Van cruciale betekenis binnen de evolutionistische wereldbeschouwing is de idee van macro-evolutie, d.w.z. van een in elkaar overgaan, van een transformatie van structuren, en wel in opgaande lijn van eenvoudig naar complex. Het evolutionisme vooronderstelt, dat alle levende wezens in de loop van vele miljoenen jaren uit elkaar zijn ontstaan via tussenvormen, de zgn. ‘missing links’. Het wil ten principale niet van modale- en structuurwetgrenzen weten, maar postuleert a priori continue overgangen, niet alleen tussen mens en dier, tussen dieren onderling, tussen dieren en planten, en tussen planten onderling, maar zelfs tussen anorganische en organische materie (de zgn. ‘spontane generatie’). Het reduceert de totale rijke verscheidenheid aan levensvormen die binnen de schepping aangetroffen wordt tot één enkele oerlevensvorm, die miljarden jaren geleden in de ‘oersoep’ na vele miljarden jaren van chemische evolutie zou zijn ontstaan.1

DNA.wikipedia

“Het reduceert de totale rijke verscheidenheid aan levensvormen die binnen de schepping aangetroffen wordt tot één enkele oerlevensvorm, die miljarden jaren geleden in de ‘oersoep’ na vele miljarden jaren van chemische evolutie zou zijn ontstaan.”

Wijsgerig uitgedrukt is het evolutionisme een vorm van monisme, en wel materie-monisme, ook wel materialisme of fysicalisme genoemd. Het wil van geen doelmatigheid, van geen teleologie in de natuur weten, maar tracht alle aangetroffen processen en verschijnselen causaal te determineren. Het is dus ook niet meer dan consequent logisch, dat het evolutionisme aan de mens met zijn normatieve cultuuruitingen ten diepste geen aparte, unieke plaats toekent, maar ook hier alles wenst te vatten in termen van causaliteit, determinisme en strijd om het bestaan. Zo wil de evolutionistische school binnen de sociologie niet aan een eigen aard van de typisch menselijke sociale verschijnselen, maar ziet de sociale evolutieleer de verschillende normatieve sociale instituties als niet meer dan zeer geavanceerde manieren, strategieën, om te overleven, die populaties van mensen in de loop der tijden hebben ontwikkeld in haar strijd om het bestaan. Ook voor het gebied van de moraal had het evolutionisme consequenties. Darwinisme werd in de 19e eeuw de benaming voor een nieuw wereldbeeld, voor een nieuw normen- en waardenpatroon, ontwikkeld door evolutiefilosofen zoals Herbert Spencer, waarbij universele vooruitgang werd gezien als een onvermijdelijk gevolg van de mechanische werking van de natuurwetten. Het was de taak van de mens, als product van het evolutieproces en bij afwezigheid van een godheid die de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid transcendeert, om, met de natuur zelf als richtsnoer, een nieuwe ethiek te creëren. Een mede door het darwinisme veroorzaakt toegenomen vertrouwen in de macht van de wetenschap om de structuren van het universum te doorgronden was een belangrijk bestanddeel van deze nieuwe, puur materialistische ethiek. Spencer c.s. huldigden het standpunt, dat de loop van de processen in de natuur onze gids is naar individueel geluk en dat de vooruitgang van het evolutieproces borg staat voor vooruitgang van het ras.

Wanneer wij echter het evolutionisme, dat als biologisme een verabsolutering is van de slechts binnen de vakwetenschap der biologie inderdaad haar legitimiteit vindende micro-evolutieleer (volgens welke er weliswaar in de loop der generaties variatie van levensvormen plaatsvindt, maar waarbij deze laatste binnen zekere geschapen grenzen beperkt blijft), wijsgerig-kritisch bezien, dan vallen de grondslagen eronder weg. Om alvast één voorbeeld te noemen: al het spreken over een ‘in elkaar overgaan van soorten’ binnen het (macro)evolutionisme is pas mogelijk bij vooronderstelling van een constante structuur met behulp waarvan die verandering geconstateerd kan worden! Al het spreken over verandering en beweging is slechts mogelijk wanneer er ook iets constant gedacht wordt. Dit betekent, dat de evolutionistische ‘overgangssoort’ ondenkbaar is! Structuren van zo’n denkbeeldig organisme behoren of tot de ene of tot de andere soort, en zijn nutteloos tenzij ze er in haar geheel zijn. Het evolutionisme heeft geen adequate oplossing voor het klassieke systematisch-wijsgerige probleem van continuïteit en discontinuïteit. Een vruchtbaar alternatief in dezen biedt het door Dooyeweerd ingevoerde onderscheid tussen constante (structuur)wetzijde en subjectzijde die o.a. aan organismen te onderscheiden zijn. Zo kan enerzijds o.a. recht worden gedaan aan de rijke verscheidenheid aan onderling onherleidbare, discontinuë zgn. elementaire stamtypen (Junkers en Scherers ‘Grundtypen’ (Eng.: ‘basictypes’))2 van organismen (die Adam moest benoemen, wat ook slechts mogelijk is in geval van een geschapen eigen aard van organismen), dingen en gebeurtenissen binnen de schepping, en anderzijds recht worden gedaan aan de inderdaad waargenomen grote mate van micro-evolutionaire vormenvariabiliteit in de natuur.

