Sinds de verschijning van Darwins boek The Origin of Species in 1859 is de evolutieleer onderwerp van debat geweest. Darwin beweerde dat alle levensvormen een gemeenschappelijke oorsprong hebben en door evolutie de ene levensvorm uit de andere ontstond. Geen van de concepten waaruit Darwin zijn evolutietheorie samenstelde, was helemaal nieuw, maar hij formuleerde een omvattende theorie.

Oorspronkelijk

Tot op de dag van vandaag worden wetenschappelijke bezwaren tegen de evolutieleer ingebracht. Toch aanvaardt het overgrote deel van de wetenschappers die werkzaam zijn op terreinen waar de oorsprong en onderlinge verhouding van levensvormen aan de orde zijn, de evolutieleer als kader waarbinnen feiten worden geïnterpreteerd en geplaatst.

Combineren?

Voor een christen is de Bijbel de norm en bron van zijn geloof. In het begin van de Bijbel lezen we over het ontstaan van de wereld, van de mens en van de dood die alle mensen raakt. Op een aantal essentiële punten is dat getuigenis niet met de evolutie te verenigen. Maar is het, gezien de informatie die vanuit de wetenschap op ons afkomt, wel mogelijk onverkort aan het Bijbelse getuigenis over schepping, zonde en dood vast te houden? Of moet de Bijbel anders gelezen worden dan de eeuwen door is gedaan?

Dat laatste stelt in ons land prof. dr. Gijsbert van den Brink. Dat bleek al uit de Christelijke Dogmatiek die hij een aantal jaren geleden met dr. Cees van der Kooij schreef. Breder heeft hij zijn standpunt verwoord in een studie die deze zomer verscheen En de aarde bracht voort. Wereldwijd zijn er christelijke wetenschappers en theologen die menen dat het mogelijk is om aanvaarding van de evolutieleer te combineren met een orthodox christendom. Telkens weer blijkt echter dat men dan op één of meerdere punten toch de inhoud van de geloofsleer moet bijstellen.

Belangwekkend

Kort na het verschijnen van En de aarde bracht voort verscheen het boek Oorspronkelijk, overwegingen bij schepping en evolutie van de hand van oudtestamenticus dr. Mart Jan Paul. Een publicatie die zondermeer als belangwekkend kan worden getypeerd. Dr. Paul gaat na hoe in de Bijbel zelf over de schepping wordt gesproken. Uitvoerig gaat hij in op de vraag of de Bijbel een bepaald wereldbeeld biedt. Een aantal hoofdstukken is aan de (kerk)geschiedenis gewijd. Hoe dachten de kerkvaders over schepping, zondeval en zondvloed? Kan er een lijn getrokken worden van Corpernicus en Galileï naar Darwin? Paul stelt ook aan de orde hoe christelijke theologen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw tot op de dag van vandaag op de evolutieleer hebben gereageerd.

Taal van alle dag

“Vaak wordt beweerd dat de Bijbelschrijvers ervan uitgingen dat er een watermassa onder de aarde was en boven de aarde een soort koepel.”

Vaak wordt beweerd dat de Bijbelschrijvers ervan uitgingen dat er een watermassa onder de aarde was en boven de aarde een soort koepel. Onder andere met een beroep op de oudtestamenticus Houtman schrijft Paul dat wij mogen stellen dat het Oude Testament geen wereldbeeld kent. De Bijbel gebruikt vooral de taal van de dagelijkse waarneming. Als men aan de Bijbel graag een bepaald wereldbeeld toeschrijft, is het om een onderscheid te maken tussen de kern van de Bijbelse boodschap en een verpakking die cultureel is bepaald. Paul keert zich tegen dit onderscheid. De Bijbel is geen (natuur)wetenschappelijk traktaat, maar vertelt ons in de woorden van de dagelijkse waarneming over de schepping en scheppingsverschijnselen. Dan wordt er echter wel feitelijke informatie gegeven.

