Het leven van Jezus is een historisch gegeven waarvan ook Romeinse bronnen melding maken. Hieronder volgen een aantal van die buiten-bijbelse bronnen.

Ten eerste is daar de Joods-Romeinse geschiedschrijver Flavius Josephus. In de Joodse opstand was hij legerleider, maar werd door de Romeinen gevangen genomen. Tijdens zijn gevangenschap ontving hij een droom dat de romeinse bevelhebber Vespasianus keizer zou worden. Spoedig verspreidde zich dit nieuws in heel het Oosten. De droom van Josephus kwam uit, maar pas nadat er eerst nog een andere keizer aan het bewind kwam. Toen later Vespasianus keizer was, herinnerde hij zich Josephus en hij stelde hem in vrijheid daarin gesteund door zijn zoon Titus. Josephus werd het Romeins burgerrecht verleend. De tijd voor het schrijven van zijn geschiedkundige werken was aangebroken.

In zijn boek Joodse Oudheden, boek 18, nr. 772 (of 63-64) staat het zogenaamde Testimonium Flavianum, dat Josephus wel eens de naam van vijfde evangelist opleverde, omdat hij daar iets van het leven van Jezus beschrijft: “Ten dien tijde was er een zekere Jezus, een wijs mens, indien men hem anders een mens noemen mag, want zijn werken waren wonderbaar. Hij onderwees degenen die graag van de waarheid onderricht wilden zijn en Hij werd nagevolgd niet alleen door veel Joden maar ook door veel heidenen. Deze was de Christus, die nadat hij door de oversten van ons volk bij Pilatus was aangeklaagd, door zijn bevel gekruisigd werd. Doch die Hem bij zijn leven lief hadden, verlieten Hem na Zijn dood niet, want Hij is aan hen op de derde dag weer levend verschenen gelijk de goddelijke profeten, nevens andere wonderlijke dingen, van Hem voorzegt hadden. En van Hem is het dat de Christenen die tegenwoordig bestaan, hun naam ontleend hebben.” Sinds de 17e eeuw wordt deze passage door sommigen als een al of niet gedeeltelijke invoeging gezien. Een tweede passage van Josephus wordt als authentiek gezien: “de broer van Jezus, die is genaamd Christus, wiens naam Jakobus is”, boek 20, nr. 856.

Een andere bron is Tacitus. Publius Cornelius Tacitus is volgens sommigen de grootste historicus van Rome. Hij was niet alleen geschiedschrijver, maar vervulde gedurende zijn leven verschillende staatsambten zoals quaestor (woordvoerder van keizer Titus), schatbewaarder, praetor (rechter), senator en proconsul (gouverneur) van de provincie Asia. Van hem ontlenen wij het volgende korte citaat dat staat in zijn Annalen (Jaarboeken), boek XV, 44: “Christus, aan wie tijdens de regering van Tiberius door procurator Pontius Pilatus de doodstraf was voltrokken.”

Verder zijn er vermeldingen in een brief van Plinius de Jongere. Plinius de Jongere was een neef en later adoptiefzoon van Plinius de Oudere, die ridder was en later adviseur tijdens het keizerschap van Vespasianus. Plinius de Jongere was staatsman, schrijver, consul en later gouverneur van Bithynia. Hij heeft ook aan Tacitus geschreven. In Brieven X, 96, schreef hij aan keizer Trajanus over de Christenen, die vanwege hun godsdienst werden vervolgd. In deze brief wordt niet alleen Christus genoemd, maar ook enige waardevolle inlichtingen gegeven over de christenen die toen leefden. “… dat zij altijd op een bepaalde dag voordat het licht wordt samenkomen en om beurten bij zich een gebed zeggen tot Christus als God, verder bij sacrament (i.e. het uitspreken waarmee het rechtvaardig makende geloof wordt beleden, P.K.), dat zij niet een of andere misdaad begaan, in ieder geval niet stelen, noch roverij noch overspel plegen, noch een woord niet nakomen, noch opgevraagd in bewaring gegeven goed weigeren terug te geven. Als ze dat hebben gedaan zijn ze gewoon uiteen te gaan en verder nemen ze een maaltijd tot zich, gemeenschappelijk en veilig.”

Tenslotte zijn er twee teksten te vinden bij Suetonius. Gaius Suetonius Tranquillus was een jurist, geleerde en biograaf. Hij diende onder Plinius de Jongere toen deze gouverneur was van Bithynia en later was hij bibliothecaris en archivaris bij keizer Trajanus. In zijn biograaf over Claudius 25,4 schreef hij: “de Joden die op aandrang van Chrestus tumult veroorzaakten, verbande hij uit Rome.” Nu zijn er sommigen die beweren dat Chrestus een meer voorkomende naam was en niet op Christus zou duiden, terwijl anderen beweren dat er sprake is van een schrijffout. Frappant is dat in de Handelingen van de apostelen 18:2 wordt geschreven over het edict van Claudius, dat alle Joden uit Rome moesten vertrekken. Verder is er in de biograaf over Nero, 16,2 een passage waar staat: “de christenen (…) liet hij bestraffen.” Indirect wordt in deze tekst naar Christus verwezen.

Al met al kunnen we de conclusie trekken dat op grond van meerdere tekstgetuigen vaststaat dat Jezus Christus heeft geleefd.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Mr. P.A.C.H. Kerstholt is belastingadviseur en fiscaal intermediair.