mars_rsl_3d

“Nu is het de taak en het goed recht van iedere vakwetenschapper om te trachten allerlei verschijnselen, processen en gebeurtenissen binnen zijn studieveld tot eenzelfde grondnoemer te herleiden, en op die manier eenheid in de aangetroffen verwarrende veelheid te scheppen. Maar het evolutionisme mist de empirische gronden om bijv. te kunnen stellen, dat organische uit anorganische materie kan ontstaan.”

Wij merkten zoëven op, dat de evolutieleer alleen binnen de biologische vakwetenschap legitiem is, en dat dat slechts mogelijk is, wanneer alleen van micro-evolutie uit wordt gegaan. Maar het evolutionisme gaat ook van de mogelijkheid van macro- evolutie uit, waardoor het de grenzen van de biologie overschrijdt. Het tracht o.m. de psychologische wetten waaraan mensen en dieren onderworpen zijn, alsmede de typisch menselijke, culturele normen en waarden, reductionistisch te verklaren in de biologische, micro-evolutionaire termen van ‘struggle for life’ en ‘survival of the fittest’. En uiteindelijk reduceert het evolutionisme, zoals gezegd, de biologie op haar beurt tot materialisme door de levensverschijnselen tot louter functies van bewegende materiedeeltjes terug te voeren. Voor de materialist is een levend schepsel slechts een ingewikkeld complex van atomen, die door mechanische krachten worden bewogen, en zijn de levensverschijnselen herleidbaar tot zeer ingewikkelde fysisch-chemische processen. Met name de Duitse materie-monisten (Haeckel, Büchner, Vogt) hebben Darwins evolutieleer tot deze uiterste logische consequentie doorgevoerd. Om Haeckel te citeren: ‘Het bewustzijn is, evenals de gewaarwording en de wil der hogere dieren, een werktuiglijke arbeid van de zenuwcellen en als zodanig terug te voeren tot scheikundige en natuurkundige processen in het plasma van deze’.3 Nu is het de taak en het goed recht van iedere vakwetenschapper om te trachten allerlei verschijnselen, processen en gebeurtenissen binnen zijn studieveld tot eenzelfde grondnoemer te herleiden, en op die manier eenheid in de aangetroffen verwarrende veelheid te scheppen. Maar het evolutionisme mist de empirische gronden om bijv. te kunnen stellen, dat organische uit anorganische materie kan ontstaan. In ieder geval zouden de evolutionisten dus (o.m.) de idee der spontane generatie niet met de pretentie van natuurwetenschappelijk bewezen feit naar voren mogen brengen zolang men er niet in is geslaagd om de mogelijkheid van dit proces aan te tonen. En zolang dit de stand van zaken is, staat een model dat recht doet aan de in de natuur aangetroffen rijke kwantitatieve en kwalitatieve verscheidenheid aan levensvormen, door daartussen grenzen te erkennen, sterker”.

Dooyeweerd.wikipedia

Filosoof H. Dooyeweerd (1894-1977).

