Tegenwerpingen tegen een pleidooi uit klassiek-gereformeerde hoek voor evolutie

by | nov 8, 2016 | Biologie, Ethiek, Filosofie, Onderwijs, Theologie

Mocht je een theologische orthodoxie zoeken die net zo goed is afgebakend als die van Timothy Keller, dan is die moeilijk te vinden onder het toenemende aantal wetenschappers, theologen en organisaties dat vandaag de dag bij evangelische Christenen er op aandringt om biologische evolutie te aanvaarden. Keller is predikant van de Redeemer Presbyterian Church (PCA) in New York en is bekend door zijn publicaties over apologie, kerkplanting en prediking. Zijn 13 pagina’s tellende lezing met de titel Creation, Evolution, and Christian Laypeople is gehouden voor Biologos en is door wetenschappers en theologen in klassiek-gereformeerde kerken gunstig beoordeeld.1

spoor_wissels.pixabay

Toen bijvoorbeeld Frieda Oosterhoff Kellers lezing een paar jaar geleden introduceerde op de website van Reformed Academic, verklaarde zij:

Terzijde: lezers van dit blog zullen opmerken dat onze blogpartner Dr. Jitse van der Meer op dezelfde golflengte zit als Dr. Kidner waar het gaat om de kwestie van menselijke evolutie, de historiciteit van Adam en Eva en de afstamming van alle menselijke wezens van Adam en dat hij dezelfde voorlopige benadering als Kidner en Keller heeft.2

In zijn lezing behandelt Keller de reële vragen van bezorgde christenen en stelt antwoorden voor hoe hen te helpen evolutie met hun geloof te integreren.

Waar gaat het debat niet over

Het is belangrijk om aan te geven waarover ons debat met Keller precies gaat. Het debat tussen ons gaat niet over het al dan niet onverzoenlijk zijn van het Christelijk geloof met de huidige wetenschap (of wat als wetenschap wordt opgeëist), want we zijn het er allen over eens dat die twee in veel opzichten te verzoenen zijn, maar in sommige opzichten niet. Het debat gaat meer over in welke bijzondere opzichten ze te verzoenen zijn en in welke ze niet kunnen worden verzoend. Het debat tussen ons gaat er niet om of evolutie een te verdedigen wereldbeeld is, waarop we onze standpunten over religie, ethiek, de menselijke natuur, enzovoorts kunnen baseren. We zijn het er met elkaar over eens dat het niet de “grote theorie of verklaring van alles” is. We stemmen met elkaar overeen dat er een God is en dat Hij de God van de Bijbel is: Drieënig, almachtig, God van het verbond, genadig, verzoening schenkend en bezig een nieuwe schepping tot stand te brengen. Ook voer ik er geen debat over of Keller een oude-aarde creationist is, dan wel een progressieve creationist of een evolutionaire creationist of een theïstisch evolutionist. Zijn eigen positie is wat onduidelijk, daarom zal ik mij beperken tot wat hij in zijn lezing publiek heeft gemaakt.3 Het debat tussen ons gaat er niet over of materie eeuwig is; of de orde van het universum puur toevallig is; of mensen geen ander doel hebben dan hun eigen genen voort te planten; of mensen alleen maar materie zijn; of menselijk leven niet meer waarde heeft dan het leven van een rund, een hond of enig ander wezen; of met de dood alle persoonlijk bestaan ophoudt; of dat ethiek op zoek is naar de survival of the fittest. We zijn het er allen over eens dat geen van deze dingen het geval is – de Schrift leert anders. Over deze punten debatteren we niet.

koningspinguin-pixabay

Waar gaat het wel over – 3 kernvragen

Onze verschillen duiken op bij het aanpassen van de Schrift aan biologische evolutie, namelijk, of de Schrift ruimte heeft voor het standpunt dat mensen een biologisch voorgeslacht hebben dat voorafgaat aan Adam en Eva, is dit een geoorloofd standpunt? Allereerst moeten we ons bij het lezen van Kellers essay bewust zijn van de context en het doel ervan. De lezing werd in 2009 gehouden op de eerste workshop van Biologos, “Theology of Celebration” genaamd. Keller brengt drie zorgen naar voren die de vragen van christelijke leken kenmerken, wanneer hun wordt verteld dat God Adam en Eva door evolutionaire biologische processen heeft geschapen. Keller brengt deze zorgen naar voren om zo strategieën te bevorderen die medeleden van Biologos helpen deze vrees van christelijke leken te verlichten. De context is daarom dat biologische evolutie een geoorloofd standpunt is; de wetenschappers moeten alleen nog zien uit te vinden hoe ze dit breder geaccepteerd krijgen.

Keller behandelt de volgende “drie vragen van Christelijke leken”:
1. Als God evolutie gebruikte om te scheppen, dan kunnen we Genesis 1 niet letterlijk nemen, en als de dat niet kunnen doen, waarom dan enig ander deel van de Bijbel wel letterlijk nemen?
2. Als biologische evolutie waar is – betekent dat dan dat we slechts dieren zijn die door onze genen worden gedreven en dat alles over ons door natuurlijke selectie kan worden verklaard?
3. Als biologische evolutie waar is en er geen historische Adam en Eva waren, hoe kunnen we dan weten waar zonde en lijden vandaan kwamen?

Dit zijn uitstekende vragen! Maar wat voor soort antwoorden stelt Keller voor?

Vraag 1: Als evolutie waar is, kunnen we dan Genesis 1 letterlijk nemen?

Kellers eerste vraag is: “Als God evolutie gebruikte om te scheppen, dan kunnen we Genesis 1 niet letterlijk nemen, en als we dat niet kunnen, waarom dan enig ander gedeelte van de Bijbel wel letterlijk nemen?” Kellers korte antwoord is: De manier om het gezag van de Bijbelschrijvers te respecteren is hen te nemen zoals zij willen worden genomen. Soms willen ze letterlijk worden genomen, soms niet. Wij moeten naar hen luisteren, niet ons denken of onze agenda aan hun opleggen.

