In zijn boek ‘En de aarde bracht voort’ gaat prof. dr. Gijsbert van den Brink ervan uit dat de theorie van universele gemeenschappelijke afstamming waarschijnlijk juist is. Hij gaat hierbij voorbij aan veel problemen waarmee deze theorie te kampen heeft. We kiezen hieronder negen voorbeelden. We zijn van mening dat het onverstandig is deze theorie als uitgangspunt te gebruiken voor de theologie.

1. Ontstaan van leven

Hoewel ontstaan van leven strikt genomen niet tot de evolutiebiologie behoort, moet het leven toch op een of andere manier zijn ontstaan. Zelfs de meest primitieve levensvormen blijken zo complex opgebouwd en gecodeerd, dat de kans op toevallig ontstaan verwaarloosbaar klein is. Ook de meest eenvoudige levensvormen moeten systemen hebben om (1) zich tegen de buitenwereld te beschermen, (2) energie te gebruiken, (3) bouwstenen te maken, (4) zichzelf te repareren, (5) zich te vermenigvuldigen en (6) informatie op te slaan. Deze systemen zijn onderling van elkaar afhankelijk en blijven los van elkaar niet in stand. Er worden steeds meer factoren ontdekt die het steeds onwaarschijnlijker maken dat leven spontaan is ontstaan.

2. Informatie

De grote hoeveelheid informatie in het erfelijk materiaal is een kenmerk van levende wezens. In de genetica gebruikt men dan ook termen die met informatietechnologie te maken hebben. Zelfs de meest eenvoudige levensvormen, hebben een genetische code (DNA) bestaande uit enkele honderdduizenden baseparen. Er zijn geen mechanismen bekend die voor volledig nieuwe erfelijke informatie kunnen zorgen, zoals bijvoorbeeld nodig is voor het ontstaan van leven of van nieuwe levensvormen. De complexiteit van de eenvoudigst denkbare genetische codes maakt het ontstaan ervan door toevalsprocessen onmogelijk. Werner Gitt, emeritus hoogleraar informatiekunde, stelt dan ook dat informatie alleen van een intelligente bron afkomstig kan zijn. De grote hoeveelheid informatie in het DNA is wellicht het meest steekhoudende argument voor ontwerp en tegen macro-evolutie.

3. Weesgenen

Weesgenen zijn genen die we alleen in één soort of een kleine groep soorten aantreffen. Verschillende groepen organismen hebben verschillende weesgenen. Het betreft unieke functionele DNA-informatie waarvoor geen evolutionaire voorgeschiedenis bedacht kan worden. Deze genen bevatten dus informatie die de scheidslijn bepaalt tussen soortgroepen, als afzonderlijke scheppingen.

4. Klok bestaat niet

Volgens Van den Brink is de moleculaire klok een sterke aanwijzing voor evolutie. Dit houdt in, dat in de loop van de tijd de veranderingen zodanig systematisch zouden optreden, dat daarmee het moment van soortvorming teruggerekend kan worden. Deze klok bestaat echter niet. Binnen korte tijdspannes kunnen wel klokken worden vastgesteld, maar voor langere perioden is er geen enkele referentie die de extrapolaties ondersteunt.

5. Weinig verandering

In lagen, waarvan wordt verondersteld dat ze 425 miljoen jaar oud zijn, is DNA aangetroffen van bacteriën dat identiek is aan het DNA van nu levende bacteriën. In zogenaamd pakweg duizendmiljard generaties zijn deze bacteriën niet noemenswaardig veranderd. Zeer langdurige laboratoriumexperimenten met organismen die zich snel voortplanten bevestigen dat informatie niet toeneemt en dat er geen macro-evolutie optreedt.

