De veel voorkomende uranium en polonium stralingspatronen in het graniet van het Paleozoïcum-Mesozoïcum (naar men zegt 251 tot 542 miljoen jaar geleden) verwijzen naar één of meerdere fasen van voorbijgaand versneld radioactief verval. Zo kunnen de resultaten van de radiometrische meetmethoden (ook de splijtingsspoor methode) heel goed in het model van een jonge aarde verklaard worden.

Graniet bevat onder anderen biotiet (mica) en daarin bevindt zich ook heel weinig uranium. Indien dit uranium puntvormig geconcentreerd is, kunnen zich door verval van het uranium microscopisch kleine cirkelvormige stralingspatronen vormen.1

Larry Vardiman en zijn team hebben drie groepen granietmonsters onderzocht2:

–  Een uit het Precambrium (naar men zegt 542 miljoen tot 4,5 miljard jaar geleden)
–  Een uit het Paleozoïcum-Mesozoïcum (naar men zegt 251 tot 542 jaar geleden)
–  Een uit het Kenozoïcum (naar men zegt tot 250 miljoen jaar geleden)

Daarbij is het opgevallen, dat de frequentie van de stralingspatronen binnen het Paleozoïcum ten dele aanzienlijk hoger ligt dan bij de overige formaties. Dat betekent, dat in die tijd met grote waarschijnlijkheid een versneld radioactief verval moet hebben plaatsgevonden. Deze abnormaliteit maakt een uniformistische (gelijkvormige) interpretatie van het ontstaan van deze geologische formaties onmogelijk. Waarom vinden wij in de onderste lagen en in de hogere lagen aanzienlijk minder stralingspatronen dan in de middelste lagen? Vooral in het naar men zegt 4 miljard jaar durende Precambrium zouden aanzienlijk meer stralingspatronen te verwachten zijn, dan in het slechts enkele honderden miljoenen jaren durende Paleozoïcum-Mesozoïcum.

Resultaten van de splijtingsspoor methode

Bij het radioactieve verval van uranium in zirkoonkristallen ontstaan de zogenaamde splijtingssporen. Hierbij worden enkele atomen uit het normale kristalrooster geslingerd en veroorzaken daarbij piepkleine sporen. Met een geschikt etsend middel kan men deze sporen zo ver vergroten, dat zij onder de microscoop zichtbaar worden. Aan de hand van het aantal sporen en de nog niet vervallen zware atomen berekent men de ouderdom van de kristallen.

Het materiaal dat de meeste splijtingssporen veroorzaakt is uranium-238. Het kan zich in palladium-119 splijten en veroorzaakt hierbij een splijtingsspoor, die men in transparante mineralen, maar ook in natuurlijk glas kan waarnemen. Bij het tijdelijk verwarmen van het monster van ongeveer 50 tot 400 graden verdwijnen de sporen. Dit betekent, dat alle monsters, die splijtingssporen bevatten, iets over hun thermische voorgeschiedenis vertellen. De ouderdomsbepaling met behulp van de splijtingsspoor methode geeft niet de ouderdom van het gesteente aan, maar primair de tijd sinds de laatste grote opwarming van het monster.

Na het reinigen en etsen van een monster telt men de splijtingssporen. Dan telt men het aantal nog niet vervallen uranium-238 atomen met een daarvoor geschikte meetmethode. De conventionele evaluatie van de meetresultaten resulteert in een miljoenen en miljarden oude geschiedenis van de aarde. Indien men echter rekening houdt met het tijdelijk versnelde verval, dat naar aanleiding van uranium en polonium stralingspatronen waarschijnlijk lijkt, zijn de resultaten van de splijtingsspoor methode heel goed met een jonge aarde te verenigen.3

Voetnoten

  1. Robert V. Gentry, Creation´s Tiny Mystery, Earth Science Associates, Mei 1992, blz. 214.
  2. Larry Vardiman, Andrew A. Snelling, Eugene F. Chaffin, Radioisotopes and the age of the Earth, Vol. 2, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, 2005, blz. 101-207.
  3. Don DeYoung, Thousands . not Billions, Challenging an Icon of Evolution, Master Books, 2005.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

