Wat staat er op het spel?

by | sep 15, 2017 | Onderwijs, Theologie

Sinds de verschijning van Darwins boek The Origin of Species in 1859 is de evolutieleer onderwerp van debat geweest. Darwin beweerde dat alle levensvormen een gemeenschappelijke oorsprong hebben en door evolutie de ene levensvorm uit de andere ontstond. Geen van de concepten waaruit Darwin zijn evolutietheorie samenstelde, was helemaal nieuw, maar hij formuleerde een omvattende theorie.

Oorspronkelijk

Tot op de dag van vandaag worden wetenschappelijke bezwaren tegen de evolutieleer ingebracht. Toch aanvaardt het overgrote deel van de wetenschappers die werkzaam zijn op terreinen waar de oorsprong en onderlinge verhouding van levensvormen aan de orde zijn, de evolutieleer als kader waarbinnen feiten worden geïnterpreteerd en geplaatst.

Combineren?

Voor een christen is de Bijbel de norm en bron van zijn geloof. In het begin van de Bijbel lezen we over het ontstaan van de wereld, van de mens en van de dood die alle mensen raakt. Op een aantal essentiële punten is dat getuigenis niet met de evolutie te verenigen. Maar is het, gezien de informatie die vanuit de wetenschap op ons afkomt, wel mogelijk onverkort aan het Bijbelse getuigenis over schepping, zonde en dood vast te houden? Of moet de Bijbel anders gelezen worden dan de eeuwen door is gedaan?

Dat laatste stelt in ons land prof. dr. Gijsbert van den Brink. Dat bleek al uit de Christelijke Dogmatiek die hij een aantal jaren geleden met dr. Cees van der Kooij schreef. Breder heeft hij zijn standpunt verwoord in een studie die deze zomer verscheen En de aarde bracht voort. Wereldwijd zijn er christelijke wetenschappers en theologen die menen dat het mogelijk is om aanvaarding van de evolutieleer te combineren met een orthodox christendom. Telkens weer blijkt echter dat men dan op één of meerdere punten toch de inhoud van de geloofsleer moet bijstellen.

Belangwekkend

Kort na het verschijnen van En de aarde bracht voort verscheen het boek Oorspronkelijk, overwegingen bij schepping en evolutie van de hand van oudtestamenticus dr. Mart Jan Paul. Een publicatie die zondermeer als belangwekkend kan worden getypeerd. Dr. Paul gaat na hoe in de Bijbel zelf over de schepping wordt gesproken. Uitvoerig gaat hij in op de vraag of de Bijbel een bepaald wereldbeeld biedt. Een aantal hoofdstukken is aan de (kerk)geschiedenis gewijd. Hoe dachten de kerkvaders over schepping, zondeval en zondvloed? Kan er een lijn getrokken worden van Corpernicus en Galileï naar Darwin? Paul stelt ook aan de orde hoe christelijke theologen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw tot op de dag van vandaag op de evolutieleer hebben gereageerd.

Taal van alle dag

“Vaak wordt beweerd dat de Bijbelschrijvers ervan uitgingen dat er een watermassa onder de aarde was en boven de aarde een soort koepel.”

Vaak wordt beweerd dat de Bijbelschrijvers ervan uitgingen dat er een watermassa onder de aarde was en boven de aarde een soort koepel. Onder andere met een beroep op de oudtestamenticus Houtman schrijft Paul dat wij mogen stellen dat het Oude Testament geen wereldbeeld kent. De Bijbel gebruikt vooral de taal van de dagelijkse waarneming. Als men aan de Bijbel graag een bepaald wereldbeeld toeschrijft, is het om een onderscheid te maken tussen de kern van de Bijbelse boodschap en een verpakking die cultureel is bepaald. Paul keert zich tegen dit onderscheid. De Bijbel is geen (natuur)wetenschappelijk traktaat, maar vertelt ons in de woorden van de dagelijkse waarneming over de schepping en scheppingsverschijnselen. Dan wordt er echter wel feitelijke informatie gegeven.