Op het eerste gezicht is dit een degelijk antwoord – de Bijbel heeft gezag! Maar Keller heeft meer te zeggen.

herfst_bomen-pixabay

Genre en bedoeling

Hij licht zijn antwoord toe door wat dieper in te gaan op het genre van Genesis 1, omdat “om er achter te komen hoe een auteur gelezen wil worden je moet onderscheiden welk genre de schrijver gebruikt.” “Hoe een auteur gelezen wil worden” is wat dubbelzinnig, maar ik vat het op als een verwijzing naar de bedoeling van de schrijver – Kellers punt wordt namelijk of de auteur wil dat wij al dan niet Genesis 1 letterlijk en chronologisch lezen. Het verband dat hij voorstelt tussen genre en bedoeling van de auteur is echter niet rechtstreeks. Iemand kan heel verschillende genres gebruiken om dezelfde bedoeling over te brengen. Kijk eens naar dit voorbeeld. Als ik poëzie gebruik om aan mijn vrouw duidelijk te maken hoeveel ik van haar houd, zijn mijn bedoelingen precies dezelfde als wanneer ik het in een paar normale zinnen had opgeschreven. Ik zou dezelfde boodschap zelfs als syllogisme kunnen sturen:

Heel mijn leven heb ik van je gehouden;
Vandaag is een dag van mijn leven;
Daarom houd ik vandaag van je.

Of het nu poëzie is of proza of een syllogisme (of, zoals mijn vrouw het zou noemen, een ‘silly-gisme’ – een malligheidje), mijn boodschap blijft dezelfde. Nu klopt het dat ik in poëzie waarschijnlijk eerder in beelden zal spreken, maar dat betekent niet dat poëzie als genre geen geschiedenis kan weergeven. Zie Psalm 78 als een goed voorbeeld van poëzie die overloopt van historische waarheid.

Genre van Genesis 1

Keller vraagt vervolgens welk genre Genesis 1 is en begint zijn antwoord met de klassiek Presbyteriaanse theoloog Edward J. Young (1907-1968) die, zegt hij, “toegeeft dat Genesis 1 in ‘verheven, semi-poëtische taal’ is geschreven”. Keller merkt terecht op dat kenmerkende eigenschappen van Hebreeuwse poëzie ontbreken. Toch wijst hij op de refreinen in Genesis 1, zoals “en God zag dat het goed was”, “God zei”, “laat er zijn” en “en het was alzo”, en dan voegt Keller daaraan toe: “Het is duidelijk dat dit niet de manier is waarop iemand schrijft in antwoord op een eenvoudig verzoek om te vertellen wat er is gebeurd”. Hij sluit dit deel van zijn argumentatie af met een citaat van John Collins: het genre van Genesis 1 is “wat wij een verheven prozaverhaal kunnen noemen (…) door het verheven te noemen erkennen we dat we niet een ‘een letterlijke’ hermeneutiek aan de tekst moeten opleggen”. En zo is deze redenering nu compleet: Keller zegt dat het genre van Genesis 1 ons niet toestaat het literair-historisch te lezen.

hebreeuws_alfabet-pixabay

Misleidend beroep op E.J. Young

Als we echter het spoor via Kellers voetnoot naar E.J. Youngs, Studies in Genesis One, volgen, ontdekken we dat Keller aan Youngs werkelijke punt voorbij is gegaan. Hier volgt de hele quote: “Genesis één is in verheven, semi-poëtische taal geschreven, niettemin is het geen poëzie” (cursivering TVR). Young vervolgt met aan te geven welke elementen van Hebreeuwse poëzie ontbreken en dringt er bij de lezer op aan om Job 38:8-11 en Psalm 104:5-9 met Genesis 1 te vergelijken om zo de kennelijke verschillen tussen een poëtisch en een niet-poëtisch scheppingsverslag te zien. Voorafgaand aan deze alinea had Young geschreven:

“Genesis één is een document sui generis (met een geheel eigen stijl); zijns gelijke wordt nergens in de antieke literatuur gevonden. En de reden hiervoor is duidelijk. Genesis één is goddelijke openbaring aan de mens over de schepping van hemel en aarde. Het bevat niet de kosmologie (hoe het heelal is opgebouwd) van de Hebreeën of van Mozes. Wat die kosmologie ook geweest moge zijn, we weten het niet ….Israël was echter door God zo bevoorrecht dat Hij haar een openbaring over de schepping van hemel en aarde heeft gegeven, en Genesis één is die openbaring.” Young werkt dit verder uit: “Om deze reden kunnen we in eigenlijke zin niet spreken van een literair genre van Genesis één. Het is niet een kosmogonie (leer van de schepping, van het ontstaan van het heelal), alsof het slechts één van de vele zou zijn. Naar de aard van de zaak moet een ware kosmogonie een goddelijke openbaring zijn. De zogenaamde kosmogonieën van de verschillende volken uit de oudheid zijn in werkelijkheid deformaties van de oorspronkelijk geopenbaarde scheppingswaarheid. Er is maar één echte kosmogonie, namelijk Genesis één en alleen dit verslag geeft betrouwbare informatie over de oorsprong van de aarde.”

Met deze woorden van Young in ons hoofd, keren we naar Kellers verklaring terug dat het “duidelijk” is dat niemand een verslag in de verheven stijl van Genesis 1 “in antwoord op een eenvoudige vraag om te vertellen wat er gebeurd is” zou samenstellen. Is dat echt zo? Maar wat als de dingen die daarin beschreven staan precies op die verheven wijze plaats vonden? Natuurlijk lezen we “verheven proza” – juist omdat de dingen die beschreven worden zo geweldig zijn! De literaire stijl past daar niet alleen bij, maar weerkaatst zelfs de wonderbaarlijke gebeurtenissen. God wordt herhaaldelijk lof toegebracht, des te meer omdat het letterlijk waar is.