Zo’n model is bijv. de structuurtheorie van de door Dooyeweerd en zijn zwager Vollenhoven gegrondveste ‘wijsbegeerte der wetsidee’. Deze theorie leert, dat dingen, planten en dieren behoren tot onderling onherleidbare want kwalitatief (in Dooyeweerds terminologie ‘modaal’) van elkaar verschillende rijken (de zgn. radicaaltypen).4 Deze rijken/radicaaltypen zijn, om recht te doen aan de kwantitatieve verscheidenheid aan planten, dieren en anorganismen (variërend van stenen en sterren in de natuur tot kunstwerken en kledingstukken in de menselijke cultuur), op hun beurt verder onder te verdelen in verschillende ondertypen, de zgn. stamtypen, afdalend via de bekende taxonomische eenheden zoals phylum, (sub)classis, ordo, (sub)familia, (sub)genus en species tot en met het al genoemde elementaire stamtype. De structuurtypen zijn ordeningen van bouw, waarbinnen de morfodynamiek, vanaf de bevruchting tot en met het tijdstip van de dood, verloopt. Om met de bioloog en natuurfilosoof J.H. Diemer (een leerling van Dooyeweerd) te spreken: ‘Het genus vogel bijv. omsluit de species roofvogel, zangvogel, duif e.a. en ook deze species zijn nog weer genera, d.w.z. nog weer nader te differentieren in species’.5 Het geheel aan stamtypen waartoe een bepaald organisme behoort, wordt de typenkring genoemd. Het elementaire stamtype ofwel genotype is het laagste taxonomische niveau in de (structuur)typologie waarop er geen micro-evolutie onder invloed van omgevingsfactoren bij een organisme plaatsvindt. Dit grondtype bevindt zich bij de ene soort van organismen op het niveau van de species, bij de andere soort op dat van het genus, en soms zelfs op een nóg hoger niveau. De nóg lagere typen dan deze grondtypen worden variabiliteitstypen genoemd.6 Zij behoren tot hetzelfde elementaire stamtype/genotype/grondtype (tot dezelfde ‘soort’ in de klassieke, vroeg-Linnaeïsche zin van het woord), maar verschillen van elkaar in het soort allelen (variaties van een bepaald gen), Hierdoor zullen organismen met een verschillend variabiliteitstype met betrekking tot de genen die de uiterlijke verschijningsvorm ofwel het fenotype bepalen, tot verschillende morfospecies/rastypen/rassen gerekend worden, en organismen met een verschillend variabiliteitstype met betrekking tot de genen die met de voortplanting te maken hebben tot verschillende biospecies gerekend worden. Het is dus mogelijk, dat organismen van dezelfde morfospecies tot verschillende biospecies behoren, of vice versa. Deze twee classificeringswijzen doorkruisen elkaar dus, het is maar net welk criterium de taxonoom wenst te hanteren! De onderlinge verhoudingen van de verschillende typen allelen in een bepaalde populatie worden bepaald door de omgevingsinvloeden. Er heerst dus een causale relatie tussen een individuele vorm van een plant of dier en het milieu waarin die plant of dat dier leeft. De reeds genoemde Diemer drukt het zo uit: ‘De individuele vorm van een dier is dus een phaenotypische vervlechting van een bepaalde genotypische individualiteits-structuur met een bepaald milieu’.7 Men kan ook zeggen dat twee organismen die tot dezelfde ‘soort’ in de klassieke, vroeg-Linnaeïsche zin van het woord behoren8 dezelfde soortelijke identiteit bezitten. En twee organismen, die niet alleen dezelfde soortelijke identiteit bezitten, maar die ten gevolge van een gemeenschappelijk bezit van die allelen, die door de taxonoom gebruikt worden om hen op grond van hun uiterlijke verschijningsvorm/ fenotype te classificeren, ook nog eens tot hetzelfde rastype behoren, verschillen slechts in hun subjectieve unieke identiteit van elkaar. Nooit kan de structuurtypologie deze unieke identiteit van het individuele organisme in de greep krijgen. Men denke hierbij aan eeneiïge tweelingen: zij hebben zelfs voor 100 % dezelfde allelen en kunnen uitwendig eventueel alleen van elkaar te onderscheiden zijn ten gevolge van de omgevingsinvloeden, die ertoe geleid hebben dat bij de beide helften van de tweeling dezelfde allelen in verschillende mate tot expressie zijn gekomen. Maar toevallige omgevingsinvloeden mogen natuurlijk geen grond zijn om hun unieke identiteit mee in de greep te krijgen. Voorts kan deze unieke identiteit ten principale geen wetskarakter dragen, aangezien uit de aard der zaak wetten algemeengeldigheid bezitten en dus een wet voor het individuele eenvoudig onbestaanbaar is.9

microbiology_dna

“Maar het blijft hier niettemin gaan om ten principale reversibele, van omgevingsinvloeden afhankelijke micro-evolutie. Er is géén sprake van een ontstaan van complexere/‘hogere’ (gen)structuren, dus van macro-evolutie! De vorming van nieuwe morfospecies en biospecies blijft dus binnen de kaders van het grondtype.”

