Ik heb met bijzondere belangstelling nummer 29/3 van Kontekstueel doorgenomen. De problematiek van geloof en wetenschap, die daar ter sprake komt, houdt mij al vanaf mijn latere tienerjaren bezig, vooral waar het evolutie betreft. Ik ben er zodoende van overtuigd dat hierover het laatste woord nog niet is gezegd.

In de loop der jaren heb ik steeds weer gemerkt, dat als theologen en/of filosofen zich over deze problematiek buigen, zij vrij vaak beperkt blijken te zijn in biologische kennis. Dat is begrijpelijk want als je geschoold bent in theologie en/of filosofie, is dat geen garantie voor een gedegen kennis op natuurwetenschappelijke gebied. Een grondige beoordeling van de evolutietheorie is dan niet te verwachten, en men is aangewezen op de gegevens uit de betrokken disciplines.

baby-cougar-1065101_1280

“Het risico is dan dat men allerlei denkbeelden ontwikkelt en vragen opwerpt die achteraf niet ter zake doende blijken te zijn, o.a. het probleem van een goede Schepper en het wrede evolutieproces.”

Maar ook die gegevens blijken soms aanvechtbaar en/of incompleet te zijn. Als men de vele aspecten van het paradigma evolutie wilt doorgronden, vereist dit niet alleen biologische kennis maar zeker ook een ruim inzicht in de biologische randgebieden, zoals paleontologie, geologie, biochemie, moleculaire genetica e.d. Dit inzicht blijkt helaas onder biologen ook niet altijd aanwezig te zijn (afhankelijk van specialisaties). Het gevolg is dat de vele natuurwetenschappelijke vragen, die bij het doordenken van het evolutieparadigma zijn te stellen, nauwelijks worden gehoord, laat staan beantwoord. Pogingen die gedaan zijn om sommige kritische vragen wel te beantwoorden, blijken de toets van de wetenschappelijke criteria meestal niet te doorstaan. Kortom het hele idee dat de evolutietheorie een betrouwbare verklaring is voor het ontstaan en de ontwikkeling van het leven op aarde is uiterst speculatief en op veel punten aanvechtbaar. Voordat het zogenaamde alles verklarende dogma: Survival of the fittest functioneel kan zijn, moet er toch eerst “survival” zijn. Vooral hier ligt een niet te onderschatten wetenschappelijk probleem en daarmee samenhangend dienen er zich steeds meer vragen aan. Gezien in dit licht is het m.i. merkwaardig dat men als theoloog, met beperkte kennis van de evolutietheorie, pogingen onderneemt om de Bijbelse gegevens te herinterpreteren zodat ze verenigbaar zijn met deze theorie. Het risico is dan dat men allerlei denkbeelden ontwikkelt en vragen opwerpt die achteraf niet ter zake doende blijken te zijn, o.a. het probleem van een goede Schepper en het wrede evolutieproces.

In het kader van dit nummer van Kontekstueel lijkt het me niet zinvol om nu nader in te gaan op de natuurwetenschappelijke problemen van de evolutietheorie. Gezien de inhoud van de bijdragen van sommige scribenten zie ik toch op zijn minst een gedeeltelijke acceptatie van de huidige evolutietheorie. Het is juist hierdoor dat de geloofsvragen om de hoek komen kijken, waarop men vervolgens antwoorden probeert te vinden. Dit constateert ook dr. Markus in zijn bijdrage. Als voorbeeld van zulke geloofsvragen noemt hij de discrepantie tussen het Bijbelse godsbeeld en mensbeeld. Als men de naturalistisch gedachtegang over het leven op aarde echter niet accepteert, zijn de problemen met de Bijbelse gegevens aanzienlijk minder. Ook de gedachtegang van prof. van Ruler dat geloof zowel voor als na de rede komt, is in dit verband zinvol. Want als datgene, wat voor rede wordt aangezien, het achteraf niet blijkt zijn, blijft het geloof voorop staan. In de bijdrage van prof. Sarot waardeer ik zijn uitleg over eerste en tweede oorzaak. Bij het doordenken van de evolutietheorie lijkt het mij inderdaad zinvol om eerste en tweede oorzaken te onderscheiden. In zijn reactie op ds. Ter Linden maakt hij duidelijk dat het idee van een door God geleid evolutieproces geen begaanbare weg is om het bijbels geloof en de wetenschappelijke visie te combineren. Zijn uitspraak dat het scheppingsgeloof inhoud, dat de stoffelijke werkelijkheid, zowel bij het ontstaan als bij het voortbestaan van God afhankelijk is, onderschrijf ik ook. Als hij echter het evolutieproces een proces in de schepping noemt, vraag ik mij af welk proces hij daarbij voor ogen heeft. Als dit het principe van de natuurlijke selectie is, opgevat als verklaring voor alle vormen van leven inclusief de mens, wijs ik dit af. Het principe van “survival of the fittest” verklaart volgens mij (en meerdere vakgenoten) alleen de variaties binnen een soort. Hierbij moet ook bedacht worden dat de definitie van wat biologen onder een soort verstaan niet eensluidend is.