Een oude leugen: Genesis 1 contra Genesis 2

Kellers tweede reden – en sterkste, zo zegt hij – waarom hij denkt dat de auteur van Genesis 1 niet letterlijk genomen wilde worden, is gebaseerd op “een vergelijking van de volgorde van de scheppingsdaden in Genesis 1 en Genesis 2”. Dit argument is wat gecompliceerder en verdient nauwkeuriger onderzoek dan ik hier geef. Maar de kern is dat Genesis 2:5 blijkbaar spreekt over God die geen vegetatie op aarde heeft gegeven voor er een atmosfeer was of regen of iemand om de grond te bewerken. Dit is de natuurlijke volgorde, zo zegt Keller. Genesis 1 is de onnatuurlijke volgorde, dus is het niet letterlijk. Zijn redenering is een oude leugen en in werkelijkheid een voorstelling van zaken die mank gaat.

appel_kennis-pixabay

Laten we het onderzoeken. Keller zegt dat Genesis 1 een onnatuurlijke volgorde heeft, omdat:
– het licht (geschapen op Dag 1) kwam vóór de lichtbronnen (geschapen op Dag 4)
– vegetatie (Dag 3) kwam vóór een atmosfeer en regen (die, zegt hij, op Dag 4 werden geschapen.)

Laten we het tweede punt eerst bekijken. Keller leest de tekst hier te snel, want de scheiding van de wateren boven en onder het uitspansel vindt op Dag 2 plaats en impliceert daarmee de mogelijkheid van regen vóór begroeiing. En zelfs als er geen regen was, dan zou een dag zonder licht of water deze planten in elk geval niet doden. Nu het eerste punt, het probleem van “licht vóór de lichtdragers”. We kunnen het interessant vinden dat God licht op Dag 2 schiep, voordat enige lichtbron geschapen was – de zon, de maan en de sterren werden op Dag 4 geschapen – maar waarom zouden wij het als een moeilijkheid zien? God heeft geen zon nodig om licht te maken (Op. 21:23).

We gaan verder. De volgorde van de gebeurtenissen in Genesis 2, vooral vers 5, is niet in het minst strijdig met Genesis 1. Eerder is het zo dat waar Genesis 1:1-2:3 alleen naar “God” verwijst en focust op de ontzagwekkende Schepper die de aarde voor de mens klaarmaakt en toebereidt, Genesis 2:4-25 zich concentreert op deze God als “Jahweh”, die liefdevol en teer de man en de vrouw schept en een mooie hof voor hen klaarmaakt en die vervolgens een liefdevolle relatie met hen aangaat. Elk hoofdstuk heeft zijn eigen bijdrage aan het verhaal, waarbij hoofdstuk 2 teruggaat om meer uitgebreid de gebeurtenissen van de zesde dag uit te leggen. In het Hebreeuwse proza is dit niet ongebruikelijk. Bovendien kunnen we 2:4-25 gemakkelijk chronologisch inpassen tussen 1:26: “Laat Ons mensen maken naar ons beeld” en 1:27: “Zo schiep God de mens naar zijn beeld … mannelijk [Adam] en vrouwelijk [Eva] schiep Hij hen.”

Tenslotte begint in Genesis 2:4 het verslag van de eerste “toledoth” of “geslachten van”, dat daarna Genesis structureel indeelt en nog negen maal vaker voorkomt. Young stelt dat we “toledoth” moeten vertalen met “de dingen die geworden zijn”. Als we deze suggestie opvolgen, zien we dat Genesis 2:4vv ons de dingen vertellen die geworden zijn in de hemelen en op de aarde, zoals de mens, die zowel aards (zijn lichaam) is als hemels (zijn geest), of de hof, die aards is, maar toch door God geplant. Als Genesis 2:5 verklaart dat er nog “geen enkel veldgewas” op de aarde was en nog geen enkel “kruid des velds” was uitgesproten, laat dat de nog onbegroeide kaalheid zien die de achtergrond vormt voor de vruchtbare hof (2:8-14) en de vruchtbare vrouw (2:18-25). Verder verwijzen het “veldgewas” en het “kruid des velds” naar gecultiveerde planten, die menselijke zorg nodig hebben. Adam zal boer worden. Als dat zo is, wijst 2:5 niet op een gebrek aan vegetatie in het algemeen, maar op het gebrek aan bepaalde, door de mens te verzorgen soorten, zoals God Jahweh die in de Hof van Eden zou planten.

Daarom moeten we juist het tegenovergestelde van Keller concluderen. Waar hij beweert dat we niet zowel hoofdstuk 1 als hoofdstuk 2 als “directe verslagen van historische gebeurtenissen” kunnen lezen en dat hoofdstuk 2 meer dan hoofdstuk 1 de “natuurlijke volgorde” laat zien, kunnen we zeer zeker beide hoofdstukken als historisch en letterlijk lezen.

Keller neemt genre en tijdsargumenten samen en concludeert:

Dus wat betekent dit? Het betekent dat Genesis 1 ons niet leert dat God de wereld in zes dagen van elk vierentwintig uur heeft geschapen. Natuurlijk leert het ons evenmin evolutie (…). Maar het sluit niet bij voorbaat de mogelijkheid uit dat de aarde extreem oud is.

Maar Kellers beide gronden om Genesis 1 niet letterlijk te nemen zijn op z’n zachtst gesproken zwak gebleken.4 Daarentegen blijven E.J. Youngs sterke argumenten voor het letterlijk, historisch lezen van Genesis 1, waarvan we hier een paar hebben bekeken, stevig overeind. Met recht verheven proza èn waar!

kusterosie-pixabay

Wiens gezag?

