Het rechtop lopen van de mens vereist een gelijktijdig (!) aanwezig zijn van de volgende eigenschappen: gestrekt knie- en heupgewricht, halswervelkolom onder aan het hoofd verbonden (in plaats van aan het achterhoofd zoals bij apen), vlak gezicht, beter evenwichtsorgaan, rechtere rug, holle voet, sterke grote teen en de benodigde hersenfuncties voor het rechtop lopen. Voor elk van deze eigenschappen moeten gelijktijdig enkele duizenden “juiste” en perfect afgestemde mutaties in het genoom plaatsvinden. Zulk een scenario is ondenkbaar.

Unieke eigenschappen van de rechtop lopende mens

De menselijke voet is voor het rechtop lopen buitengewoon geschikt gevormd. Tussen de voorvoet en de hiel vormt hij een vlakke boog. Dat maakt bij een niet vlakke ondergrond een beter evenwicht mogelijk. De voet bevat 26 botjes en vele spieren en pezen, welke de voet een flexibiliteit verlenen, die het lopen verlichten. Dankzij de gebogen voet kan deze bij het lopen en rennen klappen incasseren. De aap daarentegen heeft een handachtige voet, die weliswaar het grijpen van takken vergemakkelijkt maar het lopen bemoeilijkt.

De grote teen aan de menselijke voet is buitengewoon krachtig gevormd. Zij ligt evenwijdig aan de overige tenen. Bij elke stap wordt de laatste zet door de grote teen gegeven. Om bij het lopen het lichaam onder controle te houden, moet de grote teen bijzonder sterk zijn. Bij apen daarentegen is de grote teen naar buiten staand, zodat hij daarmee een tak gemakkelijk kan grijpen en vasthouden.

Het kniegewricht van de mens stelt hem in staat zijn been rechtuit te strekken. In de rechtop-houding bevindt zich het kniegewricht in een stabiele positie, welke de spieren bij het staan ontlasten. De aap kan zijn kniegewricht niet helemaal strekken, zodat hij met gekromde benen moet lopen, wat erg moeizaam is. M. D. Dye schrijft over de uniekheid van de menselijke knie: “Ondanks alle overeenkomsten van de knieën bij de tetrapoden (landwerveldieren) bestaat er onder hen geen prototype voor de menselijke knie.”1

De benen van de mens zijn ongeveer zo lang als het halve lichaam. Dit geeft de mogelijkheid om grotere stappen te nemen of te rennen. De benen van apen daarentegen zijn slechts ongeveer een derde van de lichaamslengte, wat bij het lopen sneller tot vermoeidheid leidt. Wanneer de chimpansee rechtop staat, kan hij de benen niet rechtuit strekken. In de rechtop-houding is dat enorm inspannend. Zijn gezicht is dan naar boven gericht. Hij moet het hoofd daarom buigen, indien hij naar voren wil zien. De wervelkolom is bij apen aan het achterhoofd bevestigd, bij de mens echter onder aan het hoofd. Daarom ziet de aap moeiteloos naar voren, wanneer hij op vier voeten loopt, echter niet wanneer hij rechtop loopt. Daarentegen moet een klein kind dat op handen en voeten kruipt, het hoofd ingespannen naar boven houden, om naar voren te kunnen zien.

Het heupgewricht in het bekken van de mens stelt hem in staat, zijn dijbeen in een verticale positie te brengen. Bij apen is dit niet mogelijk. De dijbeenbotten zijn bij de mens zo gevormd, dat de knieën en voeten dicht naast elkaar kunnen staan. Omdat de voeten dicht onder het centrum van het lichaam liggen, bewerkt dit een grote stabiliteit bij het lopen en rennen. Gedurende het lopen en rennen wordt het lichaam afwisselend door slechts één voet gedragen, zodat hij omvallen zou, indien zich het zwaartepunt te ver buiten de dragende voet zou bevinden. De dijbenen van de apen zijn daarentegen recht, zodat zijn knieën bij het lopen verder van elkaar verwijderd zijn. Daarom waggelen apen nogal, indien zij proberen op twee benen te lopen.

De rechte rug van de mens bewerkt, dat zich het hoofd bij het staan loodrecht boven de heupen bevindt. De aap heeft een gekromde rug, zodat hij zijn handen nodig heeft, om zich tegen het omvallen te ondersteunen. De wervelkolom van de mens is licht S-vormig gekromd, die van de aap daarentegen C-vormig. Wanneer de aap op vier voeten loopt is zijn wervelkolom ontspannen. Bij de mens is zij ontspannen zodra hij rechtop loopt. Mogelijke overgangsvormen moeten onvermijdelijk een ongunstige belasting hebben te verduren gehad. In dit opzicht is het interessant vast te stellen, dat de mensen van de bekende oervolken op gezonde wijze rechtop gelopen hebben. Het enige levende wezen dat ten dele met een fysiologisch ongunstig gekromde houding door het leven gaan, is de beschaafde stadsmens.

