Het causale Godsbewijs van Aristoteles (384 – 322 v.Chr.) gaat ervan uit, dat men de reeks van oorzaken niet oneindig kan voortzetten; daarom moet er een eerste oorzaak (prima causa) bestaan. Het ontologische Godsbewijs van Anselm von Canterbury (1033 – 1109) verplaatst de analyse van het vlak van het logisch-begrijpelijke naar het vlak van het zijn. Het teleologische Godsbewijs van Thomas von Aquino (1225 – 1274) suggereert, dat de goed doordachte inrichting van deze wereld een oorzaak van buitenaf moet hebben. Het kosmologische Godsbewijs bestaat uit meerdere varianten, waarbij de oudste formulering het argument geeft, dat het universum een oorzaak nodig had, die buiten haarzelf moet liggen. Nieuwe Godsbewijzen laten zich afleiden uit de informatie volgens natuurwetten in het universum en de profetische informatie uit de Bijbel.

Te allen tijde hebben er sterke voorstanders en evenzo heftige critici met betrekking tot het Godsbewijs bestaan.1 Tegenwoordig beroepen zich de meeste critici op Immanuel Kant, die als grote tegenstander van alle Godsbewijzen gezien wordt. Naast de dichter Gotthold Ephraim Lessing is Kant tot een begrip in de Verlichting geworden. Hij definieerde haar als de “Bevrijding van de mensen uit zijn onmondigheid door eigen schuld”. Beiden werden de “Dubbelster van de Verlichting” genoemd, die beweging dus, die de Bijbel als ongeloofwaardig heeft weggezet.

Kant meende dat onze verstandelijke vermogens uiterst beperkt zijn, nochtans werpt ons verstand voortdurend vragen op naar de zin van het leven, over de ziel, over God. De Bijbel zegt, dat wij God zeer wel kunnen onderkennen2 en dat zijn Geest in onze geest ervan getuigenis geeft, dat wij christenen zijn kinderen zijn.3 Maar het allerduidelijkst openbaart Hij zich in Jezus Christus zelf: “Wie mij ziet, ziet de Vader.”4

In de Bijbel leidt God ons naar het ware inzicht. Hij verklaart ons, dat wij uit de schepping met behulp van ons verstand kunnen concluderen dat God bestaat: “Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt.”5

De formulering “zij kenden God” is een zeer sterke uitspraak. Daarmee wordt gezegd, dat God zich ook buiten de Bijbel om heeft geopenbaard. Ook als Godsbewijzen niet direct tot geloof leiden, toch hebben zij een belangrijke functie: Zij weerleggen het atheïsme en zijn geschikt, diverse geloofshindernissen af te breken of zelfs geheel teniet te doen.

Het Godsbewijs uit de natuurwet over informatie:

Op basis van de natuurwetten over informatie (NWI) weten wij, dat voor de gigantische hoeveelheden informatie in de cellen van alle levende wezens een intelligente bron nodig is.6 Tegenover de historische Godsbewijzen, die vergaand filosofisch argumenteren, hebben wij hier een natuurwettig bewijs voor het bestaan van een intelligente bron en daarmee voor het bestaan van God. Kant wist nog niets van genetische informatie, en daarom mogen wij ons tegenwoordig, wanneer het om moderne Godsbewijzen gaat, niet op Kant beroepen, die meer dan 200 jaar geleden leefde en slechts van een fractie wist van de wetenschappelijke kennis, die ons tegenwoordig ter beschikking staat.

Het profetisch-wiskundig Godsbewijs:

De opvatting, dat de Bijbel een boek is als elk ander, is tegenwoordig wijd verbreid.7 Mensen uit verschillende tijdperken hebben over God en de wereld nagedacht en dit opgeschreven. Klopt dat?

De Bijbel bevat 3268 profetische uitspraken, die reeds vervuld zijn.8 Deze kwaliteit heeft geen enkel ander boek in de wereldgeschiedenis.9 Daarmee wordt ons een uniek waarheidscriterium ter hand gesteld. Is het mogelijk, dat mensen, verdeeld over een tijdspanne van 1500 jaar, zoveel precieze voorspellingen kunnen doen? Zijn zij toevallig vervuld of was het alleen mogelijk, omdat God, de Auteur van de Bijbel is, die op basis van zijn alwetendheid profetieën kan geven, die daarna ook in de loop van de geschiedenis controleerbaar zijn?

De waarschijnlijkheid, dat 3268 profetieën toevallig in vervulling gaan, is praktisch nul. De resulterende getallen van de wiskundige berekeningen nemen dusdanig tot in het gigantische en astronomische toe, dat ons denk- en voorstellingsvermogen in de verste verte niet meer toereikend is, om deze werkelijkheid voor te stellen. Ervan uitgaand, dat alle profetieën met 50% even waarschijnlijk zijn, komt men op de niet voor te stellen waarschijnlijkheid van 1,7 x 10^-984.