Voor we doorgaan naar Kellers tweede vraag, nog een woord over het gezag van de tekst. Keller stelt dat we “het gezag van de Bijbelschrijvers moeten respecteren”. Zijn woorden lijken op wat John Walton zei in toespraken op een conferentie die ik in september 2015 heb bijgewoond.5 Walton sprak vaak over “het gezag van de tekst” en verklaarde dat dit gezag berustte op de oorspronkelijke bedoeling “zoals die door de mensen die deze tekst het eerst ontvingen werd begrepen”. Maar wat bij zowel Keller als Walton mist, is de erkenning dat de hele Schrift door God is geïnspireerd (2 Tim. 3:16) en dat de belangrijkste auteur daarom de Heilige Geest is (2 Pet. 1:21). Wij worden niet opgeroepen alleen maar het gezag van de menselijke schrijvers of van de tekst te respecteren, maar van God Zelf. Daarom zijn er Schriftgedeelten waarvan de aanvankelijke bedoeling van de menselijke schrijver – voor zover wij dat kunnen ontdekken – niet zo ver reikt als de goddelijke bedoeling. (Denk hierbij bijvoorbeeld aan bepaalde Messiaanse Psalmen als 2 & 110, of het uitdrukkelijke bevel de os niet te muilbanden als hij aan het dorsen is – Deut. 25:4; vgl. 1 Cor. 9:9; 1 Tim. 5:18). En zo vertelt Petrus ons dat de Oudtestamentische profeten zeer zorgvuldig naspeurden op welke tijden en omstandigheden de Geest doelde als het ging om de dingen die zij over Christus profeteerden – daarmee aangevend dat de profetieën boven de eigen kennis van de profeten uitgingen. Hij voegt er aan toe dat dit dingen zijn waarin zelfs engelen begeren een blik te slaan (1 Pet. 1:10-12). Daarom is het duidelijk dat de belangrijkste auteur van de Schrift de Heilige Geest is en dat het gezag van de tekst allereerst in zijn bedoelingen rust. Hierom is een van de eerste regels van uitleg Schrift met Schrift te vergelijken. Dit boek is Gods Woord! Laten we daarom met grote zorgvuldigheid omgaan met het Woord van God – met groter zorg dan Keller op dit punt doet. En laten we concluderen dat de tekst van Genesis 1 zelf duidelijk aangeeft dat het letterlijk, historisch en chronologisch gelezen moet worden (Keller heeft tenminste niet bewezen dat het anders is).

Vraag 2: Als biologische evolutie waar is, verklaart het dan alles?

Laten we daarom naar Kellers tweede vraag gaan. Deze vraag van een “leek” gaat echt in op een probleem: “Als biologische evolutie waar is, betekent dat dan dat we slechts dieren zijn, die door onze genen worden gedreven en dat alles van ons door natuurlijke selectie kan worden verklaard?” Keller geeft dit korte antwoord: “Nee, geloof in evolutie als een biologisch proces is niet hetzelfde als geloof in evolutie als een wereldbeeld.”

ruimte_sterren.pexels

Twee betekenissen van “evolutie” – EBP vs. GTE

Bij zijn uitleg van deze vraag en zijn antwoord onderscheidt Keller evolutie in twee betekenissen:
1. Evolutie als een middel dat God gebruikte om te scheppen. Of zoals Keller het zegt: “menselijk leven werd door evolutionaire biologische processen (EBP) gevormd”.
2. Evolutie “als de verklaring van ieder aspect van de menselijke natuur,” wat hij de “Grote Theorie van Alles”(GTE) noemt.

Op soortgelijke wijze hebben een paar Canadees-gereformeerde schrijvers gepleit voor het onderscheid tussen “evolutie” en “evolutionisme”.6 Het probleem dat Keller onder de loep neemt is dat zichzelf noemende “evolutionaire creationisten” – zoals die leden bij Biologos geneigd zijn zich te noemen – uiteindelijk toch dezelfde kritiek van zowel creationisten als evolutionisten krijgen, namelijk dat je geen theorie van biologische evolutie kunt aanhangen zonder tegelijk atheïstische evolutie in zijn geheel te omarmen. In wezen beweren beide groepen critici dat evolutie een totaalpakket is – een wereldbeeld, een perspectief op het geheel – en je kunt er niet zomaar een deel van isoleren. Keller suggereert zijn medeleden bij Biologos dat de meeste Christelijke leken moeite hebben met het maken van onderscheid tussen EBP en GTE. Zij vinden het moeilijk te begrijpen dat het mogelijk is hun binding aan evolutie te beperken tot “de wetenschappelijke onderzoeken van de wijze waarop God – op biologisch niveau – bezig is geweest met zijn scheppingsprocessen” (Keller haalt hier David Atkinson aan). “Hoe kunnen we hen helpen?” vraagt Keller, want “dit is precies het onderscheid dat zij moeten maken of zij zullen nooit het belang van EBP toestemmen”. Hij zegt niet meer dan dat Christelijke predikanten, theologen en wetenschappers maar moeten blijven benadrukken dat zij evolutie als de Grand Theory of Everything (GTE) niet ondersteunen.

Kellers nuttige kritiek op evolutie als de Grand Theory of Everything

Om dit te ondersteunen geeft Keller een korte maar zinvolle analyse die laat zien dat evolutie als de Grote Theorie van Alles (GTE) zichzelf tegenspreekt. Hij roert dit in zijn lezing even aan en in een online video, waar ik straks nog wat uit aanhaal, gaat hij hier verder op in. Aan de basis ligt volgens degenen die aan evolutie als de verklaring van alles (GTE) vasthouden dat religie alleen maar ontstaan is, omdat het op de één of andere manier onze voorouders moet hebben geholpen te overleven (survival of the fittest – de sterksten overleven). Eigenlijk, zo zeggen zij, weten we allemaal dat er geen God is, geen hemel, geen goddelijke openbaring. Zulke dingen zijn valse geloven. Maar als dat het geval is, argumenteert Keller, dan heeft natuurlijke selectie onze geest ertoe gebracht ter wille van onze overleving in valse dingen te geloven. Verder, als de menselijke geest vrijwel universeel een soort geloof in God heeft gehad, aan religieuze praktijken deelnam en absolute morele waarden aanhing, en als dat alles in werkelijkheid vals is, dan kunnen we van niets wat onze geest ons zegt zeker zijn, dus ook niet van evolutie als de grote theorie van alles. Daarom is evolutie in de zin van GTE op zichzelf genomen absurd. In de online video gaat Keller wat dieper op dit probleem in, waar tegenstanders van het Christelijk geloof en religie in het algemeen proberen het “weg te verklaren”. Keller stelt:

C.S. Lewis zei het enige jaren geleden zo: “Je kunt niet doorgaan met alles voortdurend weg te verklaren zonder dat je tot de ontdekking zult komen dat je verklaring zelf hebt wegverklaard.”

Breuk

Keller, in het voetspoor van Lewis, illustreert dat “wegverklaren” met “door iets heen kijken”: Je kunt door een raam naar iets kijken dat ondoorzichtig is. Maar als alles wat we hadden ramen waren – een volledig transparante wereld – zou alles onzichtbaar zijn en tenslotte zou je totaal niets zien. “Door alles heen zien is helemaal niet zien.” Hoe pas je dat toe op onze discussie? Keller laat dan zien dat veel universele claims zichzelf tegenspreken.