Het vlakke gezicht van de mens stelt hem in staat om te zien, wat direct voor hem ligt. De chimpansee daarentegen heeft naar achter liggende ogen en een naar voren geschoven kin, zodat hij bij het rechtop lopen een voor hem liggend obstakel niet kan zien. Wanneer hij echter op vier voeten loopt, ligt zijn kop echter lager en kan hij obstakels zien.

Het evenwichtsorgaan in het menselijk oor is voor de verticale ruimte-dimensie speciaal vormgegeven. Bij apen daarentegen is de voorste verticale dimensie duidelijk zwakker.2 Bij het lopen op vier poten wordt bij apen het verticale evenwicht door vier steunpunten gegeven, dus normaalgesproken reeds aanwezig. De aap kan niet op zijn tenen lopen, noch op één been staan.

De gezichtsuitdrukking is een belangrijk onderdeel van de menselijke communicatie. Ook indien wij het ons niet bewust zijn, onderzoeken wij voortdurend de gezichtsuitdrukking van de mensen in ons gezichtsveld. Wij proberen, de gedachten en reacties van de mensen te raden. Veel van onze eigen reacties worden door de gezichtsuitdrukking van anderen beïnvloed. Wanneer wij bijvoorbeeld iemand met een treurig gezicht ontmoeten, vragen wij hem naar de reden. Apen hebben relatief weinig gezichtsspieren en zijn slechts tot weinig gezichtsveranderingen in staat.

Het stemorgaan van de mens is ervoor ontworpen, middels een taal informatie uit te wisselen. Bij apen is de stemvorming anders gemaakt. Het strottenhoofd ligt bij de mens dieper in de keel. Dit resulteert er in dat de tong een groter bereik voor zijn beweeglijkheid heeft. Het bewerkt meer mogelijkheden voor het maken van stemgeluiden. Bij apen bevindt zich het strottenhoofd echter ver naar boven, hetgeen het maken van precieze geluiden onmogelijk maakt. De vorm van de mondholte is bij de mens akoestisch voordelig.

De spreekvaardigheid vereist een bepaald gebied in de hersenen, welke de voor het spreken vereiste spieren aansturen en de door het gehoor waargenomen signalen verwerken, zodat ze kunnen worden begrepen. Dit hersenonderdeel ontbreekt bij apen.

De hersenen van de mens zijn aanzienlijk groter dan bij apen. De hersenen van de mens bevatten ongeveer 100 miljard neuronen en elk neuron heeft ongeveer 1000 verbindingen met andere neuronen. Wanneer men het aantal verbindingen tot de hersenschors wil tellen en elke seconde één verbinding telt, dan zou men daarvoor 3,2 miljoen jaar nodig hebben.

De vaardigheid om te denken maakt de mens tot wat hij is. Hij heeft een zelfbewustzijn en is creatief. Het menselijke brein heeft het unieke vermogen om schoonheid te kunnen waarnemen. Het linker gedeelte van de hersenen bevat het onderdeel om te kunnen spreken, in het rechter gedeelte bevindt zich het centrum om muziek te kunnen maken en waarnemen. Geen ander levend wezen heeft een “muziekgehoor” zoals wij het kennen.

Voetnoten

  1. Scott F. Dye, M.D., An evolutionary perspective of the knee, Journal of bone and joint surgery, 69A, 1987, p. 976-983.
  2. Labyrinth und aufrechter Gang, factum Mai 1995, p. 17-21.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

95 Stellingen

Written by

Weliswaar zijn sinds de eerste uitgave van Charles Darwins boek "Het ontstaan van soorten" op 24 november 1859 ontelbare feiten bekend geworden, die heel duidelijk tegen de evolutietheorie spreken, maar het geloof in evolutie, oerknal en een vele miljoenen jaren oude aarde heeft zich diep in het bewustzijn van de moderne maatschappij ingenesteld. Hierbij heeft deze wereldbeschouwing langzamerhand een fundamentalistisch karakter aangenomen. In geen ander gebied van de wetenschap worden kritische stemmen zo onzakelijk en heftig aangevallen als op dit gebied van onderzoek. Wie twijfelt, wordt uit het debat over de oorsprongsvragen uitgesloten en niet zelden bestreden. De eigenwijsheid van de leidende disciplines in wetenschap, onderwijs en media doet denken aan de koppigheid, waarmee de Rooms Katholieke kerk in de Middeleeuwen haar toenmalige wereldbeeld verdedigd heeft. Op 31 oktober 1517 heeft de hervormer Maarten Luther 95 stellingen gepubliceerd, waarmee hij de toenmaals wijdverbreide aflaatpraktijk ter discussie stelde. Deze bemoeienis heeft een kettingreactie veroorzaakt, die uiteindelijk tot de Reformatie leidde. Op gelijke wijze moeten de hier aanwezige 95 stellingen tot een verandering van denken in het oorsprongsdebat bijdragen. Met deze publicatie willen wij ons ervoor inzetten, dat in de discussie over de oorsprong van de mensheid, het aardse leven en de kosmos een open omgang met wetenschappelijke gegevens, interpretaties en wereldbeschouwelijke stellingnamen* mogelijk wordt.