Het bezit van een verschillend fenotype is dus, zoals gezegd, het aangrijpingspunt voor een bepaalde – belangrijke – vorm van classificatie. Als de taxonoom een verschillend fenotype (uiterlijke verschijningsvorm) van organismen gebruikt om hen te classificeren, dan spreekt men van morfospecies. Gebruikt hij echter als criterium voor zijn typologie een vruchtbaar nageslacht na kruising, dan spreekt men van biospecies.10 De praktijk heeft echter geleerd, dat hantering van deze beide criteria tot verschillende indelingen heeft geleid. Vaak blijken twee organismen die op grond van hun uiterlijk/fenotype tot dezelfde morfospecies, dus tot hetzelfde rastype/ras worden gerekend, na kruising geen vruchtbaar nageslacht te geven en dus te behoren tot verschillende biospecies, en vice versa. Bij hantering van het biospecies-criterium bedient de typologie zich dus van de fysiologie, de oecologie en de genetica om door middel van causale analyse (kweek- en kruisingsproeven) te bepalen, of men van doen heeft met organismen die behoren tot verschillende biospecies, dan wel met organismen van dezelfde biospecies maar behorend tot verschillende rastypen. Maar of men nu het morfospecies-criterium of het biospecies-criterium hanteert, het gaat in beide gevallen om organismen van hetzelfde grondtype. Want grondtypen/ elementaire stamtypen worden niet van elkander onderscheiden op grond van het al dan niet bezitten van bepaalde allelen (genvarianten), maar op grond van het bezit van genenl Om in WdW-termen te spreken: het gaat hier niet om de – van omgevingsinvloeden afhankelijke – subjectzijde, maar om de – individualiteitsstructurele – wetzijde van de genomen.11 Immers, zoals gezegd: het elementaire stamtype/ grondtype/genotype is het laagste taxonomische niveau in de (structuur)typologie waarop er geen micro-evolutie onder invloed van omgevingsfactoren bij een organisme plaatsvindt. Door recombinaties en mutaties kunnen reproductief van elkaar geïsoleerde populaties op den duur zozeer van elkaar gaan verschillen in de onderlinge verhoudingen van bepaalde allelen, dat exemplaren ervan in fenotypisch opzicht steeds minder op elkaar gaan lijken (er ontstaan dan verschillende morfospecies/rassen), en/of dat exemplaren ervan niet langer onderling kruisbaar zijn (er ontstaan dan verschillende biospecies). In de populatiebiologie staat dit verschijnsel bekend als allopatrische speciatie. Maar het blijft hier niettemin gaan om ten principale reversibele, van omgevingsinvloeden afhankelijke micro-evolutie. Er is géén sprake van een ontstaan van complexere/‘hogere’ (gen)structuren, dus van macro-evolutie! De vorming van nieuwe morfospecies en biospecies blijft dus binnen de kaders van het grondtype.

Hoendervogels.wort-und-wissen

Grondtype van de hoendervogels

Uit deze stand van zaken moge duidelijk blijken, dat het van het grootste belang is om steeds te beseffen, dat iedere indeling van planten- en dierenrijk feilbaar mensenwerk is. Het hangt er maar net van af welk criterium de taxonoom wenst te hanteren om ‘soortgrenzen te trekken’, wat hij onder een ‘soort’ verstaat. En zijn indeling kan altijd blijken verkeerd te zijn. Het is in dezen heel belangrijk dat goed wordt stil gestaan bij de taal die wij gebruiken om onze gedachten te verwoorden. Zeer ingeburgerd is het om te spreken over het ‘biologische soortbegrip’. De term ‘begrip’ draagt de connotatie in zich van een ‘in de greep hebben’, van een ‘zeker weten’ dat men ten aanzien van een bepaalde populatie van organismen de soortgrens juist bepaald heeft. Vindt men nu naast twee morfologisch sterk op elkaar lijkende, maar onderling niet kruisbare biospecies a en b een derde populatie c die wél met beide kruisen kan, dan zal de evolutionist de populatie c beschouwen als ‘overgangssoort’ tussen de beide andere populaties. Maar de creationist12 zal aan het biospecies-criterium van de onderlinge kruisbaarheid niet dat gewicht willen geven dat de evolutionist eraan geeft (namelijk het gewicht van een grondtype), aangezien, zoals gezegd, dergelijke variaties aan de subjectzijde van het genoom13 geen wetskarakter dragen. Hier kan bezwaarlijk gesproken worden van een opgaande macro-evolutionistische ontwikkelingslijn van een structureel eenvoudige populatie a via een tussenvorm c naar een structureel complexe populatie b, alleen maar omdat a en b onderling ten gevolge van een verschillend bezit van bepaalde allelen niet kruisbaar (meer) zijn (of, wanneer het morfospecies-criterium wordt gehanteerd, bv. een verschillende uiterlijke verschijningsvorm hebben (gekregen))! Hooguit zal de creationist de biospecies a en b vanwege de ontdekking van biospecies c niet langer als behorend tot verschillende grondtypen beschouwen, maar hen eenvoudigweg voortaan alle drie – voor zover hij dat al niet vóór de ontdekking van de ‘tussenvorm’ deed – tot hetzelfde grondtype rekenen.

seldenrijk_4.sol

“Voor de evolutionist is dus de subjectzijde van het genoom bepalend bij het classificeren, voor de creationist de wetzijde.”

