Recent trok een paleontologisch nieuwsartikel mijn aandacht.1 Daar staat: “Het gaat om een vrouwtje van de soort Ichthyosaurus somersetensis, die ongeveer negentig miljoen jaar geleden uitstierf. Het zwangere dier was bijzonder groot in vergelijking tot eerdere fossielen die zijn gevonden van dezelfde soort.” Aldus nu.nl. Verderop in het artikel staat “Ichthyosaurussen waren dolfijnachtige dieren die snel konden zwemmen (veertig kilometer per uur), diep konden duiken en boven water moesten ademhalen.”

Het bevestigt ten eerste mijn punt dat er veel bijzondere fossielen liggen opgeslagen in de archieven van musea.2 Nu vind ik deze vondst op zichzelf nog niet heel bijzonder. Maar met name dat laatste trok mijn aandacht. We hebben het hier over een dolfijnachtige die 90 miljoen jaar geleden uitstierf. Dat verbaasde mij, want pakweg 50 miljoen jaar geleden zou volgens het evolutieverhaal de overgang van Pakicetus naar de doflijn zijn. De ichthyosaurus leefde dus vóór zijn voorouder? Een paar minuten zoeken op het internet, leverde mij het volgende antwoord op: de ichthyosaurus lijkt heel veel op een dolfijn, maar zit op een heel andere plaats in de stamboom. Dat is wel heel erg toevallig. Echter hebben evolutiewetenschappers hier iets anders op verzonnen. Het heet “convergente evolutie”. Er wordt gesteld dat er een soort natuurlijke ontwerpkracht in de natuur zit.

Wat is convergente evolutie?

Op de Engelse wikipedia is onder de kop “convergent evolution” de relatie dolfijn en ichthyosaurus als sterk voorbeeld genomen. Zie hieronder een illustratie van de vergelijkingen.

Dat is nogal wat. Ik zie de logica er niet van in dat deze eigenschappen allemaal echt zo erg bij elkaar horen, dat de evolutie dit twee keer als geheel samenbrengt. Wat is convergente evolutie? Het wordt als volgt omschreven: “Convergente evolutie is de evolutie van dezelfde functie bij verschillende, niet-verwante taxonomische groepen.” Het is dus een overeenkomst tussen verschillende organismen, die niet te wijten is aan gezamenlijke afstamming. En dat terwijl juist die overeenkomsten vaak worden aangedragen als “het overweldigende bewijs voor evolutie”. Al vaker had ik voorbeelden gezien onder de kop “convergente evolutie”, maar nog niet eerder zo’n extreme. Iemand zonder kennis van de gangbare evolutiestamboom, maar met kennis van de evolutiefilosofie, zou Ichthyosaurus en de dolfijn nauw aan elkaar relateren. Het voornaamste dat zou moeten wijzigen, is dat de Ichthyosaurus melk zou moeten geven. Echter is daarvoor in de plaats gekozen voor dat de dolfijn zou afstammen van het landdier Pakicetus. De Ichthyosaurus stamt volgens de theorie ook van weer een ander landdier af, genaamd Petrolacosaurus.

Het is een opmerkelijke gang van zaken in de evolutietheorie dat de dolfijn vinnen heeft gekregen zoals vissen die ook hebben. Zelfs wat lijkt op een haaienvin op zijn rug is teruggekomen. Pakicetus had helemaal niets dat daarop lijkt. Het is al een behoorlijke moeilijke opgave om te geloven dat een dier het water uit zou zijn gekropen om een landdier te worden. Het is nog moeilijker voor te stellen dat dat dier later weer terug ging om weer een heel vergelijkbaar zeedier te worden. Maar dat laatste is dus volgens de theorie zelfs twee keer gebeurd. Niet alleen dat, de dieren zijn op 20 vlakken heel erg veel op elkaar gaan lijken.