95 Stellingen

Written by

Weliswaar zijn sinds de eerste uitgave van Charles Darwins boek "Het ontstaan van soorten" op 24 november 1859 ontelbare feiten bekend geworden, die heel duidelijk tegen de evolutietheorie spreken, maar het geloof in evolutie, oerknal en een vele miljoenen jaren oude aarde heeft zich diep in het bewustzijn van de moderne maatschappij ingenesteld. Hierbij heeft deze wereldbeschouwing langzamerhand een fundamentalistisch karakter aangenomen. In geen ander gebied van de wetenschap worden kritische stemmen zo onzakelijk en heftig aangevallen als op dit gebied van onderzoek. Wie twijfelt, wordt uit het debat over de oorsprongsvragen uitgesloten en niet zelden bestreden. De eigenwijsheid van de leidende disciplines in wetenschap, onderwijs en media doet denken aan de koppigheid, waarmee de Rooms Katholieke kerk in de Middeleeuwen haar toenmalige wereldbeeld verdedigd heeft. Op 31 oktober 1517 heeft de hervormer Maarten Luther 95 stellingen gepubliceerd, waarmee hij de toenmaals wijdverbreide aflaatpraktijk ter discussie stelde. Deze bemoeienis heeft een kettingreactie veroorzaakt, die uiteindelijk tot de Reformatie leidde. Op gelijke wijze moeten de hier aanwezige 95 stellingen tot een verandering van denken in het oorsprongsdebat bijdragen. Met deze publicatie willen wij ons ervoor inzetten, dat in de discussie over de oorsprong van de mensheid, het aardse leven en de kosmos een open omgang met wetenschappelijke gegevens, interpretaties en wereldbeschouwelijke stellingnamen* mogelijk wordt.

2 Comments

M.Nieuweboer

“naar men zegt 251 tot 542 miljoen jaar geleden”

Demonstreert de [auteur hiermee] dat zijn/haar eigen onderscheid tussen operationele en historische wetenschap van geen enkel belang is? Want deze data zijn volgens de eigen creationistische definities [toch] de conclusie van operationele wetenschap[?] De wetenschapper is aanwezig bij de meting. Hij/zij observeert deze. De meting is herhaalbaar. Toch schuift de creationist deze conclusie terzijde. (…)

“Dat betekent, dat in die tijd met grote waarschijnlijkheid een versneld radioactief verval moet hebben plaatsgevonden.”

Kunt u [hierbij] de berekening geven die aantoont dat die versnelling zo groot is, dat er een foutmarge met factor half miljoen is? D.w.z. van 5000%? Dit argument ondersteunt op geen enkele manier een Jonge Aarde. (…)

“Deze abnormaliteit maakt een uniformistische (gelijkvormige) interpretatie van het ontstaan van deze geologische formaties onmogelijk.”
[Dit is onjuist het is een] kwestie van die versnelling bepalen.

“heel goed met een jonge aarde te verenigen”

Die versnelling [is] in labs (operationeel) nooit aangetoond. (…)

[Noot van de redactie: Beste M. Nieuweboer, het is wat ons betreft geen enkel probleem dat je het oneens bent met de auteur. Probeer alleen wel de reactie respectvol te houden en ons moderatiebeleid in acht te nemen.]

Reply
Douwe Tiemersma

“Demonstreert de [auteur hiermee] dat zijn/haar eigen onderscheid tussen operationele en historische wetenschap van geen enkel belang is?”
Nee, zeer zeker niet. Er is een verschil tussen wat gemeten wordt: verhoudingen isotopen. Dit is empirische wetenschap, je kunt dit meerdere malen doen, en testen of de verhoudingen isotopen telkens min of meer overeenkomen. Het enige dat je dan hebt gemeten is verhoudingen isotopen. Daarna volgt de interpretatie van deze gegevens. De conclusie dat het gesteente miljoenen jaren oud is, volgt pas na meerdere aannames. Of deze methode betrouwbaar is om ouderdom te meten, valt te bezien, gezien het feit dat we weten dat:
stelling 41 – verschillende dateringstechnieken verschillende resultaten oplevert
stelling 42 – alle steenkool nog C14 bevat, dus hooguit duizenden jaren oud zou kunnen zijn)
stelling 43 – het helium gehalte in zirkoonkristallen duidt op een ouderdom van maximaal enkele duizenden jaren
stelling 44 – er bij uranium-lood datering geen rekening wordt gehouden met lood uit andere vervalreacties
stelling 45 – plasmatemperaturen halfwaardetijden inkorten van miljarden jaren tot enkele minuten

Daar komt bovenstaand argument nog eens bovenop. Al bovenstaande zaken laten zien dat radiometrie als dateringsmechanisme onbetrouwbaar is. Daar kun je no aan toevoegen dat, met gebruik van deze methode, gesteente waarvan we de ouderdom kennen, steevast te hoge ouderdom krijgt toegewezen, dus: we weten dat de methode niet werkt door metingen van gesteente met bekende ouderdom. Hoe kunnen we dan zeker weten dat de methode wel werkt bij gesteente waarvan we de ouderdom niet kennen? Zie ook dit overzichtsartikel over radiometrie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over