Indien, zoals Nietsche zegt, alle waarheidsclaims alleen maar een graaien naar macht is, dan is zijn claim dat ook, dus waarom naar hem luisteren? Als, zoals Freud zegt, alle ideeën over God alleen maar psychologische projecties zijn om met onze schuld en onveiligheid om te gaan, dan is ook zijn beeld van God een projectie, dus waarom zou je naar hem luisteren? Indien, zoals de evolutionaire wetenschappers zeggen, dat wat mijn hersens me over moraal en God zeggen niet echt is – het zijn maar chemische reacties, ontworpen om mijn genetische code door te geven – dan is wat hun hersens hun over de wereld vertellen dat ook, dus waarom naar hen luisteren? Uiteindelijk is het door alles heen zien niet zien.

Als gewoonlijk is Keller een deskundig apologeet van het Christelijk geloof. Hij helpt ons evolutie als de Grote Theorie van Alles tegen te staan. Niettemin hoorde ik een andere prominente evolutionaire creationist, Denis Alexander, op een onlangs gehouden conferentie (2016) vragen beantwoorden en wikken en wegen over ons gebrek aan kennis wat betreft het tijdstip waarop “religiositeit” zich onder onze voorouders het eerst ontwikkelde. Dus ondanks Kellers nuttige kritiek lijkt tenminste één van zijn medeleden bij Biologos te denken dat religiositeit een geleidelijk ontwikkelde eigenschap is (of op zijn minst ruimte te geven voor dit standpunt).

Maar Keller bewijst niet dat EBP niet naar GTE leidt

Hoewel ik een nuttig gedeelte van Kellers lezing voor het voetlicht heb gehaald, was het belangrijkste dat hij moest doen bewijzen dat je bij een aanhangen van de theorie van evolutionaire biologische voorouders voor mensen (en alle andere levende wezens) nog geen aanhanger van evolutie als de grote theorie van alles (GTE) hoeft te zijn. Maar hij bewijst dit niet en doet er ook niet echt een poging toe. Hij zou de noodzaak daartoe niet gevoeld kunnen hebben door het publiek dat hij toesprak – hij hield zijn speech voor Biologos, een organisatie die EBP aanhangt, maar vanwege de christelijke leden GTE wil vermijden. Niettemin is dit het werkelijke punt in geding.

Adam

Kunnen en zullen Christenen in staat zijn zich tot EBP te beperken zonder naar GTE toe te schuiven?

Ik betwijfel ernstig of Christenen erin kunnen of zullen slagen om evolutie als EBP te aanvaarden zonder daarbij de weg die leidt naar evolutie als GTE te vermijden. Hier volgt kort de reden waarom. Ik denk dat zodra iemand EBP aanneemt de volgende stellingen ook moeten worden geaccepteerd (of als hypotheses en theorieën, of als vaste standpunten):
1. Adam en Eva hadden biologische voorouders uit wie zij zich hebben ontwikkeld – een soort van chimpachtige schepselen. Deze “chimps” hadden net als alle schepselen op hun beurt weer andere biologische voorouders en familieleden. Eigenlijk is er een hele fylogenetische stamboom of ketting van evolutionaire ontwikkeling die bij de Big Bang begint. Alle leven heeft in de vorm van de eenvoudigste levensvormen, zoals planten, gemeenschappelijke voorouders. Op een bepaald moment, nog voor die tijd, vond de overgang plaats van levenloze dingen naar de eerste levende cel (sommige evolutionaire creationisten beweren dat God iets bovennatuurlijks heeft gedaan om de overgang van levenloze dingen naar een levende cel mogelijk te maken).7 2. Geleidelijke ontwikkeling vereist superveel tijd. “Een veelvoud van lijnen van convergerend bewijs” lijken ons te zeggen dat het universum 14,7 miljard jaar oud is, de aarde ongeveer 4,7 miljard en dat leven ongeveer 3 miljard jaar bestaat, terwijl het menselijk leven waarschijnlijk zo’n 400.000 jaar oud is (deze aantallen kunnen variëren; toevallig denk ik dat 6-10 duizend jaar op zichzelf al aardig oud is!).
3. Mensen hebben geen zielen; ze zijn gewoon materiële wezens. Dit wordt door Biologos en andere theologen en filosofen gepromoot.8 Niet alle evolutionaire creationisten zouden het hiermee eens zijn; sommigen zeggen dat God toen Hij de mens naar zijn beeld “maakte”, hem een ziel gaf, anderen dat de ziel op een bepaald tijdstip in de evolutionaire geschiedenis uit hersenprocessen van hogere orde “te voorschijn kwam”.
4. De wereld wordt steeds beter, in een voortdurende ontwikkeling van chaos naar toenemende orde, of van slecht naar goed naar beter naar best. Dit veroorzaakt voor de aanhangers van deze stelling grote moeilijkheden met de leer van de zondeval, redding in Christus en de radicale overgang naar de nieuwe schepping.
5. De aarde is, zo lang er dierlijk leven heeft bestaan, vol van geweld geweest. Keller geeft in zijn lezing toe hoe hachelijk dit is: “Het proces van evolutie gaat er echter van uit dat geweld, plundering en dood nu juist de motor zijn waardoor leven zich ontwikkelt.” Dit levert enorme moeilijkheden op voor de leer van de goede aanvangsschepping en de zondeval.
6. God moet zich meer op de achtergrond hebben gehouden. De orde van het universum komt voornamelijk voort uit het zich ontplooien van de inherente krachten en structuren die God in die aanvankelijke bijzonderheid, Big Bang genaamd, moet hebben gelegd. Met deze theorie gaat een opschuiven richting Deïsme gepaard. Veel van wat de Bijbel aan Gods scheppingsmacht en wijsheid toeschrijft, behoort eigenlijk tot zijn voorzienigheid en die was waarschijnlijk nogal beperkt.
7. De aard van God moet op een andere wijze worden verstaan – in het bijzonder zijn goedheid – als de schepping vanaf het begin een “eten of gegeten worden” was.10, Peter Enns (die zich nu alleen nog maar houdt aan de Apostolische Geloofsbelijdenis en de Bijbel beschouwt als afkomstig van de Israëlieten en niet van God)11, en Edwin Walhout (die pleitte voor het herschrijven van de leer over schepping, zonde, redding en voorzienigheid).12 Massa’s theologen en wetenschappers, verbonden met Biologos, het Faraday Instituut en de Canadian Scientific and Christian Affiliation, proberen dapper hun christelijk geloof met evolutie te combineren. En het geld van de Templeton Foundation zorgt er wel voor dat pamfletten, presentaties, conferenties en boeken deze standpunten onder het christelijk publiek verspreiden. Het vasthouden aan Dooyeweerds filosofie van soevereiniteit in eigen kring kan sommigen van deze christenen helpen hun biologie, geologie en geloof in aparte hokjes op te delen, maar Dooyeweerds filosofische school is in het verleden onder ons al onderwerp van stevige kritiek geweest en wel precies op dit punt.13 Ik vrees dat de dissonantie tussen EBP zelf en het historische, belijdende christelijke geloof zal bewijzen het voor christenen extreem moeilijk te maken, zo niet onmogelijk, om hun geloof met EBP te combineren. Ik betwijfel ook of evolutie als uitsluitend EBP wel zo gemakkelijk gehandhaafd kan worden.