Opmerkelijkheden in dolfijnevolutie

De ontdekking van Pakicetus als voorouder van dolfijnen en walvissen, is te danken aan de Nederlander Hans Thewissen. In zijn boek “the walking whales” omschrijft hij een meeslepend verhaal over hoe hij tot zijn wereld veranderende ontdekking kwam over onder andere Pakicetus. Pakicetus is een soort hondachtig wezen. Het voornaamste onderdeel dat wordt gekozen als hét bewijs voor dat het een voorouder is van de walvis, is een oorbotje. Voor mij persoonlijk is dit nogal vergezocht. Zeker als je Ichthyosaurus daarnaast zet als contrast. Het is moeilijk om van uitgestorven soorten de evolutie te bepalen, omdat er geen DNA meer beschikbaar is. Van dieren die nog leven kan wel een stamboom worden opgesteld op basis van DNA. De overeenkomsten in botjes blijkt dan lang niet altijd doorslaggevend. Maar bij Pakicetus staat dat oorbot inmiddels behoorlijk in beton gegoten onder evolutiewetenschappers.

Wat ook opmerkelijk is, is dat het nijlpaard volgens het DNA het meest verwante levende landdier is aan de walvis. Dat klinkt heel logisch. Hij is groot, met een dikke huid en houdt van water. Maar het nijlpaard stamt weer niet af van Pakicetus. Die hondachtige zit er dus tussen als voorouder. De voorouder had die eigenschappen niet. Dan wordt de overeenkomst opeens veel minder logisch. Zoals Thewissen het zelf omschrijft

“I love to talk about whale evolution, and my audiences range from fifth graders, to our local Rotary club, to cetologists at international meetings. To point out how dramatic the evolution of whales is, I usually start by asking people to think about two fancy vehicles. I could use a bullet train and a nuclear submarine, but, because it is less intimidating, I ask them to think about the Batmobile and the Beatles’ Yellow Submarine. Whales started out with a very elaborately perfected body adapted to life on land. They changed it, in about eight million years, to a body perfectly tuned to the ocean. I ask the audience to imagine getting a team of engineers together to take the Batmobile apart and build the Yellow Submarine from its parts. Just about everything that works well on land will fail miserably in water. All the organ systems have to change—from locomotion, to sense organs, to osmoregulation, to reproduction. And of course, in evolution, all the intermediate species were functional in their environment. Adding that requirement would dictate that at the end of every working day our engineers can still present a working vehicle. It would be an impossible job, and that indicates how remarkable a transition this really was. And now, remarkably, it is all documented by fossils.”

En aan deze onmogelijke opgave (zijn woorden) kan worden toegevoegd: dit gebeurt zonder intelligentie, en herhaalt zich twee keer vrijwel identiek in de geschiedenis. En het is maar net welke fossielen je achter elkaar legt. Het ziet er geloofwaardig uit. Maar een compleet andere set fossielen achter elkaar kan er net zo geloofwaardig uitzien. En linksom of rechtsom: altijd zal een groot deel van de overeenkomsten niet te verklaren zijn met gezamenlijke afstamming.

Het vogelbekdier

Convergente evolutie is ook te zien in het vogelbekdier. Het vogelbekdier heeft een mozaïek aan eigenschappen. Het legt eieren, geeft melk, heeft reptielengif, heeft voortplantingschromosomen zoals een vogel en heeft een soort van snavel. Toch plaatsen evolutionisten hem in de boom. Zoveel mogelijk eigenschappen worden geprobeerd te zoeken op basis van gezamenlijke afstamming. De rest wordt geplaatst onder het kopje convergente evolutie. En omdat het hoogopgeleide wetenschappers zijn die erover gepubliceerd hebben, neemt vrijwel iedereen het maar voor waar aan. Het beestje zit in de boom, en daarmee is men tevreden.

Vleugels

De vleugels van de Pterodactylus, vleermuis en vogel tonen grote overeenkomsten in het ontwerp.

Evolutiewetenschappers hebben veel moeite om het ontstaan van vleugels te verklaren. Met vogels lukt het misschien een beetje, omdat er zowel loopvogels als vliegende vogels bestaan. Voor vleermuizen en pterosauriërs (zoals Pterodactylus) is dat eigenlijk nog niet goed gelukt. Vooral de Pterodactylus lijkt simpelweg ervoor te zijn gemaakt om te vliegen. Er zijn bovendien grote overeenkomsten in de vleugels van alle drie. Het scenario waarin een beest gaat vliegen is niet vanzelfsprekend. De botstructuur moet zich aanpassen: het moet licht en groot worden. Ook moeten ze grote oppervlakten daaraan vast krijgen, genoeg om het gewicht van het beestje in de lucht te dragen. Voordat ze gaan vliegen heeft dit geen logische functie, en daarom biedt dit het beest tot die tijd geen duidelijk voordeel. Het beestje is juist fragieler, en draagt veel ongebruikt materiaal mee. Natuurlijke selectie is dus geen goede drijvende kracht achter het ontwikkelen van vliegcapaciteit. Toch noemen wetenschappers de overeenkomsten tussen de vleugels van de 3 niet-gerelateerde groepen convergente evolutie.