Vier directe conclusies

a) Het is ondenkbaar, dat alle vervulde profetische voorspellingen van de Bijbel toevallig zijn uitgekomen. Dit kritische bezwaar kan statistisch uitgesloten worden.

b) Aangezien de profetische voorspellingen als geheel niet toevallig kunnen uitkomen, is een almachtige en alwetende God nodig, die de profetieën van tevoren bekend maakte en op basis van zijn almacht in werkelijkheid kon omzetten.

c) Omdat de vervulling van de profetieën alleen door een almachtige en alwetende God mogelijk is, hebben wij door onze beschouwing een profetisch-wiskundig Godsbewijs aangeleverd. Wij kunnen het ook zo zeggen: De visie van het atheïsme werd weerlegd.

d) Omdat het bij deze beschouwing om de profetieën uit de Bijbel ging, is de onder b) genoemde God geen andere dan de levende God van de Bijbel, die zich door gewone mensen heeft geopenbaard en in Jezus Christus persoonlijk tot ons is gekomen.

Twee indirecte conclusies

e) Van de in totaal meer dan 6000 profetische voorspellingen in de Bijbel zijn er 3268 reeds in vervulling gegaan. Veel profetische uitspraken (vooral in het boek Openbaring) hebben betrekking op de wederkomst van Jezus en het einde van de wereldgeschiedenis, en moeten nog in vervulling gaan. Wij kunnen echter de indirecte conclusie trekken, dat ook deze, stipt – precies zoals beschreven – zullen uitkomen.

f) Indien wij voor het grootste deel van de Bijbel, het bewijs kunnen aanleveren, dat zij door de oneindig intelligente en almachtige Schepper van het universum werd geïnspireerd, dan is het in feite onvermijdelijk, dat de gehele Bijbel (inclusief de beschrijving van de schepping) waar moet zijn.

Twee samenvattende conclusies

g) Door het profetisch-wiskundig bewijs werd het bestaan van een alwetende en almachtige God, die identiek moet zijn aan de God van de Bijbel, bewezen.

h) De Bijbel stamt van God af en is waar.

Conclusie

Geen van de in het verleden genoemde Godsbewijzen verwijst naar een bepaalde God. Zij zijn allemaal zo algemeen gehouden, dat zij door elke willekeurige religie gebruikt kunnen worden. Daarentegen verwijst het profetisch-wiskundig Godsbewijs duidelijk naar de God van de Bijbel en naar zijn Zoon Jezus Christus.

Voetnoten

  1. Alister McGrath, Der Atheismus-Wahn, Gerth Medien, 2007
  2. Paulus van Tarsus, de Bijbel, Romeinen 1:19
  3. Paulus van Tarsus, de Bijbel, Romeinen 8:16
  4. Johannes, de Bijbel, Johannes 14:9
  5. Paulus van Tarsus, de Bijbel, Romeinen 1:20-21
  6. Werner Gitt, Am Anfang war die Information, Hänssler-Verlag, Holzgerlingen, 3. überarbeitete und erweiterte Auflage, 2002.
  7. Werner Gitt, So steht´s geschrieben, 7. stark erweiterte und überarbeitete Auflage, Christliche Literatur-Verbreitung, Bielefeld, 2008.
  8. Finis Jennings Dake, Dake´s Annotated Reference Bible, Lawrence Ville, Georgia, USA, 1961.
  9. Werner Gitt, Und die anderen Religionen?, Christliche Literatur-Verbreitung, 1991.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

95 Stellingen

Written by

Weliswaar zijn sinds de eerste uitgave van Charles Darwins boek "Het ontstaan van soorten" op 24 november 1859 ontelbare feiten bekend geworden, die heel duidelijk tegen de evolutietheorie spreken, maar het geloof in evolutie, oerknal en een vele miljoenen jaren oude aarde heeft zich diep in het bewustzijn van de moderne maatschappij ingenesteld. Hierbij heeft deze wereldbeschouwing langzamerhand een fundamentalistisch karakter aangenomen. In geen ander gebied van de wetenschap worden kritische stemmen zo onzakelijk en heftig aangevallen als op dit gebied van onderzoek. Wie twijfelt, wordt uit het debat over de oorsprongsvragen uitgesloten en niet zelden bestreden. De eigenwijsheid van de leidende disciplines in wetenschap, onderwijs en media doet denken aan de koppigheid, waarmee de Rooms Katholieke kerk in de Middeleeuwen haar toenmalige wereldbeeld verdedigd heeft. Op 31 oktober 1517 heeft de hervormer Maarten Luther 95 stellingen gepubliceerd, waarmee hij de toenmaals wijdverbreide aflaatpraktijk ter discussie stelde. Deze bemoeienis heeft een kettingreactie veroorzaakt, die uiteindelijk tot de Reformatie leidde. Op gelijke wijze moeten de hier aanwezige 95 stellingen tot een verandering van denken in het oorsprongsdebat bijdragen. Met deze publicatie willen wij ons ervoor inzetten, dat in de discussie over de oorsprong van de mensheid, het aardse leven en de kosmos een open omgang met wetenschappelijke gegevens, interpretaties en wereldbeschouwelijke stellingnamen* mogelijk wordt.