6. Functieloos DNA

Lange tijd werd gedacht dat een groot deel van het DNA functieloos was, het zogenaamde ”junk DNA”. Dit werd als een ‘bewijs’ voor macro-evolutie gezien. Een uitgebreid onderzoeksproject, ENCODE, heeft echter aangetoond dat het merendeel van dit zogenaamde junk DNA wel degelijk een functie heeft. In het deel van het genoom dat niet codeert voor eiwitten worden steeds meer functies ontdekt. Verder blijken de genomen niet uit virusrestanten te bestaan, maar uit genetische elementen die het genoom en de vouwing van eiwitten nauwkeurig controleren, en ook invloed hebben op welk deel van het genoom al dan niet overgeschreven en vertaald moet worden naar eiwitten. Ook fungeren ze als verspringende schakelaars die snelle aanpassingen, aan bijvoorbeeld koude of droogte, mogelijk maken, juist omdat ze programmatuur (eiwit-coderende genen) aan- en uit kunnen schakelen of zijn ze betrokken bij het driedimensionaal vouwen van DNA. Het grootste deel van het genoom heeft dus een functie. Dat sluit aan bij de gedachte van een intelligent ontwerp.

7. Pseudogenen

Pseudogenen zijn genen die kapot zijn. Dat wordt veroorzaakt door mutaties. Die zijn prima te verklaren met een degeneratiemodel. Als Van den Brink aangeeft dat het voor hem een bewijs van gemeenschappelijke afstamming is, dat mensen een kapot gen voor het maken van vitamine C hebben, negeert hij de voor de hand liggende optie dat Adam en Eva oorspronkelijk een intact gen hadden (net als cavia’s, mensapen en sommige fruit-etende vleermuizen), maar dat dit nadien kapot is gegaan.

8. Mutatie-reparatiesystemen

Gedacht wordt dat mutaties van het DNA de motor kunnen zijn voor verbetering en innovatie. Een dergelijke motor is echter schadelijk. Mutaties van het DNA van lichaamscellen veroorzaken tumoren en in de geslachtslijn leiden ze tot erfelijke ziekten en ernstig selectief nadeel. Gelukkig worden de duizenden mutaties die dagelijks optreden in het DNA van elke cel voortdurend gerepareerd door mutatie-reparatiesystemen. Mutatie-reparatiesystemen kunnen niet tot stand zijn gekomen via mutaties.

9. De uitzonderlijke mens

Voor naturalisten is de overeenkomst tussen mens en chimpansee een argument voor universele gemeenschappelijke afstamming. Als we echter op de verschillen letten dan bestaat er een grote kloof. Dan bedoelen we niet alleen anatomisch of genetisch. De mens is drager van Gods beeld, heeft een ziel en daarnaast (1) een uniek spraakvermogen, (2) een groot denkvermogen, (3) bewustzijn, (4) een unieke uitingswijze van emoties, (5) een creatief scheppend vermogen, (6) religieus besef, (7) een gevoel voor en een waardering van schoonheid, (8) moreel besef van goed en kwaad, (9) een uniek brein en (10) een unieke mogelijkheid tot het maken van muziek. Deze lijst is nog met honderden voorbeelden uit te breiden. Hoe kunnen die door evolutionaire processen zijn ontstaan?

Tenslotte: In zijn boek zoekt Van den Brink naar consonantie tussen evolutie en orthodoxie. Hij doet dat diepgravend. Maar de redenen waardoor hij de evolutietheorie als waarschijnlijke ontstaanshistorie ging achten, zijn uiterst pover; in zijn beschrijving van het creationistisch gedachtengoed vertoont weinig begrip van deze stroming en is hij vooringenomen, terwijl een kritische noot met betrekking tot het wetenschappelijk gehalte van de evolutietheorie ontbreekt.

Dit is de langere versie van een in het Reformatorisch Dagblad verschenen artikel. Het is met toestemming van de auteurs overgenomen. De tekst van de versie in de krant is hier in pdf te downloaden. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, Benjamin, R., Binnenveld, W., Borger, P., Bos, H., Dam, J. van, Degens, H., Jong, W.M. de, Vogelaar, B.N., Zoutwelle, A., 2017, Kritische weging evolutie ontbreekt, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 47 (91): 8-9.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.