Carl R. Trueman.

Reimaging Our Culture p 73 deel 4
lees ook deel 1, deel 2 en deel 3

Het idee van de maatschappelijke belevingswereld is een bruikbaar middel om duidelijk te maken dat de wijze waarop we denken en handelen intuïtief plaats vindt en dat dit wordt gevormd door onze omgeving. Die omgeving bepaalt ook hoe we worden beschouwd door onze medemensen en hoe ons zelf wordt gevormd in de interactie met onze medemensen. Maar waarom maakt die belevingswereld van seks zo’n basale marker van het zelf? Wat zijn de bredere pathologieën (ziekelijkheden) die hiertoe de aanzet gaven?

Het moderne westen als derdewereldcultuur

De psychologische mens en de therapeutische samenleving zijn manifestaties van een meer algemeen cultuurtype, zoals Philip Rieff heeft geschreven in zijn trilogie: Sacred Order/ Social Order. Zoals in hoofdstuk 6 wordt beschreven gelooft Siegmund Freud dat een beschaving wordt gekenmerkt door datgene wat ze verbiedt en op welke wijze ze dat doet. Want die verboden onderdrukken menselijke instincten die zijn gesublimeerd in andere driften. Voor Freud was religie een illusie met een sociale functie, namelijk dat het een bovennatuurlijke achtergrond gaf aan de samenleving. Rieff neemt dit over. Hij geeft aan dat vroeger de samenleving een heilige orde had. Die is nu verloren gegaan. We leven nu in een derde wereld. De eerst en tweede wereld verwezen voor een rechtvaardiging van hun moraliteit naar iets transcendents. In de eerste wereld waren dit mythen, het noodlot (fate) regelde alles. Wellicht geen God, maar wel een kracht die aanwezig is voor of boven onze natuurlijke werkelijkheid. In de tweede wereld werd noodlot vervangen voor geloof. Een belangrijk voorbeeld is het Christendom. Eerste en tweede werelden hebben een moraal en daarom een culturele stabiliteit omdat hun basis ligt in iets voorbij zichzelf. Derde werelden wortelen niet in iets heiligs, ze moeten de basis vormen in zichzelf. Dat geeft inherent instabiliteit. Want het is onmogelijk om jezelf te rechtvaardigen op grond van jezelf. Moraliteit neigt ernaar een zaak te zijn van eenvoudig consequentionalistisch pragmatisme. 

Charles Taylor heeft een parallel concept namelijk dat van het immanent frame. Vroegere tijden werden gekarakteriseerd door een transcendent frame. Een geloof dat deze wereld onder de autoriteit stond van een werkelijkheid die hoger was dan alleen zijn materiele bestaan. Derde werelden zijn werelden waarin deze wereld alles is wat er is. Moreel debat kan dan ook niet gegrond zijn op iets anders. Taylor ziet de overgang van een transcendent frame naar een immanent frame als een geleidelijk proces. God wordt langzaamaan onnodig. En volgens Rieff heeft dit catastrofale culturele betekenis. Neem bijvoorbeeld abortus. Is een embryo een persoon met potentie of is het in potentie een persoon? In de heilige orde van het Christendom is de materiële factor bijkomstig aan de kernnotie van persoonlijkheid en moet deze geplaatst worden in  de metafysisch gefundeerde heilige orde. 6 weken na conceptie of 60 jaar leeftijd is dan geen fundamenteel verschil. Als men de heilige orde verwijdert wordt dit allemaal veel  wankeler. Dan wordt het een kwestie van debat of een embryo een persoon is of niet. Zonder heilige orde, kan men dat ook niet funderen op de immanente orde in de natuur. Andere argumenten voor abortus gaan nu een rol spelen. Het subjectieve argument  van het welzijn van de moeder wordt dan belangrijk. En als we verder gaan met het prioriteren van de mentale gesteldheid van de moeder kan abortus een plicht gaan worden.  Seksuele moraal is voornamelijk een zaak van pragmatische overwegingen geworden: “maakt dit mij gelukkig?”.

Deze derde wereld culturen zijn slechts therapeutische culturen van de psychologische mens. Het enige morele criterium is of iets bijdraagt aan het gevoel van welbehagen van de betrokken individuen. Ethiek is een kwestie van gevoel. Volgens Taylor is een derde wereld gericht op zelfactualisatie en vervulling van het individu want iets hogers is er niet. Dit is dus plicht!

Het is belangrijk om op te merken dat 1e, 2e en 3e culturen tegelijkertijd in een samenleving aanwezig kunnen zijn. Er ontstaan dan een cultureel strijdtoneel. Het grote probleem daarbij is dat er geen gemeenschappelijk fundament is. Er is een complete afbraak van communicatie. Dit is te zien in de afwezigheid van een werkelijk abortusdebat. Wanneer een vertegenwoordiger van de 2e wereld clasht met een vertegenwoordiger van de 3e wereld, is er geen werkelijk argument, er is geen gemeenschappelijke autoriteit. Beoordelingen zijn compleet tegengesteld. Wat dan een persoon is, is een zaak van niet veel meer dan subjectieve voorkeur. Ook binnen 2e werelden clasht het. Ook 2e werelden zijn geen utopie, maar ergens is er dan wel begrip die er tussen een 2e en 3e wereld niet meer is.

