Uranium en polonium stralingspatronen

by | jun 12, 2017 | Geologie, Natuurkunde, Onderwijs

De veel voorkomende uranium en polonium stralingspatronen in het graniet van het Paleozoïcum-Mesozoïcum (naar men zegt 251 tot 542 miljoen jaar geleden) verwijzen naar één of meerdere fasen van voorbijgaand versneld radioactief verval. Zo kunnen de resultaten van de radiometrische meetmethoden (ook de splijtingsspoor methode) heel goed in het model van een jonge aarde verklaard worden.

Graniet bevat onder anderen biotiet (mica) en daarin bevindt zich ook heel weinig uranium. Indien dit uranium puntvormig geconcentreerd is, kunnen zich door verval van het uranium microscopisch kleine cirkelvormige stralingspatronen vormen.1

Larry Vardiman en zijn team hebben drie groepen granietmonsters onderzocht2:

–  Een uit het Precambrium (naar men zegt 542 miljoen tot 4,5 miljard jaar geleden)
–  Een uit het Paleozoïcum-Mesozoïcum (naar men zegt 251 tot 542 jaar geleden)
–  Een uit het Kenozoïcum (naar men zegt tot 250 miljoen jaar geleden)

Daarbij is het opgevallen, dat de frequentie van de stralingspatronen binnen het Paleozoïcum ten dele aanzienlijk hoger ligt dan bij de overige formaties. Dat betekent, dat in die tijd met grote waarschijnlijkheid een versneld radioactief verval moet hebben plaatsgevonden. Deze abnormaliteit maakt een uniformistische (gelijkvormige) interpretatie van het ontstaan van deze geologische formaties onmogelijk. Waarom vinden wij in de onderste lagen en in de hogere lagen aanzienlijk minder stralingspatronen dan in de middelste lagen? Vooral in het naar men zegt 4 miljard jaar durende Precambrium zouden aanzienlijk meer stralingspatronen te verwachten zijn, dan in het slechts enkele honderden miljoenen jaren durende Paleozoïcum-Mesozoïcum.

Resultaten van de splijtingsspoor methode

Bij het radioactieve verval van uranium in zirkoonkristallen ontstaan de zogenaamde splijtingssporen. Hierbij worden enkele atomen uit het normale kristalrooster geslingerd en veroorzaken daarbij piepkleine sporen. Met een geschikt etsend middel kan men deze sporen zo ver vergroten, dat zij onder de microscoop zichtbaar worden. Aan de hand van het aantal sporen en de nog niet vervallen zware atomen berekent men de ouderdom van de kristallen.

Het materiaal dat de meeste splijtingssporen veroorzaakt is uranium-238. Het kan zich in palladium-119 splijten en veroorzaakt hierbij een splijtingsspoor, die men in transparante mineralen, maar ook in natuurlijk glas kan waarnemen. Bij het tijdelijk verwarmen van het monster van ongeveer 50 tot 400 graden verdwijnen de sporen. Dit betekent, dat alle monsters, die splijtingssporen bevatten, iets over hun thermische voorgeschiedenis vertellen. De ouderdomsbepaling met behulp van de splijtingsspoor methode geeft niet de ouderdom van het gesteente aan, maar primair de tijd sinds de laatste grote opwarming van het monster.

Na het reinigen en etsen van een monster telt men de splijtingssporen. Dan telt men het aantal nog niet vervallen uranium-238 atomen met een daarvoor geschikte meetmethode. De conventionele evaluatie van de meetresultaten resulteert in een miljoenen en miljarden oude geschiedenis van de aarde. Indien men echter rekening houdt met het tijdelijk versnelde verval, dat naar aanleiding van uranium en polonium stralingspatronen waarschijnlijk lijkt, zijn de resultaten van de splijtingsspoor methode heel goed met een jonge aarde te verenigen.3

Voetnoten

  1. Robert V. Gentry, Creation´s Tiny Mystery, Earth Science Associates, Mei 1992, blz. 214.
  2. Larry Vardiman, Andrew A. Snelling, Eugene F. Chaffin, Radioisotopes and the age of the Earth, Vol. 2, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, 2005, blz. 101-207.
  3. Don DeYoung, Thousands . not Billions, Challenging an Icon of Evolution, Master Books, 2005.
M
"

Artikelen

Artikelen