The rise and triumph of the modern self – Deel 6

by | dec 15, 2022 | 07. Filosofie, Ethiek

The rise and triumph of the modern self – In dit deel 6 sluiten we onze analyse van het boek van Carl R. Trueman af. Deel 6. De fundamenten van de revolutie. 

The rise and triumph of the modern self

De andere inwoner van Genève p. 105

Jean-Jacques Rousseau en de fundamenten van het moderne zelfbeeld.

De wereld waarin wij leven wordt in toenemende mate gedomineerd door psychologische categorieën. De belangrijke problemen van deze tijd m.b.t. identiteit hebben alles van doen met psychologie. Rieff beschrijft onze tijd als dat van de psychologische mens en Taylor geeft aan dat in onze tijd de expressieve individu normatief is geworden. Zoals elk fenomeen heeft ook dit een historie. Als we die historie onderzoeken, wat zou dan het startpunt moeten zijn? Concepten, en diepe gedachten over het innerlijk van de mens en zijn wil treffen we al aan bij Paulus en bij Augustinus. In de Belijdenissen vinden we basis gereedschappen voor het karakteriseren van mensen als psychologische wezens. Maar willen we enige grip krijgen op de geschiedenis, dan is het goed om enkele kenmerkende en invloedrijke personen voor het voetlicht te brengen. Voor protestanten is Calvijn een belangrijke inwoner van Geneve. Voor begrip van onze cultuur is een andere Genevaan belangrijker: Jean-Jaques Rousseau, een van de sleutel intellectuele voorvaders van zowel de Franse revolutie als van het romanticisme. Hij was een van de helden van Sigmund Freud. Hij zocht de werkelijkheid in zichzelf en is zo in veel opzichten de grondlegger geweest voor de psychologische mens.

Rousseau’s Belijdenissen.

Rousseau is één van de meest invloedrijke denkers geweest over wat het betekent een Zelf te zijn en over de verhouding tussen de individu en de samenleving. Het psychologische innerlijke leven is voor Rousseau van vitaal belang. Dit blijkt duidelijk uit zijn autobiografie: Belijdenissen. Realiteit is dat wat zich in ons innerlijk afspeelt. Het boek Belijdenissen is een duidelijke heenwijzing naar het boek met dezelfde naam van Augustinus. De boodschap is echter expliciet tegengesteld. Het boek is een zorgvuldig samengesteld werk met een duidelijke filosofisch en didactisch doel.

De drie sleutelmomenten.

Het boek Belijdenissen bevat drie sleutelmomenten. Het eerste sleutelmoment is, als Rousseau vertelt dat een plaatsgenoot, Verrat hem verleidt om van Verrat’s moeder asperges te stelen zodat ze die zelf kunnen verkopen en wat geld verdienen. In zijn analyse van deze gebeurtenis komt hij tot de conclusie dat hij niet tot stelen gedreven werd door een zondige impuls, maar dat zijn bedoeling in de basis goed was. Hij wilde Verrat helpen. Het enige was, dat de wijze waarop hij dat deed moreel problematisch was. De andere conclusie was, dat de misdaad het resultaat was van sociale druk en niet van een inwendige aandrang. Zijn corruptie was in essentie het resultaat van zijn reactie op corrumperende omstandigheden. De overeenkomst met de Belijdenissen van Augustinus dringt zich op. Heel bekend is van Augustinus de belijdenis van het stelen van een aantal peren. Ook bij Augustinus verhaal was er sprake van sterke sociale druk. Ook bij Augustinus werd de misdaad niet gedreven door uitwendige oorzaken als armoede of honger en was geen sprake van persoonlijk gewin. Er is echter een zeer fundamenteel onderscheid tussen deze twee Belijdenissen. Voor Augustinus lag de morele fout bij hemzelf. Hij was intrinsiek een zondaar, kwaadaardig. En hij moet verantwoording afleggen tegenover de wet buiten hem (van God). Voor Rousseau is de natuurlijke menselijkheid fundamenteel gezond. Zondige handelingen komen voort uit sociale druk en conditionering. Voor Rousseau is de sociale orde de bron van bedrog, of onwaarachtigheid. Mannen en vrouwen worden goed geboren en vervolgens gecorrumpeerd door de samenleving die hen omringt.

Het tweede sleutelmoment maakt dit punt nog duidelijker. Het gaat hier om de omgang die Rousseau had met een prostitué in Venetië. Deze prostitué, Zulietta geheten is een zeer schone vrouw. Rousseau is hierdoor zo geïmponeerd, dat hij zich volstrekt inferieur voelt in de nabijheid van zo’n wonderlijk wezen. Dan echter ontdekt hij een misvorming bij een van haar tepels, en zijn gemoedstemming slaat volledig om. In plaats van een godin, ziet hij nu een kwaadaardig monster voor zich.     