Evolutionaire stasis

Het verhaal wordt helemaal merkwaardig als we kijken naar de Coelacanth. Dit is, naar men veronderstelt, een voorouder van ons die ca. 400 miljoen jaar geleden een afsplitsing had waarvan wij, en al het andere landleven, afstammen. En alleen die 400 miljoen jaar geleden heeft deze een afsplitsing gegeven. De Coelacanth komt vervolgens verder niet meer voor in de geologische lagen. Toch leeft dit beestje vandaag de dag nog. Terwijl alles in duizenden andere dingen is veranderd, is de Coelacanth ook nog in zijn oorspronkelijke vorm beschikbaar, zonder een spoor na te laten in de geologie. Dit heet evolultionaire stasis. Evolutionisten geven daarop het antwoord: “evolutie schrijft niet voor dat diersoorten moeten veranderen. Sommigen doen het nou eenmaal gewoon goed.” Toch is het merkwaardig dat het contrast in verandering zo extreem groot is. En als deze in 400 miljoen jaar aan aardlagen niet terug te vinden is, terwijl hij er wel gewoon was, voor hoeveel andere soorten geldt dat dan ook?

Ontwerp

Convergente evolutie is een uitsluitingsdiagnose. Het klinkt heel erg logisch: een dier heeft het nodig, of het is op zijn minst beter, dus na verloop van tijd selecteert dit zich vanzelf uit door natuurlijke selectie. Dat heel veel andere dieren in dezelfde leefomgeving prima zonder kunnen, is dan te wijten aan dat zij dat nou eenmaal niet hebben ontwikkeld. Met andere woorden: natuurlijke selectie leidt uiteindelijk naar ontwerp. Convergente evolutie is dus een naturalistische afdekking om het woord ontwerp (laat staan goed ontwerp) maar niet te hoeven noemen. Het woord ontwerp is uit den boze. Echter zelfs Richard Dawkins stelt zelf: “Biology is the study of complex things that appear to have been designed for a purpose.” Op dit punt ben ik het met hem eens.

Overzicht

Hieronder staat een overzicht van de evolutietheorie met een aantal prominente voorbeelden van convergente evolutie. Dit is wat evolutionisten willen dat je gelooft. Dit schema is volledig gebaseerd op reguliere bronnen. Dit overzicht is hier in hogere resolutie te downloaden.

Convergente evolutie

Voetnoten

  1. http://www.nu.nl/wetenschap/4898405/fossiel-van-zwangere-ichthyosaurus-ontdekt-in-museumarchief.html.
  2. https://logos.nl/tijdspanne-fossielen-wordt-al-groter/.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Geo Detective

Written by

Geo Detective is een expert in 3D design/visualizing, programmeren en data analyse en een amateur wetenschapper die een methode heeft ontwikkeld voor waarheidsvinding. Hij maakt leuke korte filmpjes waarin hij kritisch naar evolutie kijkt. Geo Detective heeft al vele filmpjes op zijn eigen site gepubliceerd.

8 Comments

Peter

Petrolacosaurus (Carboon, 302 miljoen jaar oud) is het oudste beest dat tot de groep Diapsiden behoort. Diapsiden hebben twee gaten in hun schedel achter de oogkas. Alle hagedissen, krokodillen vogels, dino’s, plesiosaurussen en ichthyosaurussen behoren tot de groep Diapsiden. Ichthyosaurussen zijn alleen uit het Mesozoicum bekend, dus vanaf 250 miljoen jaar. Zoogdieren zijn Synapsiden en hebben één gat in hun schedel achter de oogkas, totaal andere club.

Walvissen hebben hun staartvin horizontaal, vandaar geen rugvin. Hun voortbeweging komt overeen met de galop van landzoogdieren. Ichthyosaurussen hebben hun staartvin verticaal, vandaar dat een rugvin handig is. Hun manier van bewegen komt overeen met de sinusachtige beweging van hagedissen.
Een overeenkomst in levenswijze geeft overeenkomstig selectie op verschillend uitgangsmateriaal: vandaar convergente evolutie. Het is dus niet “wel heel erg toevallig”, maar een van de vele mogelijkheden voor evolutie.