Voor de evolutionist is dus de subjectzijde van het genoom bepalend bij het classificeren, voor de creationist de wetzijde. Een gevolg van deze positiekeuze van de evolutionist is echter wel, dat hij meent, dat de soortgrenzen die hij getrokken heeft conform de werkelijkheid zijn, dat hij echt de soorten a en b met zijn soortbegrip in de greep heeft, dat hij begrepen heeft welke organismen tot soort a en welke tot soort b behoren, en voorts dat zijn keuze van het indelings-criterium (in het bovengenoemde geval de onderlinge kruisbaarheid) de juiste is. Hierdoor beschouwt hij de ‘tussenvorm’ c als een ‘bewijs’ van de (macro-)evolutie, van het transformeren van soorten, van het ‘in elkaar overgaan’ van wetstructuren. De creationist echter voert niet de pretentie dat hij de soortgrenzen correct, dat wil zeggen conform de geschapen werkelijkheid, getrokken heeft, dat hij goed begrepen heeft hoe de schepping precies gestructureerd is. Hij spreekt dan ook niet over het (i.c. biologische) soortbegrip, maar over zijn altijd feilbare (falsificeerbare) idee aangaande de door God de Schepper aan de werkelijkheid opgelegde (i.c. biologische) wetten. Het grote belang van dit inzicht heeft Dooyeweerd onderstreept door zelfs zijn filosofische stelsel ernaar te noemen: de wijsbegeerte der wetsidee. De christen-filosoof en de christen-bioloog geloven, dat wil zeggen weten zeker, dat er constante wetten gelden voor al het geschapene. Zij willen deze wetten in classificatieschemata neerleggen om zo recht te doen aan de aangetroffen rijke verscheidenheid in de natuur, maar alleen weten zij nooit zeker, of zij deze wetsgrenzen ook op de juiste wijze, dat wil zeggen conform de werkelijkheid, getrokken en in hun wetsideeën verwoord hebben. Dit is dus een paradoxale situatie. De evolutionist heeft voor zijn monistische geloof in het ten diepste niet bestaan van grenzen, van ordening in de natuur een soortbegrip nodig dat niet zijn feilbare en falsificeerbare idee is aangaande de vraag hoe de natuur is geordend, maar dat volledig in overeenstemming zou zijn met die op zijn standpunt eigenlijk niet bestaande ordening. Met behulp van dit soortbegrip probeert hij, in die gevallen dat hij ‘tussenvormen’ aantreft, kracht bij te zetten aan zijn uitgangspunt, dat soorten ‘in elkaar over kunnen gaan’ en dat er dus ten diepste geen ordening/structuur/geleding in de werkelijkheid bestaat.14 De creationist echter gelooft ten diepste juist wel in het bestaan van grenzen in de natuur, maar pretendeert niet met honderd procent zekerheid die grenzen te kennen, noch ooit met verifieerbare zekerheid te kunnen kennen. En voor hem zijn de subjectieve, micro-evoluerende variaties in de onderlinge allel-verhoudingen tussen populaties niet het criterium bij zijn classificatie-arbeid. Hij werkt slechts met feilbare, subjectieve wetsideeën, die hij in geval van falsificatie zonder veel moeite vervangt door andere wetsideeën, teneinde de door hem in geloof vooronderstelde grenzen in de schepping zo goed mogelijk te benaderen, niet meer dan dat. Dus de creationistische subjectieve wetsidee is in de praktijk van het classificeren veel flexibeler dan het evolutionistische, vermeend objectieve soortbegrip. Het constante element/de wet legt de creationist buiten zichzelf in de werkelijkheid, en het veranderlijke element in zichzelf. Terwijl de evolutionist het constante element/de wet in zichzelf legt en voor de verklaring van het veranderlijke in de natuur een grote hoeveelheid tijd, het toeval, en de micro-evolutionaire wetten van de ‘struggle for life’ en de ‘survival of the fittest’, die tezamen met een veranderende natuurlijke omgeving de allelvariatie en dus het adaptieve vermogen van een populatie bepalen, nodig heeft.