Accommodatie

Ten onrechte wordt soms een beroep op Calvijn gedaan om af te doen van de feitelijke inhoud van de Bijbel. Wanneer Calvijn sprak van accommodatie bedoelde hij dat God Zich in Zijn openbaring heeft aangepast aan de mens in diens schepselmatige bestaan om hem te openbaren wie Hij is en hoe Hij gekend en gediend wil worden. Het betekent niet wat er sinds de Verlichting mee bedoeld is dat God Zijn openbaring gaf in cultuurgebonden en tijdbepaalde vormen waarvan wij ons mogen ontdoen. Die laatste denkwijze gaat er vanuit dat de Bijbelschrijvers in Genesis 1-11 gebruik hebben gemaakt van de algemeen bekende voorstelling in de oud-oosterse wereld om een boodschap te geven over de wereld om ons heen en over de mens zonder dat zij historische feiten hebben willen vermelden. Maar er is geen reden om Genesis 1-11 – zo laat Paul zien – een ander karakter toe te kennen dan de tweede helft van Genesis. De geslachtsregisters vormen het kader van het hele boek Genesis. Zij zijn een aanduiding dat het gehele boek als geschiedschrijving moet worden verstaan.

John Walton

Een eigentijds oudtestamenticus die meent dat de evolutieleer probleemloos met het Bijbelse getuigenis kan worden verbonden is John H. Walton. Hij stelt dat Genesis 1 ons laat zien dat de schepping als tempel is bedoeld. Genesis zou geen antwoord geven op de vraag naar het ontstaan van de wereld. Dat is op zich al heel merkwaardig, want in elke cultuur zijn er verhalen over het verleden en overtuigingen over het ontstaan van de wereld. Dan zou Israël een uitzondering zijn. Volgens Walton waren Adam en Eva niet de eerste mensen. God had uit een bestaande populatie van mensen een mensenpaar uitgekozen om de mensheid te vertegenwoordigen. Pas in deze tijd ging God een relatie aan met de mens. Het door God uitgekozen mensenpaar ging eigen wegen en zo kwam de zonde in de wereld. Zonde werd in deze tijd overtreding van Gods wil.

Het grote probleem bij deze visie is dat de eenheid van het menselijke geslacht wordt opgegeven en dat de dood van de mens geen gevolg is van de zonde. Dood en lijden behoren dan bij Gods goede schepping. Dan geeft Paulus in het Nieuwe Testament een ander geluid. Zoals de dood van de mens door Adam in de wereld kwam, overwon Christus de dood. Ongetwijfeld heeft de dood in beide gevallen ook een geestelijk aspect, maar dat doet niets af van het lichamelijke aspect. Paul laat zien dat de kerkvaders unaniem de lichamelijke dood van de mens als een gevolg van de zonde van het eerste mensenpaar zagen. Zonder enige reserve gingen zij ook uit van de zondvloed als een universeel gebeuren, terwijl de visie dat het slechts een regionale vloed zou zijn meerderen van hen niet onbekend was.

Kanttekening

Paul had wat mij betreft wel een kleine kanttekening kunnen plaatsen bij het optellen van de leeftijden in de geslachtsregisters om de ouderdom van de aarde en bijvoorbeeld de datum van de zondvloed te bepalen. Er zijn meerdere aanwijzingen dat soms geslachten zijn overgeslagen. Ik denk ook aan de opmerking van Bavinck dat de scheppingsdagen scheppingsdagen Gods zijn. Zoals wij het karakter van de jongste dag niet helemaal kunnen bevatten, geldt dat ook van de scheppingsdagen. Feit is, zoals Paul naar voren brengt, dat de scheppingsweek het model is voor onze week en niet omgekeerd.