lucas_3vs38b_HSV

“Het is uit de bijdrage van dr. Van Vlastuin duidelijk dat hij niet meegaat in de visie van prof Van den Brink. Wel pleit hij ervoor om aan de wetenschap alle ruimte geven. Dit vanuit de overtuiging dat de openbaring van God in zijn woord en in de schepping niet met elkaar in tegenspraak kunnen zijn.”

Uit het interview met prof. Van den Brink wordt duidelijk dat hij uitgaat van dierlijke voorouders van de mens. De daaraan gekoppelde toelichting over de nog aanwezige agressie doet totaal geen recht aan de Bijbelse gegevens. Het is voor mij onbegrijpelijk dat men op grond van een onbewezen idee over het leven op aarde, de Bijbelse openbaring aan de kant schuift. De verwijzing hierbij naar het historische verschil van de mening over het heliocentrisme lijkt mij niet terecht. Deze conclusie was getrokken op wetenschappelijk verantwoorde waarnemingen en berekeningen. Dit kan niet worden gezegd van het hele evolutieproces. Slechts het principe van de natuurlijke selectie a.g.v survival of the fittest kan men, binnen bepaalde grenzen, als wetenschappelijk bewezen accepteren, zoals ik hierboven al stelde. Als prof. Van den Brink dan verderop in het interview spreekt over de godsdienstigheid van de kosmologen omdat zij de kosmos zo gigantisch indrukwekkend vinden, lijkt me dat in tegenspraak met zijn idee over onze dierlijke voorouders. Een levend organisme is niet minder gigantisch indrukwekkend dan de kosmos (opgevat als het heelal). Alleen al de bouw en het functioneren van een levende cel draag alle sporen van een doordacht ontwerp. Als men overtuigd is van een ontwerp, moet er ook een Ontwerper zijn en dat schrijf ik met opzet met een hoofdletter. Helaas geeft prof. van den Brink er in deze bijdrage blijk van dat hij geneigd is de Bijbelse gegevens aan te passen of zelfs te negeren, aan een onbewezen wetenschappelijke vooronderstelling. Het is uit de bijdrage van dr. Van Vlastuin duidelijk dat hij niet meegaat in de visie van prof Van den Brink.1 Wel pleit hij ervoor om aan de wetenschap alle ruimte geven. Dit vanuit de overtuiging dat de openbaring van God in zijn woord en in de schepping niet met elkaar in tegenspraak kunnen zijn. Dit werkt hij verder uit in zijn zienswijze over het historische karakter van Genesis. Uit heel zijn, genuanceerde bijdrage wordt duidelijk dat hij vasthoudt aan het gezag van de Schrift boven de vooronderstellingen uit de wetenschap. Daar kan ik van harte mee instemmen, niet ondanks mijn biologische kennis maar juist dank zij die kennis.