De Zweedse bioloog Per Landgren heeft een heel waardevol artikel geschreven over de geschiedenis van het soortbegrip.15 Ook hij meent, dat het spreken over het soortbegrip vrucht is van een materialistische ‘Weltanschauung’, en acht het daarom ‘vital to trace the history of the word ‘species’and its conceptual background, in order to uncover ideological roots of the species concept at the time of Charles Darwin. This implies trying to grasp not only different historical and intellectual contexts but also different world-views’.16 Ook hij meent, dat begrippen producten van de menselijke geest zijn, en dat ‘as the minds of men differ, so do concepts’.17 Daarom moet ook volgens hem ‘the history of ‘species’ (…), to a considerable extent, be the history of an ‘idea’.18 Dit omdat het Latijnse woord ‘species’ een (m.n. door Cicero) frequent gebruikte vertaling is van de Griekse woorden ‘idea’ en ‘eidos’,19 die dezelfde oorsprong hebben, en betekenen ‘dat wat voor ogen is’. De Engelse vertaling is ‘form’, wat ook de vertaling is van het Griekse ‘morphè’. Volgens de auteurs Liddell en Scott van het Grieks-Engelse woordenboek20 worden deze woorden in de geschriften van Plato en Aristoteles afhankelijk van de context op verschillende manieren vertaald, bijv. binnen een logische context als ‘klasse’ of ‘soort’ en binnen de filosofie als ‘ideale vorm’, als ‘archetype’ (idea) of als ‘vorm-oorzaak’ en ‘essentie’ (eidos).21 Cicero’s Latijnse vertalingen van de onderhavige Griekse woorden beïnvloedden vervolgens Hiëronymus’ vertaling van het Oude Testament, de Vulgaat, waarin het Hebreeuwse ‘min’ (in: ‘God schiep alles naar zijn aard’) wordt vertaald met ‘species’ of ‘genus’, wat zoveel betekent als ‘soort’ of ‘type’. Nu is het van groot belang om te bedenken, dat het in Genesis gebruikte woord ‘min’ niet vereenzelvigd mag worden met de biologische term ‘soort’. De Bijbel is immers geen biologieboek. Landgren haalt in dezen22 Walter Kaiser aan, die in het ‘Theological Wordbook of the Old Testament’ schrijft: ‘Some have argued that when God created ‘min’, he thereby fixed the ‘species’. This is a gratuitous assumption because a link between the word ‘min’ with the biologist descriptive term species cannot be substantiated (…)’, en die concludeert, dat ‘God created the basic forms of life called ‘min’ which can be classified according to modern biologists and zoologists as sometimes species, sometimes genus, sometimes family or order. This gives no support to the classical evolutionist view which requires developments across kingdom, phyla, and classes.’

Deze kennis van de geschiedenis van het begrip ‘soort’ ondersteunt de in de structuurtheorie van Dooyeweerds wijsbegeerte der wetsidee gevolgde weg om niet te spreken over het biologische soortbegrip, maar over de biologische wetsidee. Want ‘soorten’ zijn eigenlijk slechts ideeën van mensen. Maar van een idee kan men zich per definitie geen begrip vormen. Dus is het juister om te spreken over de ‘biologische idee’, en wel de idee aangaande de structuurwetstypen volgens welke o.a. de flora en fauna geordend zijn. Voor de christen-bioloog, die ervan uitgaat dat God alle planten en dieren geschapen heeft naar hun aard, is het dus niet zo belangrijk waar en op grond van welke criteria taxonomen precies de soortgrenzen trekken. De wetenschapper kan immers, vanwege het falsificatie-principe, toch nooit zeker weten of zijn ideeën aangaande wetten, bijv. die aangaande de geschapen grondtypen van flora en fauna, juist zijn. Maar zolang de evolutionist er niet in is geslaagd om alle levensvormen te herleiden tot één oertype en deze oerlevensvorm spontaan uit levenloze materie te laten ontstaan, staat de christen-bioloog met zijn geloof in een Schepper als de oorsprong van een rijke kwalitatieve en kwantitatieve verscheidenheid in de natuur sterker dan de evolutionist, die zijn monistische geloof brengt in de vorm van wetenschappelijk bewezen zekere kennis.

open_book.pixabay

“Nu is het van groot belang om te bedenken, dat het in Genesis gebruikte woord ‘min’ niet vereenzelvigd mag worden met de biologische term ‘soort’. De Bijbel is immers geen biologieboek.”

Ook J.J. Duyvené de Wit – een andere bioloog uit de school van Dooyeweerd – ziet de evolutietheorie als een filosofische doctrine, hoewel zij zich ook volgens hem presenteert als een bij uitstek wetenschappelijke theorie over de wording en de structuur van de kosmos. Want de theorieën over mutatie en natuurlijke selectie worden gebruikt om aan het speculatieve metafysische principe van de transformatie wetenschappelijke status te geven. En net zoals iedere andere filosofie komt de evolutietheorie voort uit een religieus aprioristisch grondmotief, dat in geloof moet worden aangenomen23 Hoewel het wetenschappelijke feitenmateriaal wijst op een discontinue bouw van de organische wereld en dit ook door vooraanstaande evolutionisten wordt geleerd, blijven laatstgenoemden, zo betoogt hij, vasthouden aan de transformistische idee van een continue bouw24, zodat zich bij hen een dualistische tegenstelling openbaart tussen wetenschap (die op discontinuïteit wijst) enerzijds en geloof (in continuïteit) anderzijds. ‘The result is that scientifically established knowledge pertaining to discontinuity is not allowed to claim its rights in a view of organic totality as long as the latter is governed by the supra-scientific and speculative faith in continuity25; Here we clearly recognize the effect of the science-ideal of classical Humanism in its attempt to demolish the real order of creation and to substitute it by a structureless view of reality in which all phenomena are ordered in a continuous causal series.26

