Een van de belangrijkste uitdagingen voor een jonge aarde is afkomstig vanuit de radiometrische dateringen. Voor het eerst ontwikkeld in het begin van de twintigste eeuw, maken radiometrische dateringen gebruik van natuurlijk voorkomende radioactieve isotopen om gesteenten en mineralen te dateren. Maar maken radiometrische dateringen de dienst uit? Als geowetenschapper zie ik een aantal problemen.

Clouds over Kodachrome Basin State Park. One of many great red rock formations at Kodachrome Basin State Park. Shot back in 2005 using my now dead Canon 20D. Recently recovered from some lost files.

“Het zand in de pijpen kwam uit sedimentaire lagen daaronder en is onder druk (door aardbevingen) opwaarts geïnjecteerd in de bovenliggende sedimenten.”

1. De mismatch tussen oude en moderne sedimentatiesnelheden. Er is veel te weinig sedimentair gesteente voor de gigantische tijdspanne die de radiometrische dateringen impliceren. De gemiddelde sedimentatiesnelheden zoals die geschat worden met behulp van radiometrische data (0.01m per 1000 jaar) zijn veel lager dan de gemiddelde sedimentatiesnelheden op basis van de huidige waarnemingen (100m per 1000 jaar). Ofwel lag de sedimentatiesnelheid in het verleden een stuk lager (wat onwaarschijnlijk lijkt) ofwel er is iets mis met de radiometrische dateringen.

2. Het ontbreken van verwachte erosie tussen de aardlagen. Sommigen hebben gesuggereerd dat een groot deel van het sediment dat oorspronkelijk afgezet is, niet bewaard is gebleven. Op sommige plaatsen klopt het dat de geologische kolom aanwijzingen laat zien van opheffing en erosie van de sedimenten voordat de opeenvolgende aardlagen werden afgezet. Maar op andere plaatsen is dergelijk bewijs er niet, terwijl er tijdsgaten van miljoenen jaren zijn waarvan wordt gedacht dat deze de twee opeenvolgende rotsformaties scheiden.

3. Geologische verschijnselen die een korte tijdschaal vereisen. De verticale pijpen van zandsteen (tot 100 meter hoog) in het Kodachrome Basin State Park in Utah zijn hier een voorbeeld van. Het zand in de pijpen kwam uit sedimentaire lagen daaronder en is onder druk (door aardbevingen) opwaarts geïnjecteerd in de bovenliggende sedimenten. Het raadsel is dat er verondersteld wordt dat er meer dan 150 miljoen jaar zijn verstreken tussen het onderste sediment en de bovenliggende lagen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de bronsedimenten meer dan 150 miljoen jaar zacht en ongeconsolideerd (niet versteend) hebben kunnen blijven. Een betere verklaring is dat er slechts een korte tijd verstreken is tussen de depositie van het zand en de daaropvolgende seismische activiteit en intrusie van de pijpen.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Creation Update, het magazine van Creation Resources Trust.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Paul Garner

Written by

Paul Garner (M.Sc.) is een fulltime onderzoeker en presentator van Biblical Creation Ministries. Hij heeft een universitaire master in de Geowetenschappen van University College Londen, waar hij zich specialiseerde in de paleobiologie. Hij is een fellow van de Geological Society of Londen en lid van diverse andere wetenschappelijke organisaties.

3 Comments

Jan van Meerten

Geachte oorsprongswetenschapper, Ik heb het een en ander even nagevraagd en uitgezocht. De bron achter dit punt is de volgende: Sadler, W.M., 1981, Sediment accumulation rates and the completeness of stratigraphic sections, The Journal of Geology 89 (5): 569-584. Deze paper wordt besproken in: Brand, L.R., 2009, Faith, Reason, & Earth History. A Paradigm of Earth and Biological Origins by Intelligent Design. 2nd Edition (Berrien Springs: Andrews University Press), p. 315-317.

Reply
Leon van den Berg

Beste Paul,

Sadler had het over het “Sadler effect” https://en.wikipedia.org/wiki/Sadler_effect : hoe groter de periode is waarover je meet des te waarschijnlijker het is dat een gedeelte van de sedimenten weer intussen verdwenen is door erosie. Logisch. Zie ook http://clasticdetritus.com/2007/07/03/sediment-accumulation-rates-and-bias-the-sadler-effect/ of uitgebreider http://users.clas.ufl.edu/eemartin/GLY5736F07/literature/Sommerfield.pdf

Er is hier geen enkele aanwijzing dat in het verleden de sedimentatie-snelheid langzamer lag dan tegenwoordig en ook niet dat er iets mis is met radiometrische dateringen.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over