Het vogelbekdier laat geen enkele convergentie zien.

Er zijn geen grote overeenkomsten tussen vogelvleugel, pterovleugel, en vleermuisvleugel. De anatomie is totaal verschillend, zie plaatje hierboven. Zoals de Engelse wikipedia bij dit plaatje zegt “So, while the wings of bats and birds are functionally convergent, they are not anatomically convergent” en “Vertebrate wings are partly homologous (from forelimbs), but analogous as organs of flight in (1) pterosaurs, (2) bats, (3) birds, evolved separately.”

De huidige coelacanth is niet gelijk aan enige fossiele coelacanth. Hij hoort alleen bij de coelacanth groep. Ik zie geen enkel geval van convergente evolutie in het laatste plaatje. Het standaardboek over paleontologie is M.J. Benton, Vertebrate Paleontology, 2015. Daar staat wat basale kennis over fossielen en hun anatomie. Zou nuttig kunnen zijn.

Reply
Geodetective

Wat betreft je eerste 2 alinea’s, vooral deze zin:
“Een overeenkomst in levenswijze geeft overeenkomstig selectie op verschillend uitgangsmateriaal: vandaar convergente evolutie.”

Je wijst op 3 verschillen tussen de dolfijn en de ichthyosaurus. Ik op 20 overeenkomsten. Gezien het aantal mogelijke configuraties, ga [dan] maar rekenen aan de toevalligheid. Heel veel andere diersoorten hebben al die dingen zeker niet nodig. Bovendien, waarom ontwikkelen ze zo’n levensstijl, als hun lichaam daar in eerste instantie niet geschikt voor is? Volgens deze logica zouden de ichthyosaurus en de dolfijn zich in eerste instantie afwijkend gedragen, om zo hun lichaamsvorm door middel van selectie af te dwingen. Er zit geen logica achter.

“Walvissen hebben hun staartvin horizontaal, vandaar geen rugvin.”
De dolfijn heeft wel een rugvin maar ook hun staartvin horizontaal zoals een walvis. Hier is dus geen “overeenkomst in levenswijze”. Volgens jouw hebben doflijnen dus net als de walvis de rugvin niet nodig. Waarom hebben ze hem dan? En waarom lijkt die zoveel op die van de ichthyosaurus?

“Het vogelbekdier laat geen enkele convergentie zien.”
Lees “Poisonous platypuses confirm convergent evolution”, Nature http://www.nature.com/news/2010/101012/full/news.2010.534.html

Verder verschilt een poedel ook van een sint bernhard. En de eerste honden zagen er waarschijnlijk ook niet helemaal hetzelfd uit als 1 van die 2. Toch lijkt de fossiele coelacanth veel meer op de huidige coelacanth dan een poedel op een sint bernhard.

Peter

Geodetective,

Het heeft geen enkele zin om verschillen en overeenkomsten te gaan turven alsof je daar met kansrekenig op kunt gaan werken. Wat je doet is een beest kiezen en bewust vergelijken met een ander beest. Dus walvis met ichtyosaur, maar niet met plesiosaur of maashagedis. Dus je weet van te voren dat je een behoorlijke overeenkomst hebt, en dan kun je dat soort sommen over kansen niet maken. Convergentie is geen moeten, alleen een van de mogelijke uitkomsten.

Vergeet die convergentie bij het vogelbekdier: Dat is hype van de koppenmaker van Nature. Geodetective geeft [aan] dat er fossiele coelacanthen bestaan. Die zullen overeenkomsten hebben met de levende coelacanth, anders was Latimeria geen coelacanth.

“Wat ook opmerkelijk is, is dat het nijlpaard volgens het DNA het meest verwante levende landdier is aan de walvis. Dat klinkt heel logisch. Hij is groot, met een dikke huid en houdt van water. Maar het nijlpaard stamt weer niet af van Pakicetus.”

Bij de moderne beesten is het nijlpaard volgens zijn DNA de naaste levende verwant van de walvissen. Dan kun je toetsbare hypotheses opstellen:
1 nijlpaard en walvis stammen beide af van Pakicetus
2 nijlpaard en walvis stammen beide af van dezelfde in het water levende voorouder.

Beide hypothesen kunnen met fossielen getoetst, en bleken onjuist.

