Symbiose en slaafs gedrag

by | sep 5, 2016 | Biologie, Onderwijs

De bekende mechanismen van de evolutietheorie zijn niet toepasbaar, wanneer het er om gaat, het ontstaan van symbiose en slaafs gedrag te verklaren. Van symbiose spreekt men, wanneer beide partijen een voordeel aan de samenwerking ontlenen. Van slaafs gedrag spreekt men, wanneer slechts één partij de andere dient en daardoor zelf nadelen op de koop toe neemt.

nature-697126_1280

Het grootste deel der biomassa op aarde bestaat uit symbiotische systemen. Een groot deel van de bomen en struiken zijn voor hun bestuiving afhankelijk van andere levende wezens, meestal insecten. Daarbij komen de korstmossen, een symbiotische levensgemeenschap tussen een schimmel en groene algen of cyanobacteriën. Peter Raven van de Missouri Botanical Garden schrijft, dat, wanneer een plant uitsterft, 10 tot 30 andere eveneens uitsterven.1

Enige voorbeelden van symbiose

– Mycorrhizaschimmels onttrekken koolhydraten aan bomen en orchideeën en leveren als tegenprestatie mineralen en water uit de grond.
– Mieren beschermen bladluizen en ontvangen als tegenprestatie suikerwater.
– De bestuiving van planten met bloemen door insecten, waarbij de insecten nectar als voeding verkrijgen.
– Het transport van plantenzaden door mens en dier, waarbij de vruchten gegeten en de zaden op een van de plant verwijderde plaats weer uitgescheiden worden.
– Veel in oppervlaktewater levende plaatsgebonden ongewervelde zeedieren zoals vuurkoralen, de meeste bloemdieren alsook de reuze mosselen leven samen met fotosynthese bedrijvende algen.
– Nog een voorbeeld zijn de maag- en darmbacteriën (bijv. escherichia coli) zonder welke niet alleen zoogdieren, maar ook wij mensen niet kunnen.
– De korstmossen zijn een symbiotische structuur uit algen en schimmels, waarbij de algen door fotosynthese koolhydraten produceren, die door de schimmels opgenomen worden, terwijl de schimmels de algen water en voedingsstoffen leveren.

Slaafs gedrag van de eik tegenover de galwesp

De galwespen leggen hun eieren op bladeren van de eik, waarna het eikenblad een klein omhulsel voor het ei aanmaakt. Het ei ontwikkelt zich in dit omhulsel, tot er tenslotte een klein rupsje uit kruipt. Deze rups kan zich daarna voeden met de voedzame cellen in het omhulsel en wordt tegelijkertijd tegen de vogels beschermd. Nadat het groot genoeg geworden is, verlaat het zijn huisje en wordt een wesp, die opnieuw haar eieren op de eikebladeren leggen zal.

Deze kleine omhulsels, die door de eik en andere boomsoorten worden aangemaakt, noemt men gallen. Zulke gallen worden niet slechts door galwespen maar ook door andere insecten en mijten teweeg gebracht. Daarvan profiteren niet alleen galleninducerende dieren, maar ook parasitaire schimmels of bacteriën.

De gallen zijn knolachtige woekeringen, die voor de plant zelf nutteloos zijn. Verbazingwekkend is, hoe vergaand zij aan de levensbehoeften van de betreffende dieren en planten, die zij huisvesten, zijn aangepast. Daarbij kunnen verschillende dieren aan dezelfde plant gallenvormingen activeren, terwijl de gallen zelf heel verschillende structuren ontwikkelen. Het gaat dus geenszins om een algemene prikkelwerking als reactie op een ei-afzetting, een steek of iets dergelijks.2

De mechanismen van de evolutietheorie zouden de ontwikkeling van gallen nauwelijks ondersteunen, omdat zij heel duidelijk nadelen voor de waardplanten met zich meebrengen. Het gecompliceerde proces van zulke gallenvorming zou uit evolutietheoretisch oogpunt eerder weggeselecteerd dan bevorderd worden.

Voetnoten

  1. Yvonne Baskin, The Work of Nature: How the Diversity of Life Sustains Us, Island Press, Washington D. C., 1997, S. 36-37.
  2. Paul Lüth, Der Mensch ist kein Zufall, DVA, 1981, S. 188-190.
M
"

Artikelen

Artikelen