Geloof en wetenschap

In het debat over schepping en evolutie komt steeds weer de vraag terug of de wetenschap een zelfstandige kennisbron is, waardoor de uitleg van de Bijbel aangepast moet worden. Terecht stelt Paul dat de Schrift het kader biedt waarbinnen wetenschap moet worden bedreven. Aanpassing van het Bijbelse getuigenis blijft nooit zonder gevolgen. De boodschap van de erfzonde en Gods toorn over het menselijke geslacht kunnen niet onverkort worden vastgehouden als de historiciteit van het paradijs, de staat der rechtheid en de zondeval wordt prijsgegeven.

Het boek van prof. Paul wordt ook in onze webshop te koop aangeboden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de GezinsGids. De volledige bronvermelding luidt: Vries, P. de, 2017, Wat staat er op het spel? Overwegingen bij schepping en evolutie, GezinsGids 70 (8): 38-39.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Pieter de Vries

Written by

Dr. P. de Vries werd op 23 april 1956 geboren te Kinderdijk (gemeente Nieuw-Lekkerland) in de Alblas­serwaard. Van 1974 tot 1981 studeerde hij the­ologie en Semitische talen aan de Rijks­universi­teit van Utrecht. Het kerkelijk exa­men werd in 1980 afgelegd en het doctoraal examen (oude stijl) in 1981 met als hoofdvak gereformeerde theolo­gie en als bijvakken Oude Testament en Nieuwe Testament. In 1999 promoveerde hij aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn. De titel van zijn dissertatie luidde Die mij heeft liefgehad. De gemeenschap met Christus in de theologie van John Owen (1616-1683). In 2010 promoveerde hij voor de tweede maal aan de Universiteit van Amsterdam op een dissertatie met als titel De heerlijkheid van JHWH in het Oude Testament en wel in het bijzonder in het boek Ezechiël. Daarnaast verschenen van zijn hand meerdere boeken. Twee daarvan gaan over de apologetische betekenis van Cornelius van Til en Alvin Plantinga. Sinds september 2005 is hij docent bijbelse theologie en hermeneutiek aan het Hersteld Hervormd Seminarium verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Van 2005 tot 2009 gaf hij daar ook apologetiek. Vanaf november 2011 is hij daarnaast parttime predikant van de Hersteld Hervormde Gemeente te Boven-Hardinxveld.

3 Comments

Piet Akkerman

De opmerking van Bavinck dat de scheppingsdagen dagen God zijn verklaart waarschijnlijk de volgende passage in zijn Boek “Magnalia Dei tweede druk 1933 blz 155: ” Eindelijk verdient het ook nog overweging dat al wat volgens Gen 1 en 2 op den zesden dag heeft plaatsgehad, moeilijk binnen de grenzen van een aan onzen dag volkomen gelijken tijd beperkt kan worden.” Dit soort overwegingen zaaien alleen maar twijfel in de harten van de gelovigen lijkt mij.

Reply
Hetty Dolman

Beste Piet. Je schreef: De opmerking van Bavinck dat de scheppingsdagen dagen God zijn verklaart waarschijnlijk de volgende passage in zijn Boek “Magnalia Dei tweede druk 1933 blz 155: ” Eindelijk verdient het ook nog overweging dat al wat volgens Gen 1 en 2 op den zesden dag heeft plaatsgehad, moeilijk binnen de grenzen van een aan onzen dag volkomen gelijken tijd beperkt kan worden.” Dit soort overwegingen zaaien alleen maar twijfel in de harten van de gelovigen lijkt mij.

[We moeten geen] overwegingen weg houden bij gewone gelovigen omdat die er twijfels over kunnen ervaren. De gebeurtenissen in Genesis 2 passen absoluut niet in 24 uur, maar als Adam in 1 dag alle dieren een naam heeft gegeven is dat net zo’n wonder als een Schepping in 6 dagen. Theologisch lijkt het mij moeilijker uit te leggen dat God in al Zijn Alwetendheid alle dieren schiep om een partner voor Adam te scheppen en er pas daarna achter kwam dat het niet gelukt was (en vervolgens Adam in slaap bracht om een rib te veranderen in een vrouw).

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over