Alasdair MacIntyre en emotivisme

De gedachten van Rieff over het ethische discourse (gesprek) vertoont grote gelijkenis met dat van Alasdair MacIntyre. Hij is het bekendst van zijn invloedrijke werk: After Virtue. Daarin worstelde hij met het probleem van de ineenstorting van het marxisme. Hij was eerst een aanhanger van het marxisme en toen dit instortte moest hij zoeken naar een andere basis voor moraliteit. Die vond hij in Aristoteles. Wat MacIntyre zo nuttig vindt aan Aristoteles’ Thomistische (van Aquino) benadering van de wereld is commitment aan een teleologische (doelgerichte) visie op de menselijke aard en moreel gedrag. Handelingen kunnen alleen moreel worden beoordeeld op grond van hun doel. Dit is niet slechts consequentionalistisch of pragmatische ethiek (waarbij juist wordt gelet op het effect). MacIntyre’s benadering bevat twee belangrijke punten. Ten eerste maakt het onderscheid tussen datgene wat is en datgene wat moet zijn. Ten tweede geeft het aan dat menselijke handelingen begrepen moeten worden in een sociale bedding. Met dat laatste punt zou Marx het eens zijn geweest. Volgens Marx moet de mens niet als individu geïsoleerd begrepen worden, maar in relatie tot de samenleving in zijn geheel. MacIntyre gaat echter verder en stelt dat ethiek alleen kan bestaan binnen een traditie. Ethisch debat komt voort uit en neemt aan, een set geloofsovertuigingen over de aard van de samenleving waartoe men behoort. Ethiek brengt ons tot de kern van wat de cultuur  van een samenleving is. De moderne ethische discussie is chaotisch omdat er geen sterke gemeenschappelijke consensus meer is over de aard van de doelen van het menselijk bestaan. Gemeenschappelijk conventies moeten zijn gegrond in universele werkelijkheden zoals een natuurwet. Daar moet eerst overeenstemming over zijn voordat men een vruchtbaar gesprek kan voeren. MacIntyre heeft daarbij twee zorgen: de aard van de doelen en de aard van samenleving.

De inzichten van MacIntyre kunnen we toepassen op de aard van het huwelijk. Het homohuwelijk vraagt een grondige aanpassing van het doel van het huwelijk en daarmee ook van de essentie van het huwelijk. Iemand die het homohuwelijk afwijst, wijst niet slechts een bepaalde samenstelling van het huwelijk af. Het gaat veel dieper. Het gaat om de diepste definitie van wat een huwelijk inhoudt. MacIntyre claimt dat aan elke sociale aanname een set morele waarden vooraf gaat. De sleutel is voor MacIntyre datgene wat hij noemt: emotivisme. De taal zoals die nu gebruikt wordt in het morele debat is dat van sentimenten en gevoelens. Emotivisme presenteert voorkeuren alsof het waarheidsclaims zijn. Als iemand zegt: Homoseksualiteit is fout. Dan bedoelt diegene: Ik keur persoonlijk homoseksualiteit af en jij hoort dat ook te doen. Emotivisme is een functie van een falende geschiedenis van ethische theorie. Emotivisme is niet nieuw. Het komt deels al voor bij Rousseau en bij Hume. In onze tijd is het echter tot een grote beweging uitgegroeid. Meer recent beweegt MacIntyre’s theorie over de moderne westerse mens van het emotivisme naar het expressivisme. Een expressivist is een emotivist die de eigen persoonlijke voorkeuren heeft verheven tot de status van universele morele geboden. Dit gedachtengoed heeft zich vanuit een elitair lokaal clubje, de Bloomsbury Group in Cambridge wijd verspreid. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen emotivisme als morele theorie en emotivisme als sociale theorie. Het eerste komt relatief weinig voor, het tweede veel meer: “het voelt gewoon goed” “ik weet in mijn hart dat het een goede zaak is”. Etc. Als er geen metafysische basis is, verdwijnt elk argument. Emotivisme is bruikbaar als retorische strategie. Onze overtuigingen zijn de norm. Die van anderen moeten worden verworpen als irrationeel, vooroordeel en gegrond in persoonlijke overtuigingen. De ander is de emotivist, ik niet. Zo. Dat zien we terug in de woorden eindigend op fobie. Alles wat buiten de moderne Sittlichkeit valt is dan neurotische onverdraagzaamheid. De theorie van MacIntyre  van emotivisme als sociale theorie vertoont parallellen met dat van Rieff en van Taylor. Er is geen gemeenschappelijk meta-verhaal meer. Wat is goed? Datgene wat je een goed gevoel geeft. Dat bepaalt de ethiek en elke transcendente teleologie is dood en begraven.