Vraag 3: Als biologische evolutie waar is, waar komen dan zonde en lijden vandaan?

Keller verwoordt deze “lekenvraag” als volgt: “Als biologische evolutie waar is en er geen historische Adam en Eva waren, hoe kunnen we dan weten waar zonde en lijden vandaan komen?” Hij antwoordt kort:

Geloof in evolutie kan samengaan met een geloof in een historische val en een letterlijke Adam en Eva. Er zijn veel onbeantwoorde vragen rond deze kwestie en dus moeten Christenen die geloven dat God evolutie gebruikte openstaan voor elkaars standpunten.

Keller vindt de “zorgen van deze vraag veel meer grond hebben” dan de eerste twee vragen. Onder verwijzing naar de eerste twee vat hij samen: “Ik geloof niet dat je Genesis 1 als een letterlijk verslag moet nemen en ik vind niet dat als je gelooft dat menselijk leven door EBP ontstond, je automatisch ook evolutie als GTE moet ondersteunen.” Maar bij deze derde vraag wil hij wel vasthouden dat Adam en Eva historische figuren zijn geweest en niet alleen maar symbolen. In dit opzicht verschilt hij van degenen die vrijzinniger met de tekst van Genesis 1-3 omgaan.

slang_venster-pixabay

Gedeeltelijk overeenstemming met Keller

Wat de laatste vraag die Keller behandelt betreft, vind ik dat hij weer een paar sterke en waardevolle punten maakt, maar uitkomt bij oplossingen die niet werken. Zijn zorg is dat als de kerk het geloof in een historische zondeval loslaat, dit “ons vasthouden aan historische confessionele dogma’s op bepaalde cruciale punten zou kunnen verzwakken”. Twee van die punten zijn de betrouwbaarheid van de Schrift en het Schriftuurlijk onderwijs over zonde en redding. Hij beweert terecht dat “de sleutel voor interpretatie de Bijbel zelf is”. Hij voegt er aan toe dat hij niet van mening is dat Genesis 1 letterlijk moet worden genomen, omdat hij vindt dat de auteur zelf dit niet heeft bedoeld. We hebben echter hierboven zijn argumentatie gewogen en te licht bevonden. Zijn principes klinken goed, maar hij brengt ze niet in praktijk. Bovendien laat hij na te spreken over de werkelijke auteur van de Schrift, namelijk de Heilige Geest. Keller haalt met instemming Kenneth Kitchen aan en wil daarmee zeggen dat de ouden er niet op uit waren om van hun mythes geschiedenis te maken, m.a.w. hun mythes waren echte geschiedenis. Zij waren er veel meer op uit om van hun geschiedenis mythes te maken, waarbij zij actuele personen en gebeurtenissen “in mythologische termen” eerden. Daar kunnen we het mee eens zijn. Dit ondersteunt het standpunt dat de oorspronkelijke boodschap die de waarheid is in Genesis staat en dat de mythes van de omliggende naties hiermee aan de haal zijn gegaan.14

Het Derek Kidner model

In 1967 publiceerde Derek Kidner, een Britse Oudtestamenticus in de Anglicaanse Kerk, een commentaar op Genesis, waarin hij het vermoeden uitsprak dat het schepsel waarin God leven heeft geademd (Gen. 2:7), behoord zou kunnen hebben tot een reeds bestaande soort, waarvan “lichamelijke en culturele resten (fossielen, botten, grottekeningen, neem ik aan) laten zien dat ze heel intelligent waren, maar niet op het niveau van Adam stonden”. Vandaar concludeert Keller: “Dus in dit model was er een plaats in de evolutie van menselijke wezens, toen God één uit de bevolking van gereedschappenmakers nam en hem met het ‘beeld van God’ begiftigde.” Maar hier rijst een probleem met alle andere gereedschappenmakers. Zij zouden biologisch verwant zijn met Adam, maar niet geestelijk verwant. Kidner stelde toen een tweede stap voor: “God kan nu zijn beeld aan Adams verwanten hebben geschonken om hen in hetzelfde bestaansrijk te brengen.” Daarna, als Adam als vertegenwoordiger van hen allen wordt genomen, zouden zij allemaal door God beschouwd kunnen worden alsof zij ook door de val waren aangetast. Dit laatste zelfs ondanks het feit dat zij niet fysiek van Adam en Eva afstamden (Terzijde: dit soort ideeën zijn door bepaalde gereformeerde theologen overgenomen; zij benadrukken dat Adam moet worden gezien als federaal hoofd of hoofd van het verbond, ondanks het feit dat historisch gezien Gereformeerde theologen dit hoofd zijn nooit van zijn fysieke hoofd zijn hebben gescheiden).

study-862994_1280

“Laat ons mensen maken naar ons beeld”