Het enige begrip dat mij aanspreekt in de bijdrage van dr. De Bruin in zijn bespreking van het werk van prof. Van Ruler is het begrip ordening. Dat is precies wat zo gigantisch indrukwekkend is alle facetten van de levende natuur. Zelfs dood en afbraak van organismen blijken geordende processen te zijn. Ik waardeer de bijdragen van de Column-schrijvers. Dat geldt zowel voor de studenten als voor de docenten godsdienst Op enkele details na kan ik mij vrij goed vinden in hun zienswijze. Als oud-docent biologie en godsdienst, voel ik mij met hen verwant. Ik proef in hun bijdrage een zeker voorbehoud m.b.t. het begrip evolutie. Zoals blijkt uit het bovenstaande ga ik ook uit van die beperking. Ik begrijp dat zij het Bijbelse geloof niet te veel willen laten beïnvloeden door de evolutietheorie. Daar heb ik veel begrip voor, maar als docent biologie was ik wat radicaler in het afwijzen deze theorie als geheel.

Voetnoten

  1. De bijdrage van prof. Van Vlastuin is hier te vinden: http://logos.nl/de-schrift-als-interpretatiekader/

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Drs. P. den Breejen was vanaf nov. 1960 tot 1976 werkzaam als analist, aanvankelijk werkte hij mee aan enkele research-projecten van 2 TNO-instituten. Hierna kwam hij in dienst van het pathologisch laboratorium van het academisch ziekenhuis Dijkzigt in Rotterdam, op de afd. elektronenmicroscopie. Daar was hij betrokken bij een onderzoek van dr. W.C. de Bruin, wat resulteerde in zijn proefschrift: “De pathogenese van experimenteel verwekte Atheromatose bij konijnen”. Tijdens dit onderzoek werd veel aandacht besteed aan het zichtbaar maken van celstructuren voor electronenmicroscopische waarneming. Naast zijn werk op dit laboratorium studeerde hij van 1971-1978 biologie (parttime) aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Deze studie werd afgesloten met een doctoraalscriptie over de relatie tussen de buitenmembraam van het Rauscher Leukemie virus en zijn gastheercel. Vanaf aug 1977 tot aug 2006 was hij docent biologie aan de Christelijke Scholengemeenschap “De Lage Waard” voor HAVO en VWO en vanaf 1990 gaf hij daarnaast ook godsdienstlessen. Sinds zijn pensioen verdiept hij zich opnieuw in de moleculaire celbiologie.

2 Comments

Ed Vaessen

“Het gevolg is dat de vele natuurwetenschappelijke vragen, die bij het doordenken van het evolutieparadigma zijn te stellen, nauwelijks worden gehoord, laat staan beantwoord. Pogingen die gedaan zijn om sommige kritische vragen wel te beantwoorden, blijken de toets van de wetenschappelijke criteria meestal niet te doorstaan.”

Wat meer details zouden welkom zijn. Zet [het hierbovenstaande] eens af tegen deze zin:

“Het is voor mij onbegrijpelijk dat men op grond van een onbewezen idee over het leven op aarde, de Bijbelse openbaring aan de kant schuift.”

De vraag dringt zich onontkoombaar op: wat is er (…) zonder meer [waar] aan de Bijbelse openbaring?

Als het antwoord op die vraag luidt dat het in de Bijbel staat en dus waar is, kunnen we het woord ‘doordenken’ uit de eerste zin beter op zijn waarde schatten en [m.i.] begrijpen waarom het creationisme geen voet aan de grond krijgt in de wetenschappelijke wereld.

Reply
Hetty Dolman

“De verwijzing hierbij naar het historische verschil van de mening over het heliocentrisme lijkt mij niet terecht. Deze conclusie was getrokken op wetenschappelijk verantwoorde waarnemingen en berekeningen.”

Ik begrijp die zin niet zo goed. Mag de bijbel wel aan de kant geschoven worden als wetenschap als betrouwbaarder wordt gezien?

“Het is voor mij onbegrijpelijk dat men op grond van een onbewezen idee over het leven op aarde, de Bijbelse openbaring aan de kant schuift.”

Mij lijkt dat wetenschappelijke uitkomsten niet getoetst kunnen worden aan de bijbel, omdat wetenschap universeel is, dus Chinese, Japanse, Indiase, Nederlandse etc. etc. onderzoekers werken samen. Verder denk ik toch dat er in ons lichaam wel degelijk sporen van een dierlijk verleden te vinden zijn.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over