De bekende mechanismen van de evolutietheorie zijn niet toepasbaar, wanneer het er om gaat, het ontstaan van symbiose en slaafs gedrag te verklaren. Van symbiose spreekt men, wanneer beide partijen een voordeel aan de samenwerking ontlenen. Van slaafs gedrag spreekt men, wanneer slechts één partij de andere dient en daardoor zelf nadelen op de koop toe neemt.

nature-697126_1280

Het grootste deel der biomassa op aarde bestaat uit symbiotische systemen. Een groot deel van de bomen en struiken zijn voor hun bestuiving afhankelijk van andere levende wezens, meestal insecten. Daarbij komen de korstmossen, een symbiotische levensgemeenschap tussen een schimmel en groene algen of cyanobacteriën. Peter Raven van de Missouri Botanical Garden schrijft, dat, wanneer een plant uitsterft, 10 tot 30 andere eveneens uitsterven.1

Enige voorbeelden van symbiose

– Mycorrhizaschimmels onttrekken koolhydraten aan bomen en orchideeën en leveren als tegenprestatie mineralen en water uit de grond.
– Mieren beschermen bladluizen en ontvangen als tegenprestatie suikerwater.
– De bestuiving van planten met bloemen door insecten, waarbij de insecten nectar als voeding verkrijgen.
– Het transport van plantenzaden door mens en dier, waarbij de vruchten gegeten en de zaden op een van de plant verwijderde plaats weer uitgescheiden worden.
– Veel in oppervlaktewater levende plaatsgebonden ongewervelde zeedieren zoals vuurkoralen, de meeste bloemdieren alsook de reuze mosselen leven samen met fotosynthese bedrijvende algen.
– Nog een voorbeeld zijn de maag- en darmbacteriën (bijv. escherichia coli) zonder welke niet alleen zoogdieren, maar ook wij mensen niet kunnen.
– De korstmossen zijn een symbiotische structuur uit algen en schimmels, waarbij de algen door fotosynthese koolhydraten produceren, die door de schimmels opgenomen worden, terwijl de schimmels de algen water en voedingsstoffen leveren.

Slaafs gedrag van de eik tegenover de galwesp

De galwespen leggen hun eieren op bladeren van de eik, waarna het eikenblad een klein omhulsel voor het ei aanmaakt. Het ei ontwikkelt zich in dit omhulsel, tot er tenslotte een klein rupsje uit kruipt. Deze rups kan zich daarna voeden met de voedzame cellen in het omhulsel en wordt tegelijkertijd tegen de vogels beschermd. Nadat het groot genoeg geworden is, verlaat het zijn huisje en wordt een wesp, die opnieuw haar eieren op de eikebladeren leggen zal.

Deze kleine omhulsels, die door de eik en andere boomsoorten worden aangemaakt, noemt men gallen. Zulke gallen worden niet slechts door galwespen maar ook door andere insecten en mijten teweeg gebracht. Daarvan profiteren niet alleen galleninducerende dieren, maar ook parasitaire schimmels of bacteriën.

De gallen zijn knolachtige woekeringen, die voor de plant zelf nutteloos zijn. Verbazingwekkend is, hoe vergaand zij aan de levensbehoeften van de betreffende dieren en planten, die zij huisvesten, zijn aangepast. Daarbij kunnen verschillende dieren aan dezelfde plant gallenvormingen activeren, terwijl de gallen zelf heel verschillende structuren ontwikkelen. Het gaat dus geenszins om een algemene prikkelwerking als reactie op een ei-afzetting, een steek of iets dergelijks.2

De mechanismen van de evolutietheorie zouden de ontwikkeling van gallen nauwelijks ondersteunen, omdat zij heel duidelijk nadelen voor de waardplanten met zich meebrengen. Het gecompliceerde proces van zulke gallenvorming zou uit evolutietheoretisch oogpunt eerder weggeselecteerd dan bevorderd worden.