Wat in Kidners verslag en Kellers overweging ontbreekt is voldoende aandacht voor de taal van Genesis. God heeft niet eenvoudig een bestaand wezen aangewezen om met zijn beeld begiftigd te worden. Maar God kwam in zijn raad tot een besluit en heeft dat specifiek en duidelijk geuit: “Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis, opdat zij heersen over…”(Gen. 1:26). Vervolgens vers 27, dat drie maal het woord “schiep” gebruikt, waar staat: “En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hen; man en vrouw schiep Hij hen.” Op die wijze sprak God van het “maken” en “scheppen” van de mens in hoofdstuk 1, terwijl in hoofdstuk 2 de wijze van dit scheppen werd gespecificeerd: “toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem” en “bouwde de rib, die Hij uit den mens genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar tot de mens” (2:7, 22). Om te spreken van slechts een begiftiging of schenking van Gods “beeld” aan een bestaande hominide, een Neanderthaler of wat het dan ook was, doet geen recht aan termen als “schiep”, “maakte”, “formeerde” en ‘bouwde”.

Lijden en dood al vóór de val?

Als hij naar het probleem van de dood vóór de val gaat, erkent Keller dat dit een heel prominente vraag is. Hij stelt geen volledig antwoord voor, maar noemt een aantal punten waardoor leden van Biologos andere Christenen zouden kunnen helpen deze zorgen te boven te komen. Hij doet dit door de schijnwerper te richten op aspecten van de schepping die in zijn ogen laten zien dat “er niet vanaf het eerste ogenblik een perfecte orde en vrede in de schepping was”. Deze aspecten zijn inclusief de aanvankelijke chaos die God in de volgende scheppingsdagen moest “onderwerpen”, de aanwezigheid van Satan, het feit dat de wereld nog niet “in een verheerlijkte, perfecte staat” was en het standpunt dat er toch zeker een soort dood en verderf moest zijn geweest, anders zou het fruit aan de bomen niet verteerbaar zijn geweest. Wat voor antwoord hierop te geven?

mens_en_aap_verarmde_organismen_verval

Ten eerste moeten we benadrukken waar de Schrift de nadruk op legt: “En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed” (Gen.1:31), de climax van alle andere bevestigingen van de goedheid van de schepping in dat hoofdstuk (Gen. 1:4,9,12,18,21,25). In de tweede plaats kunnen we ermee instemmen dat er goede bacteriën waren om voedsel te verteren, want God gaf alle planten als voedsel (Gen. 1:30; vgl. Gen. 9:3) en zelfs in de nieuwe schepping zal het geboomte des levens elke maand vrucht dragen en zijn bladeren zullen ter genezing worden gebruikt (Op. 22:2). Hoewel Openbaring dit symbolisch beschrijft, is de idee van de dood van planten op een bepaalde manier niet strijdig met de nieuwe schepping (vgl. Jes. 65:25). Daarom zijn spijsvertering en de dood van planten voor de val iets goeds, niet iets slechts. Ten derde moest God de chaos niet onderwerpen alsof het een actieve kracht tegen Hem was. Veeleer nam Hij zes dagen om wat Hij op de eerste dag had geschapen, te vormen en te modelleren, zo dat Hij het patroon van ons leven zou bepalen en zichzelf als een God van kracht, wijsheid, orde en liefde zou manifesteren. Tenslotte is het zo dat de aanwezigheid van Satan Gods scheppingswerk als zodanig niet incompleet of slecht maakt. Maar meer dat Satan had gekozen om te rebelleren, de hemelse vrede had verwoest, maar nog niet onze menselijke rebellie had opgewekt. Dus geen van Kellers punten blijft in stand en zeker geen ervan voorziet ook maar in enig Schriftuurlijk bewijs hoe dan ook van lijden en dood vóór de val. We moeten dan ook met kracht elke suggestie mijden dat God degene is die verantwoordelijk is voor zonde, kwaad en lijden of dat lijden en kwaad alleen maar natuurlijke ontwikkelingen zijn en niet een gevolg van onze zonde.

Geestelijke dood, niet lichamelijk?

Een laatste poging van Keller om al voor de val wat ruimte voor lijden en dood te vinden vloeit voort uit het onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke dood. Als je aangeeft dat de dreiging van de dood in Genesis 2:17 en de vloek van de dood na de val alleen maar wijst op een geestelijke dood, dan zijn al de honderdduizenden jaren met dode dieren voor Adam en Eva geen probleem. Zoals Keller schrijft: “Maar het gevolg van de Val was ‘geestelijke dood’, iets wat geen wezen in de wereld had gekend, omdat niemand ooit naar het beeld van God was geweest.” Let erop dat dit simpel een gevolgtrekking is uit de idee dat God zijn beeld tenminste aan twee hominiden (of wat ze ook maar waren) had “geschonken” en hen daardoor had “uitgekozen” om mensen te zijn. Vóór dit alles waren alle schepselen alleen maar dieren. Deze scheiding van lichamelijke en geestelijke dood is echter kunstmatig. Het refrein van Genesis 5: “en hij stierf”, onderstreept hoe de vloek op de schepping zijn uitwerking vond op een heel lichamelijke manier. We realiseren ons dat Adam en Eva niet op het ogenblik zelf dat zij ongehoorzaam waren lichamelijk dood neervielen. Maar op datzelfde moment begaven zij zichzelf wel op het pad naar de dood, stonden op tegen God en liepen hard weg van de Schepper van het leven. Alleen in de belofte van het Zaad konden zij nog hoop vinden – zowel lichamelijk als geestelijk.

