Snelle verstening (taphonomie)

by | nov 21, 2016 | Geologie, Onderwijs, Paleontologie

Wil een levend wezen gefossiliseerd worden, dan moet het binnen de kortste tijd met sediment bedekt en van de lucht afgesloten worden. Anders zal het verrotten/bederven. Wanneer het afgesloten levende wezen door geschikte mineralen wordt omgeven, vindt tengevolge van chemische processen een uitwisseling tussen de moleculen van het organisme en zijn mineraalhoudende omgeving plaats. Het feitelijke proces kan onder geschikte omstandigheden binnen vijf dagen beginnen en na weken, maanden of enkele jaren zijn afgerond. Hoe snel een organisme wordt gemineraliseerd, is afhankelijk van de omgeving, waarin het werd ingebed.

Fossielen ontstaan gewoonlijk slechts bij grote rampen. In de Brockhaus uitgave van 1988 vindt men onder het trefwoord “fossielvorming” het volgende: “vereiste (voor de vorming van fossielen) is de snelle inbedding van afgestorven levende wezens in lemige, zandige en andere afzettingen of in hars (het latere barnsteen), zodat zij niet verrotten, opgevreten of door andere fysische of chemische krachten konden worden vernietigd.”

amber_hanger

Snelle verstening

Volgens een verslag van Derek Briggs en Amanda Kear in Science heeft men bij laboratoriumonderzoeken waargenomen, dat een gedeeltelijke mineralisering van garnalen reeds twee weken na de dood startte.1 De mineralisering van spieren bedroeg na 8 weken reeds 40%. Ook wanneer dit proces niet altijd zo snel afloopt, staat evenwel vast, dat daarvoor beslist geen miljoenen jaren nodig zijn.

Dinosauriërbotten met elastisch weefsel en cellulaire structuren

Opvallend is het dat in de afgelopen jaren enige dinosauriërbotten werden gevonden, waarbij het proces van mineralisering nog niet was afgesloten. Zij bevatten onder anderen flexibel, elastisch weefsel met cellulaire structuren (bindweefsel en bloedvaten). Wanneer men ervan uitgaat, dat deze botten werkelijk 60 miljoen jaar en ouder zijn, dan is het moeilijk te verklaren, hoe dit organische materiaal over een zo lange tijdsperiode het verteringsproces (Entropie) kon trotseren.23 Bovendien heeft men dinosauriërbotten gevonden, die eiwitfragmenten bevatten. Deze zouden volgens de huidige inzichten duidelijk minder dan 1 miljoen jaar houdbaar zijn.4

Uniformitarianisme en catastrofisme

Een van de pijlers van de evolutietheorie is het uniformitarianisme. Deze leer beweert, dat in het verleden processen op gelijke wijze verliepen, zoals wij ze tegenwoordig nog waarnemen. Zo meet men de materiaalhoeveelheden, die tegenwoordig per jaar op bepaalde plaatsen op de zeebodem neerslaan, en schat aan de hand daarvan de tijd, die nodig was voor de opbouw van alle lagen. Een kalklaag van een meter dik af te zetten, zou onder de huidige omstandigheden op aarde ca. 40.000 jaar duren. Hierbij moet men echter bedenken, dat fossielen van weke delen en planten slechts dan konden ontstaan, wanneer de levende wezens zo snel en volledig begraven werden, dat noch lucht en water, noch bacteriën en aaseters hen iets konden aandoen. De meeste steenlagen, die wij tegenwoordig vinden, bevatten grotere of kleinere fossielen. Al deze lagen moeten daarom zeer snel ontstaan zijn.

In Zweden kan men de helft van het Ordovicium (naar men zegt ongeveer 30 miljoen jaar of meer oud) in een enkele steengroeve zien. Men noemt dit een condensatie opslag, omdat men ervan uitgaat, dat de afzetting zeer langzaam plaatsvond. Toch vind men ook in deze afzettingen grote hoeveelheden tribolieten.5 Deze afzettingen moeten met grote massa’s tegelijk hebben plaatsgevonden, binnen dagen, jaren of decennia. Anders zouden de tribolieten zijn verteerd, voor zij konden verstenen.

Voetnoten

  1. Derek E.G. Briggs und Amanda J. Kear, Fossilization of Soft Tissue in the Laboratory, Science 259, 5 Maart 1993, p. 1439-1442.
  2. Mary Higby Schweitzer et al., Analyses of Soft Tissue from Tyrannosaurus rex Suggest the Presence of Protein, Science 316, 13 April 2007 p. 277-280.
  3. H. Binder, Elastisches Gewebe aus fossilen Dinosaurier-Knochen, Studium Integrale, Oktober 2005, p. 72-73.
  4. H. Binder, Proteine aus einem fossilen Oberschenkelknochen von Tyrannosaurus Rex, Studium Integrale, Oktober 2007, p. 78-81.
  5. R. Fortey, Trilobiten!, München, 2002, p. 203.
M
"

Artikelen

Artikelen