Voetnoten

  1. Yvonne Baskin, The Work of Nature: How the Diversity of Life Sustains Us, Island Press, Washington D. C., 1997, S. 36-37.
  2. Paul Lüth, Der Mensch ist kein Zufall, DVA, 1981, S. 188-190.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

95 Stellingen

Written by

Weliswaar zijn sinds de eerste uitgave van Charles Darwins boek "Het ontstaan van soorten" op 24 november 1859 ontelbare feiten bekend geworden, die heel duidelijk tegen de evolutietheorie spreken, maar het geloof in evolutie, oerknal en een vele miljoenen jaren oude aarde heeft zich diep in het bewustzijn van de moderne maatschappij ingenesteld. Hierbij heeft deze wereldbeschouwing langzamerhand een fundamentalistisch karakter aangenomen. In geen ander gebied van de wetenschap worden kritische stemmen zo onzakelijk en heftig aangevallen als op dit gebied van onderzoek. Wie twijfelt, wordt uit het debat over de oorsprongsvragen uitgesloten en niet zelden bestreden. De eigenwijsheid van de leidende disciplines in wetenschap, onderwijs en media doet denken aan de koppigheid, waarmee de Rooms Katholieke kerk in de Middeleeuwen haar toenmalige wereldbeeld verdedigd heeft. Op 31 oktober 1517 heeft de hervormer Maarten Luther 95 stellingen gepubliceerd, waarmee hij de toenmaals wijdverbreide aflaatpraktijk ter discussie stelde. Deze bemoeienis heeft een kettingreactie veroorzaakt, die uiteindelijk tot de Reformatie leidde. Op gelijke wijze moeten de hier aanwezige 95 stellingen tot een verandering van denken in het oorsprongsdebat bijdragen. Met deze publicatie willen wij ons ervoor inzetten, dat in de discussie over de oorsprong van de mensheid, het aardse leven en de kosmos een open omgang met wetenschappelijke gegevens, interpretaties en wereldbeschouwelijke stellingnamen* mogelijk wordt.

2 Comments

Peter

Het betoog bedoelt waarschijnlijk te zijn: ‘te ingewikkeld om geëvolueerd te zijn’. [Zonder dat] is het geen betoog met evidentie waarom symbiose niet zou kunnen evolueren, maar gaat het om een set losse beweringen. Ook wordt niet aannemelijk gemaakt waarom gallen niet zouden kunnen ontstaan; zelfs niet wordt niet aannemelijk gemaakt dat er voor de waardplant nadelen aan het bestaan van gallen zouden zijn.

Vreemd genoeg ontbreken de twee belangrijkste gevallen van symbiose in het verhaal. De twee belangrijkste gevallen zijn het ontstaan van de mitochondria van de eukaryote cel (= cel met kern), en de chloroplasten van de groene plant. De endosymbiontentheorie is de theorie die de herkomst van mitochondria en chloroplasten in eukaryote cellen door endosymbiose verklaart. Deze theorie wordt tegenwoordig algemeen geaccepteerd. De mitochondria zijn afkomstig van alfa-proteobacteria. Het ontstaan van de eukaryote cel hangt zelfs nauw samen met de symbiose met de voorouder van de mitochondria. De chloroplasten zijn gedomesticeerde cyanobacteriën. [Zie:] https://nl.wikipedia.org/wiki/Mitochondrion#Oorsprong. https://nl.wikipedia.org/wiki/Endosymbiontentheorie [en] http://www.nature.com/scitable/content/the-origin-of-mitochondria-and-chloroplasts-14747702

Reply
Ed Vaessen

Dit geeft misschien wat informatie?:

“De co-evolutie van de Ficus en de hun bestuivende galwespen heeft een sterke afhankelijkheid tussen deze organismen veroorzaakt: veel Ficussoorten kunnen alleen door een bepaalde soort galwesp bestoven worden en deze galwespen kunnen zich vaak alleen in een bepaalde soort Ficus voortplanten”

http://www.botaniewebsite.nl/ficus.html

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over