kustlijn_vuurtoren-pixabay

Conclusie

Ik denk niet dat Kidners model of Kellers pogingen om retorische suggesties aan zijn mede Biologos leden te doen ook maar enig Schriftuurlijk gewicht in zich hebben. Dit zijn pogingen om theorieën te accommoderen die eenvoudig niet passen bij de boodschap van de Schrift. Ook ben ik het niet met Keller eens dat de juiste houding voor de kerk is een “grotere tent” te hebben, waarin we samen vreedzaam kunnen spreken over de manieren waarop we als Gereformeerde Christenen de Schrift zouden kunnen aanpassen aan het standpunt dat mensen door evolutionaire biologische processen van andere soorten afstammen. Ik ben ervan overtuigd dat zulke standpunten ernstige dwalingen zijn die buiten de kerk van Christus moeten worden gehouden. Zij verstoren de vrede. Daarom is het verdedigen van de kerk daartegen het behoud van de vrede daarbinnen. Hoewel ik veel van Kellers publicaties over apologie en kerkplanting waardeer en mijn waardering in het bijzonder heb uitgedrukt voor de manier waarop hij gewezen heeft op de absurditeiten van een aanhangen van evolutie als de “uitleg van alles”, hoop ik dat deze recensie Gereformeerde en Presbyteriaanse kerken zal helpen vast te blijven houden aan wat zij in hun confessies verklaren. God heeft binnen de ruimte van zes dagen alles goed geschapen. Hij heeft ons – vanaf het eerste ogenblik van ons bestaan – gemaakt tot zijn vice-regenten, die Hem vertegenwoordigen in de schepping en die aan Hem verantwoording schuldig zijn. Wij hebben ons aan zijn vijand verbonden, toen we op Satans voorstel ingingen. Daarom zijn wij verantwoordelijk voor zonde en dood, het is onze fout, niet Gods fout. Maar dank aan God dat zijn werk van genade in Jezus Christus de weg heeft geopend naar vergeving, nieuw leven en uiteindelijk een nieuwe schepping.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van Reformed Perspective. De volledige bronvermelding luidt: Raalte, T.G. van, 2016, Countering a Reformed conservative’s case for evolution. Examining Tim Keller’s white paper Creation, Evolution, and Christian Laypeople, Reformed Perspective 35 (6): 12-20.

Voetnoten

  1. Zie Keller’s lezing online op http://biologos.org/uploads/projects/Keller_white_paper.pdf. Bezocht op: 25-3-2016. Deze paper is door ForumC vertaald: http://geloofenwetenschap.nl/index.php/faraday-papers/item/465-schepping-evolutie-en-gewone-gelovigen
  2. Zië: http://reformedacademic.blogspot.ca/2010/03/tim-keller-on-evolution-and-bible.html. Geraadpleegd op 27-2-2016.
  3. Voor dit debat zie: https://adaughterofthereformation.wordpress.com/2012/04/04/is-dr-tim-keller-a-progressive-creationist/. Geraadpleegd op 27-2-2016.
  4. Zie daarbij Kellers noot 17 op blz.14, verbonden aan een ander deel van zijn lezing, waar hij beweert dat proza beeldspraak kan gebruiken en poëzie letterlijke taal kan gebruiken. Hij lijkt dan zijn eigen argumentatie tegen te spreken.
  5. Zie mijn blog op http://creationwithoutcompromise.com/2016/02/03/the-lost-world/.
  6. Zie bijvoorbeeld http://reformedacademic.blogspot.ca/2010/03/respons-to-clarion-s-ten-reasons.html. Geraadpleegd op 24-02-2016.
  7. 8. Als voorbeeld van een evolutionair creationist die een poging doet tot verdediging van de evolutionaire verbinding tussen reproductie door het leggen van een ei en voortplanting met ondersteuning van een placenta, zie Dennis Venema’s recente opstellen over vitellogenin and common ancestry op Biologos. Zie http://biologos.org/blogs/dennis-venema-letters-to-the-duchess/vitellogenin-and-common-ancestry-does-biologos-have-egg-on-its-face. Geraadpleegd op 25-2-2016.
  8. Zie mijn opstel: “In Between and Intermediate: My Soul in Heaven’s Glory”, in As You See the Day Approaching: Reformed Perspectives on the Last Things, ed. Theodore G. Van Raalte (Eugene, OR: Wipf & Stock, 2016), 70-111.
  9. Zie https://sixteenseasons.wordpress.com/2014/12/04/evolution-and-the-gallery-of-glory/.
    Geraadpleegd op 27-2-2016.
    8. De Schrift moet opnieuw geïnterpreteerd worden. Het gezag van Gods Woord valt onder de bijl vanwege de exegetische, gymnastische toeren die vereist zijn om zich aan EBP aan te passen. De Schrift bedoelt kennelijk niet langer wat zij lijkt te bedoelen. Dit opent de weg naar de herinterpretatie van alles wat in de Bijbel staat.

    meer_bergen_spiegelbeeld.pixabay

    Waar ligt de scheidslijn?

    Kortom, Kellers kritiek op evolutie als de Grote Theorie van Alles (GTE) is nuttig. Maar het lukt hem niet te laten zien dat vasthouden aan evolutionaire biologische processen (EBP) niet automatisch de deur naar evolutie als GTE open doet. Feitelijk kan het vermijden van evolutie als GTE door zijn kritiek tenslotte onmogelijk worden gemaakt. Dit komt omdat evolutie op zich grotendeels afhangt van atheïstische vooronderstellingen. En in feite is het heel moeilijk om precies te bepalen waar de scheidslijn tussen evolutie als EBP en als GTE ligt. Ik ben bang dat het een glijdende schaal is, afhankelijk van welke wetenschapper of theoloog zijn standpunten presenteert. Als er één schaap over de dam is…, u kent de rest.

    De academische en religieuze ontwikkelingsgang van voorheen orthodoxe en gereformeerde wetenschappers laat zien hoe moeilijk het is evolutie uitsluitend als EBP te handhaven. Ik denk aan mannen als Howard Van Till (die nu meer een “vrijdenker” is)9Zie https://yinkahdinay.wordpress.com/2012/12/25/howard-van-tills-lightbulb-moment/. Geraadpleegd op 26-2-2016.

  10. Zie zijn boek The Evolution of Adam (Grand Rapids: Brazos Press 2012), ix-xx, 26-34.
  11. Zie https://yinkahdinay.wordpress.com/2013/05/08/walhout-gets-it/. Geraadpleegd op 26-2-2016.
  12. Bijv. zie J. Douma, Another Look at Dooyeweerd (Winnipeg: Premier Printing, 1981).
  13. Zie opmerkingen door E.J.Young in de bespreking van het genre van Genesis 1.
M
"

Artikelen

Artikelen