Accommodatie

Ten onrechte wordt soms een beroep op Calvijn gedaan om af te doen van de feitelijke inhoud van de Bijbel. Wanneer Calvijn sprak van accommodatie bedoelde hij dat God Zich in Zijn openbaring heeft aangepast aan de mens in diens schepselmatige bestaan om hem te openbaren wie Hij is en hoe Hij gekend en gediend wil worden. Het betekent niet wat er sinds de Verlichting mee bedoeld is dat God Zijn openbaring gaf in cultuurgebonden en tijdbepaalde vormen waarvan wij ons mogen ontdoen. Die laatste denkwijze gaat er vanuit dat de Bijbelschrijvers in Genesis 1-11 gebruik hebben gemaakt van de algemeen bekende voorstelling in de oud-oosterse wereld om een boodschap te geven over de wereld om ons heen en over de mens zonder dat zij historische feiten hebben willen vermelden. Maar er is geen reden om Genesis 1-11 – zo laat Paul zien – een ander karakter toe te kennen dan de tweede helft van Genesis. De geslachtsregisters vormen het kader van het hele boek Genesis. Zij zijn een aanduiding dat het gehele boek als geschiedschrijving moet worden verstaan.

John Walton

Een eigentijds oudtestamenticus die meent dat de evolutieleer probleemloos met het Bijbelse getuigenis kan worden verbonden is John H. Walton. Hij stelt dat Genesis 1 ons laat zien dat de schepping als tempel is bedoeld. Genesis zou geen antwoord geven op de vraag naar het ontstaan van de wereld. Dat is op zich al heel merkwaardig, want in elke cultuur zijn er verhalen over het verleden en overtuigingen over het ontstaan van de wereld. Dan zou Israël een uitzondering zijn. Volgens Walton waren Adam en Eva niet de eerste mensen. God had uit een bestaande populatie van mensen een mensenpaar uitgekozen om de mensheid te vertegenwoordigen. Pas in deze tijd ging God een relatie aan met de mens. Het door God uitgekozen mensenpaar ging eigen wegen en zo kwam de zonde in de wereld. Zonde werd in deze tijd overtreding van Gods wil.

Het grote probleem bij deze visie is dat de eenheid van het menselijke geslacht wordt opgegeven en dat de dood van de mens geen gevolg is van de zonde. Dood en lijden behoren dan bij Gods goede schepping. Dan geeft Paulus in het Nieuwe Testament een ander geluid. Zoals de dood van de mens door Adam in de wereld kwam, overwon Christus de dood. Ongetwijfeld heeft de dood in beide gevallen ook een geestelijk aspect, maar dat doet niets af van het lichamelijke aspect. Paul laat zien dat de kerkvaders unaniem de lichamelijke dood van de mens als een gevolg van de zonde van het eerste mensenpaar zagen. Zonder enige reserve gingen zij ook uit van de zondvloed als een universeel gebeuren, terwijl de visie dat het slechts een regionale vloed zou zijn meerderen van hen niet onbekend was.

Kanttekening

Paul had wat mij betreft wel een kleine kanttekening kunnen plaatsen bij het optellen van de leeftijden in de geslachtsregisters om de ouderdom van de aarde en bijvoorbeeld de datum van de zondvloed te bepalen. Er zijn meerdere aanwijzingen dat soms geslachten zijn overgeslagen. Ik denk ook aan de opmerking van Bavinck dat de scheppingsdagen scheppingsdagen Gods zijn. Zoals wij het karakter van de jongste dag niet helemaal kunnen bevatten, geldt dat ook van de scheppingsdagen. Feit is, zoals Paul naar voren brengt, dat de scheppingsweek het model is voor onze week en niet omgekeerd.

Geloof en wetenschap

In het debat over schepping en evolutie komt steeds weer de vraag terug of de wetenschap een zelfstandige kennisbron is, waardoor de uitleg van de Bijbel aangepast moet worden. Terecht stelt Paul dat de Schrift het kader biedt waarbinnen wetenschap moet worden bedreven. Aanpassing van het Bijbelse getuigenis blijft nooit zonder gevolgen. De boodschap van de erfzonde en Gods toorn over het menselijke geslacht kunnen niet onverkort worden vastgehouden als de historiciteit van het paradijs, de staat der rechtheid en de zondeval wordt prijsgegeven.

Het boek van prof. Paul wordt ook in onze webshop te koop aangeboden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de GezinsGids. De volledige bronvermelding luidt: Vries, P. de, 2017, Wat staat er op het spel? Overwegingen bij schepping en evolutie, GezinsGids 70 (8): 38-39.

M
"

Artikelen

Artikelen