. Digitale Bibliothek Band 2: Philosophie. Charles Darwin, “Die Entstehung der Arten”, p. 423.
  2. Adolf Portmann, Meerestiere und ihre Geheimnisse, Reinhardt-Verlag, Basel, 1958, p. 73.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

95 Stellingen

Written by

Weliswaar zijn sinds de eerste uitgave van Charles Darwins boek "Het ontstaan van soorten" op 24 november 1859 ontelbare feiten bekend geworden, die heel duidelijk tegen de evolutietheorie spreken, maar het geloof in evolutie, oerknal en een vele miljoenen jaren oude aarde heeft zich diep in het bewustzijn van de moderne maatschappij ingenesteld. Hierbij heeft deze wereldbeschouwing langzamerhand een fundamentalistisch karakter aangenomen. In geen ander gebied van de wetenschap worden kritische stemmen zo onzakelijk en heftig aangevallen als op dit gebied van onderzoek. Wie twijfelt, wordt uit het debat over de oorsprongsvragen uitgesloten en niet zelden bestreden. De eigenwijsheid van de leidende disciplines in wetenschap, onderwijs en media doet denken aan de koppigheid, waarmee de Rooms Katholieke kerk in de Middeleeuwen haar toenmalige wereldbeeld verdedigd heeft. Op 31 oktober 1517 heeft de hervormer Maarten Luther 95 stellingen gepubliceerd, waarmee hij de toenmaals wijdverbreide aflaatpraktijk ter discussie stelde. Deze bemoeienis heeft een kettingreactie veroorzaakt, die uiteindelijk tot de Reformatie leidde. Op gelijke wijze moeten de hier aanwezige 95 stellingen tot een verandering van denken in het oorsprongsdebat bijdragen. Met deze publicatie willen wij ons ervoor inzetten, dat in de discussie over de oorsprong van de mensheid, het aardse leven en de kosmos een open omgang met wetenschappelijke gegevens, interpretaties en wereldbeschouwelijke stellingnamen* mogelijk wordt.