Peter b,
Het genoom van het vogelbekdier liet zien dat het bij de zoogdieren ingedeeld moet worden. Zie fiuur 1 van het artikel dat je aanhaalt. Zelfde figuur in het oorspronkelijke Nature artikel over het vogelbekdiergenoom. Dus, duidelijke afstamming.

peter bv

“Het vogelbekdier laat geen enkele convergentie zien.”

[Onjuist], Peter. De genoomsequencing toonde zoogdier en vogel kenmerken, als ook unieke sequenties in het vogelbekdier DNA. Het is een mozaïek van kenmerken, zonder duidelijke afstamming. Het is overal homoplasie in het genoom, d.w.z. convergentie. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18555772 Abstract: The genome of the platypus has been sequenced, assembled, and annotated by an international genomics team. Like the animal itself the platypus genome contains an amalgam of mammal, reptile, and bird-like features.

“Een overeenkomst in levenswijze geeft overeenkomstig selectie op verschillend uitgangsmateriaal: vandaar convergente evolutie.”

[Onjuist], Peter. Levenswijze brengt geen nieuwe informatie voort. Hooguit stroomlijnt het reeds aanwezige informatie.

Reply
Peter

Fossielen van beesten uit de coelacanth groep bestaan trouwens wel, in tegenstelling tot wat Geodetective zegt. https://en.wikipedia.org/wiki/Coelacanth#Fossil_record

Het vogelbekdier heeft geen snavel. De bek is leerachtig bekleed. Fossiele voorlopers van het vogelbekdier, met tanden, zijn gevonden. De plaatsing van het vogelbekdier in de fylogenie is op grond van DNA, zoals alle fylogenie tegenwoordig. Niet dat dat er erg veel toe doet, want niemand heeft het vogelbekdier ooit als iets anders dan een zoogdier beschouwd, een beest van de kleine groep eierleggende zoogdieren. De eieren zijn primitief, niet convergent. Het vogelbekdiergif is niet hetzelfde als dat van reptielen, al lijken sommige componenten van het gif op dat van reptielen: https://en.wikipedia.org/wiki/Platypus_venom Het vogelbekdier is niet het enige zoogdier dat giftig is, dus zo reptielig is gif ook niet.

Reply
peter b

“Het vogelbekdiergif is niet hetzelfde als dat van reptielen, al lijken sommige componenten van het gif op dat van reptielen:”

Het vogelbekdier is een mozaiek van verschillende groepen, van vogels, reptielen en van zoogdieren. Omdat er geen sprake is van afstamming is het allemaal convergentie. Peter, jij ontkende dat hierboven, maar je zit er naast. (…) Geef je dat toe[?]

M.Nieuweboer

[In dit artikel staan wat] fouten:

“We hebben het hier over een dolfijnachtige die 90 miljoen jaar geleden uitstierf.”

Ichthyosaurussen kunnen per definitie geen dolfijnachtigen zijn. Wat wordt bedoeld – en het is [onjuist] geformuleerd (…) – is dat de ichthyosaurus nogal wat met dolfijnen gemeen had (in dit geval vooral morfologisch).

“Dat verbaasde mij, want pakweg 50 miljoen jaar geleden zou volgens het evolutieverhaal de overgang van Pakicetus naar de dolfijn zijn. De ichthyosaurus leefde dus vóór zijn voorouder?”

Nee, de pakicetus is geen ichthyosaurus en de laatste is niet verwant aan de eerste.

“Een paar minuten zoeken op het internet, leverde mij het volgende antwoord op: de ichthyosaurus lijkt heel veel op een dolfijn, maar zit op een heel andere plaats in de stamboom. Dat is wel heel erg toevallig.”

Dat is helemaal niet toevallig, dat is een degelijke voorspelling van de evolutietheorie.

“Echter hebben evolutiewetenschappers hier iets anders op verzonnen. Het heet “convergente evolutie”. Er wordt gesteld dat er een soort natuurlijke ontwerpkracht in de natuur zit.”

[Dit is] helemaal niet [zo]. Er wordt gesteld dat overeenkomsten in omstandigheden leiden tot overeenkomsten in onder andere vorm. Als een specifieke vorm voordelig is voor dolfijnen is die vorm in overeenkomstige omstandigheden ook voordelig (in evolutionaire zin) voor ichthyosaurussen.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over