Waar het de structuurtheorie van de wijsbegeerte der wetsidee is die recht doet aan de rijke kwantitatieve verscheidenheid aan individualiteiten (entiteiten) binnen modaal van elkander verschillende rijken (flora, fauna, rijk van fysisch-chemisch gekwalificeerde anorganismen en normatief gekwalificeerde cultuurobjecten)27, daar heeft de modaliteitenleer van de wijsbegeerte der wetsidee betrekking op de kwalitatieve verscheidenheid van de tijdelijke werkelijkheid.28 Volgens deze leer zijn er veertien ‘wijzen van in de werkelijkheid zijn’ van individualiteiten29, veertien manieren om modaal te functioneren. Iedere individualiteit (entiteit) functioneert in elke modaliteit/in elk modaal aspect van de tijdelijke werkelijkheid, maar steeds speelt één van deze modaliteiten een hoofdrol, steeds wordt een entiteit door één modaal aspect gekenmerkt/gekwalificeerd, wat, zoals gezegd, de grondslag is voor de indeling van entiteiten in verschillende rijken. Nu is het de taak van een vakwetenschapper om alle entiteiten vanuit één bepaald gezichtspunt, dus naar één bepaald aspect, te bestuderen. Hoewel alle aspecten in de volle concrete werkelijkheid onverbrekelijk (systatisch) met elkander samenhangen, ziet de vakwetenschapper – als het goed is tijdelijk! – af van die samenhang door het modale aspect waar hij in geïnteresseerd is, te abstraheren van de andere modaliteiten teneinde het te bestuderen. Het gevaar bestaat echter, dat hij zo zeer onder de indruk raakt van het aspect dat hij bestudeert, dat hij vergeet, dat het slechts één van veertien modi is. Om met J. Hirschberger te spreken: ‘Wanneer de beoefenaar der natuurwetenschappen zich niet bezint op de stilzwijgende vooronderstellingen waar hij in zijn vakgebied van uitgaat, de specifieke beperking van gezichtsveld, die zijn specialisme hem oplegt enz., komt hij gemakkelijk in de verleiding om een deelaspect van de werkelijkheid, nl. de materiële verschijningswereld met haar causale wetmatigheid, voor het geheel van de wereld te substitueren en eenvoudig te zeggen: Zijn = stoffelijkheid’.30 Weliswaar is ‘zijn’ aspect ook in alle overige aanwezig (de modi hangen immers met elkander samen), maar het is daarin op niet meer dan analoge wijze aanwezig. Het gevolg hiervan is dan, dat een vakwetenschapper ‘zijn’ aspect gaat verabsoluteren en gaat trachten, alle overige tot het zijne te reduceren. Zo verwordt bv. de psychologie tot psychologisme, de biologie tot biologisme, of de fysica tot fysicalisme. Dit laatste zal er dan binnen de biologie toe leiden, dat de fysiologie wordt verabsoluteerd tot de enige legitieme benaderingswijze/ deeldiscipline en de machinetheorie als de verklaring van het leven wordt gepropageerd. Ook de wijsbegeerte der wetsidee ziet een belangrijke taak weggelegd voor de fysiologie. Immers, organismen functioneren óók in het fysisch-chemische aspect van de tijdelijke werkelijkheid. Maar het is net zo min te tolereren dat de mechanicisten de modale grenzen tussen de verschillende aspecten niet eerbiedigen als dat zij de structuurtypische grenzen tussen de verschillende entiteiten van gelijke modale kwalificatie (bijv. die tussen verschillende soorten planten) niet willen erkennen. Zij waren er zich niet van bewust dat men in de mechanistische fysiologie, om met Diemer te spreken, ‘methodisch van allen zin-samenhang der levensverschijnselen had geabstraheerd en dat de beproefde mechanische methode juist bij het vatten van dien samenhang vroeg of laat zou moeten falen’31 Alles overziende durven wij te stellen, dat een verwerping van de macro-evolutieleer, van het transformatie-principe, een noodzakelijke voorwaarde is om de biologie als vakwetenschap een eigen plaats temidden van de overige natuurwetenschappen te garanderen. Haar theoretisch fundament is daarbij een modaal biologisch structuurfunctiebegrip, gekoppeld aan een daaraan gelijkwaardige typologische structuurwetsidee. Zo wordt voorkomen, dat de biologie beschouwd wordt als een van schei- en natuurkunde afgeleide wetenschap enerzijds, en als een dorre systematiek anderzijds.