Het derde sleutelmoment is, als hij op weg is naar zijn vriend Diderot en de prijsvraag onder ogen krijgt, een essay te schrijven over de vraag “Heeft de vooruitgang van de wetenschap en de kunsten bijgedragen aan het corrumperen of aan het zuiveren van de zeden?” Deze vraag heeft hem enorm gestimuleerd. Later beschrijft hij dit moment als een van zijn doorbraken. Rousseau kwam tot het inzicht dat mensen geen monsters zijn van nature, maar door sociale conditionering en het is de verbeelding die mystificeert en daardoor de werkelijke oorzaken van corruptie verbergt. Zuliette was geen godin en geen monster. Haar misvorming was niet veroorzaakt door een fout van haarzelf. Haar prostitutie was veroorzaakt door sociale omstandigheden en niet door een inwendig gebrek of fout.

De hypothetische en oerstaat van de natuur.

De essay die Rousseau instuurde voor de prijsvraag was enorm retorisch. Zijn discourse was een regelrechte aanval op de verlichting. In plaats van te beamen dat kunst en wetenschap bijdragen aan de civilisering,  beschuldigt Rousseau deze ervan, bij te dragen aan de knechting van de mens. Ze waren een wortel van de moderne kwalen. Volgens Rousseau leefde de mens voor het bestaan van allerlei instituties in een soort van natuurstaat. De mens had eenvoudige begeerten en die werden eenvoudig vervuld. Er waren weinig problemen. De maatschappij veroorzaakte de problemen. De natuurstaat is voor Rousseau niet zozeer historisch als wel een concept, een theoretisch construct, om onderscheid te kunnen maken tussen natuur en cultuur. Onderwijs is gevaarlijk. Ze leidt tot hypocrisie en kwaadaardigheid. De maatschappij maakt individuen corrupt.  In hoofdstuk 1 hebben we het gehad over het Hegeliaanse concept van Sittlichkeit. Een gedragscode waar men zich aan moet conformeren om tot de maatschappij te behoren en geaccepteerd te worden. Het is een basaal menselijk verlangen, ergens bij te horen en geaccepteerd te worden. Volgens Rousseau is het probleem dat deze Sittlichkeit spanning geeft die ambitie en competitie tot gevolg heeft en de neiging om de ander te benadelen. Authentieke zelfexpressie is daarom onmogelijk als men is geboren in een geciviliseerde samenleving. Om het modern te zeggen, men leeft dan een leugen.

De twee liefdes.

Rousseau maakt onderscheid tussen twee soorten liefde. De ene is “amour de soi-même (zelfliefde)” en de andere “amour propre”. In de natuurstaat had de mens alleen de zuivere eerste vorm van liefde, de zelfliefde. Deze liefde is nodig om in stand te blijven. De tweede liefde (amour propre) is het resultaat van rivaliteit en competitie zoals dat in de samenleving ontstaat. Het is negatief. Bestaat uit trots, competitiedrang, en verlangen naar superioriteit en heerszucht over anderen, zoals dat kenmerkend is voor de maatschappij. Weg is de onschuld. We leven in de competitieve sociale omgeving. Die genereert ongelijkheid, en onderlinge strijd. Het probleem is dus niet een bepaalde aangeboren perversie die de mens corrumpeert maar de sociale omgeving; de vreemde vragen die aan de mens worden gesteld. Daardoor vervreemdt de mens van zichzelf. Zijn geweten leert de mens daarin om empathie te hebben met de ander. Voor Rousseau is amour propre niet hetzelfde als zelfzuchtigheid. De zelfliefde in de natuurstaat ziet Rousseau als een staat van mededogen, en dat is dus fundamenteel aan de menselijke natuur. Dit mededogen is de bron van alle deugden waardoor de mens anderen helpt en bijstaat. Rousseau plant de grond van zijn ethiek in persoonlijk gevoel (sentiment). Empathie vormt de zelfliefde op zo’n manier dat mensen morele wezens worden. In de natuurstaat nam empathie de plaats in van wetten, morele regels en deugd.  Morele bevelen zijn dus gegrond op persoonlijk gevoel, een emotionele reactie op de omstandigheden. Het feit dat we van nature empathisch zijn, maakt ons moreel. Medelijden als basis voor de ethiek wijst ons op twee belangrijke punten in het denken van Rousseau. In de eerste plaats is er de sociale dimensie. De sleutel tot gepaste zelfliefde is dat de verlangens van het individu zijn verbonden met basis behoeften en die niet overschrijden. De basis van de sociale ethiek is de mogelijkheid om empathie te hebben en op anderen dezelfde principes toe te passen, als op ons zelf. Het tweede punt is, dat als de grond van de ethiek in het sentiment ligt, de esthetiek de sleutel is tot moraliteit.  Wetten maken mensen niet moreel. Dit is heel belangrijk en heeft grote invloed op de visie op onderwijs. In plaats van dat onderwijs een plaats is waarin het individu de regels van de samenleving leert, is onderwijs de plaats om te leren, je tegen dat soort culturele invloeden te beschermen. Door ethiek in het sentiment te plaatsen, zijn we nu uitgekomen bij een situatie dat mensen “goed” beschouwen als niet meer dan een persoonlijke emotionele voorkeur.