Voetnoten

  1. Bewerking van een lezing, gehouden op het Zesde Europese Creationistische Congres van 16-19 augustus 1995 te Amersfoort. Eerder verschenen in ‘Radix’, het tijdschrift van het Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap, op de eerste van oktober 1996.
  2. Zie voetnoot 14.
  3. E. Haeckel, Het monisme (Amsterdam (z.j.)), p. 22.
  4. Waarbij in theorie een herleiding van bv. het plantenrijk tot het rijk der anorganismen voor het geval dat de mogelijkheid van spontane generatie toch ooit eens aangetoond mocht worden niet uitgesloten wordt. De mensheid vormt in de wijsbegeerte der wetsidee niet een apart rijk, maar de mens neemt binnen de schepping – als ongespecialiseerd wezen – een geheel eigen plaats in (cf. de denkbeelden van biologen en filosofen als Portmann, Bolk, Scheler, Gehlen en Plessner).
  5. J.H. Diemer, Boekbespreking van J. Kalma’s De Mensch; een evolutiebeeld. Menschwording, Philosophia Reformata 6 (1941). pp. 145/58, m.n. p. 156.
  6. In het evolutionistische jargon wordt hier de term ‘subspecies’ gehanteerd.
  7. J.H. Diemer, ‘De nieuwe holistische biologie’, in: Orgaan van de Chr. Vereen, van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland, 34 (1936), pp. 76/100, m.n. p. 96.
  8. Zij behoren dan tot dezelfde typenkring.
  9. Cf. het door de neokantiaan Wilhelm Windelband ingevoerde onderscheid tussen de nomothetische en de idiografische wetenschappen.
  10. In het geval van morfospecies gaat het dan om de uiterlijke verschijningsvorm bepalende allelen en in het geval van biospecies om de onderlinge kruisbaarheid bepalende allelen.
  11. Het genoom is de totale hoeveelheid erfelijk materiaal in een cel.
  12. Onder een creationist versta ik – zeer ruim – elke bioloog die uitgaat van liet onderscheid tussen God de Schepper enerzijds, en een van Hem afhankelijke schepping anderzijds.
  13. Namelijk variaties in het bezit van de allelen van de genen die de onderlinge kruisbaarheid bepalen.
  14. Cf. Landgren over Darwins temporalisering van Aristoteles’ beroemde ‘scala naturae’: ‘With Darwin, however, triumphed the temporalization of the Great Chain of Being. According to him, the chain had not been created all at once, but had successively evolved in time without any supernatural intervention. Together with the ideas of immutability, constancy and plenitude the Great Chain of Being had formed a view of nature that had made classification possible. With Darwin and his followers the chain became a tree with no borders between the forms to transgress and in fact no species to transmute’ (Per Landgren, ‘On the origin of ‘species’ – ideological roots of the species concept’, in: Siegfried Scherer (Hg.), Typen des Lebens, Berlijn (1993), p. 57).
  15. Zie de vorige voetnoot.
  16. A.w., pp. 50/1.
  17. A.w., p. 51.
  18. T.a.p.
  19. Een andere mogelijke Latijnse vertaling is ‘forma’.
  20. Oxford (1977).
  21. Zie a.w., p. 55. nt. 52.
  22. A.w., p. 56, nt. 57; zie ook p. 60.
  23. Zie J.J. Duyvené de Wit, ‘The impact of Herman Dooyeweerd’s christian philosophy upon present day biological thought’, in de bundel Philosophy and Christianity, Kampen (1965), pp. 405/33, m.n. p. 405 {impact), en zijn ‘Reflections on the architecture of the organic world and the origin of man’, in A New Critique of the Transformist Principle in Evolutionary Biology. Kampen (z.j.), pp. 42/62 (Reflections).
  24. Reflections, p. 43.
  25. T.a.p.
  26. Impact, p. 421.
  27. Zij heeft betrekking op de zgn. plastische ervaringshorizon der tijdelijke werkelijkheid.
  28. Deze heeft betrekking op de zgn. modale ervaringshorizon van de tijdelijke werkelijkheid.
  29. Al dient altijd de theoretische mogelijkheid open te worden gelaten, dat er meer of minder zijn – minder als een bepaalde zijnswijze tot een andere gereduceerd blijkt te kunnen worden, meer als er tot nu toe over het hoofd zijn gezien.
  30. J. Hirschberger. Beknopte geschiedenis van de filosofie. Utrecht/Antwerpen (1968), pp. 181/2 (oorspronkelijke titel Kleine Philosophiegeschichte. Freiburg (1967)).
  31. J.H. Diemer, ‘De totaliteitsidee in de biologie en de psychologie 1’, Philosophia Reformata. 4 (1939), pp. 29/44, m.n. p. 30.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Drs. R. Benjamin studeerde biologie aan de Universiteit Utrecht en filosofie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over