Het is belangrijk om te beseffen dat ons gevoel in de ethiek inderdaad belangrijk is. Er is echter een belangrijk verschil tussen de visie van Rousseau en die van de mens tegenwoordig. Tegenwoordig is er geen consensus over wat het is dat je empathie zou moeten opwekken. Is dat de ongeboren baby in de buik? Of is het de tienermoeder die vanwege een zwangerschap haar toekomst zich ziet ontglippen? Bij Rousseau is ethiek wel gegrond in het gevoel, maar dit is niet het emotivisme van tegenwoordig. Rousseau ziet empathie als iets dat universele stabiliteit biedt omdat het gegrond is op de betrouwbare bevestiging van dat er een universele menselijke natuur is en dus ook een gemeenschappelijk geweten. Er zijn belangrijke verschillen tussen de visie van Rousseau en die van traditionele protestanten. Rousseau beschouwt de menselijke natuur niet als aangeboren boos maar als intrinsiek goed. Hij ziet bij de mens geen spanning tussen de consciëntie en de wil, anders dan die door de maatschappij wordt veroorzaakt door een ontstoken amour propre. Volgens Rousseau is de mens op zijn best als deze handelt naar zijn natuur. Iemand is werkelijke vrij, als deze vrij is om zichzelf te zijn. Als we gevormd worden door de samenleving, zijn we niet vrij maar zijn we ten diepste slaaf. De toegang tot de echte werkelijkheid is dus niet gericht in de maatschappij maar ligt innerlijk, in onszelf.

Conclusie. Het belang van Rousseau

Hoewel weinig mensen de werken van Rousseau tegenwoordig gelezen hebben, zijn zijn denkbeelden diep geworteld en gangbare aannames van de westerse cultuur geworden. Zijn boeken werden in zijn tijd verslonden. Het duidelijkste is zijn invloed tegenwoordig zichtbaar in de focus  die er is op het inwendige psychologische leven als meest duidelijke weergave van de persoonlijke identiteit. Ten tweede zien we dat in de visie, dat het de mens van nature niet is die het probleem is, maar de maatschappij of de cultuur. De tegenstelling tussen cultuur en natuur die Rousseau schetst ligt in het hart van twee verschijnselen. Ten eerste van het expressief individualisme en ten tweede van het concept van waardigheid. Bij Rousseau is de individu het meest authentiek als deze handelt vanuit zijn innerlijke psychologische leven. Deze zienswijze komen we in de moderne identiteitspolitiek duidelijk tegen.  Bij de transgenderbeweging is het de innerlijke stem, die vrij van correcties de identiteit vormt.

Rousseau is een voorganger van Hegel, maar hij is zich er van bewust hoe het zelfverstaan in de praktijk een dialoog met de ander is. Men heeft behoefte aan sociale bevestiging.  De maatschappij moet dus tegemoet komen aan de zelfliefde van het individu.  Het concept van waardigheid geeft aan de maatschappij daarnaast een egalitaire impuls. Het idee van aangeboren onschuld, leidt er toe dat tegenwoordig jeugd wordt gezien als goed en ouderdom, niet met wijsheid maar met corruptie en over-de-datum-zijn. In de huidige sociale belevingswereld is de stem van de jeugd de waardevolle stem.  Verder geeft de visie van Rousseau aan het denken een anithistorische tendens. De geschiedenis is er één van corruptie en machtsmisbruik. Geschiedenis is niet meer zozeer een bron van wijsheid, zoals het vroeger was. De reden dat Rousseau niet verviel tot het ethisch relativisme van tegenwoordig, is dat hij nog geloofde in een Goddelijke oorsprong van het geweten. Dat gaf stabiliteit en consistentie. Als dat weg is, zoals in onze tijd, dan kiest ieder de eigen eigenheid. Taylor noemt het denken van Rousseau “self-determining freedom”. Neem het concept van een universele menselijke natuur weg en ethiek verlaagt tot het subjectieve emotivisme dat MacIntyre ziet als karakterisering van onze tijd. Empathie leidt er dan toe dat men niet anders wenst dan dat ieder op de eigen wijze gelukkig is. Het is de instorting van het hele concept van de menselijke natuur dat zo kritisch is in de hele discussie.

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!