Aan het begin van deze maand is de ‘Gewone Catechismus’ verschenen.1 Bij Bewaar het Pand (een richting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk) heeft dat tot verontrusting geleid.2 Vorige week hebben we daar in het eerste deel van dit drieluik over geschreven. Vandaag doen we binnen dat drieluik een uitstapje naar de uitspraak van prof. dr. Arnold Huijgen inzake Van Genderen en Velema. We kijken vooral naar paragraaf 18 van hun ‘Beknopte Gereformeerde Dogmatiek’. Volgende week hopen we het drieluik af te kunnen sluiten met een recensie van de ‘Gewone Catechismus’.

Prof. Huijgen

In het Reformatorisch Dagblad van woensdag 22 mei 2019 wordt prof. Huijgen sprekend ingevoerd. Hij reageert op de verontrusting die ontstaan is bij Bewaar het Pand. Huijgen geeft aan dat hij verbaasd is dat Bewaar het Pand suggereert dat het bij vraag en antwoord 25 om iets heel nieuws en ernstigs zou gaan. Hij citeert daarna uit de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek van zijn voorgangers Van Genderen en Velema. Deze citaten luiden: “De theologie moet zich niet op wetenschappelijke theorieën en modellen vastleggen, hoe plausibel ze ook lijken, want ze hebben altijd iets voorlopigs. De geschiedenis van Genesis 1 en 2 en het scheppingsmodel van het creationisme vallen niet samen.”3 En “Het heelal kan ouder zijn dan de meeste creationisten aannemen, zoals het ook veel groter is dan men vroeger vermoeden kon. Het geloof staat of valt daar niet mee.”4 Huijgen: “Die laatste zin zou ik graag willen onderstrepen. Een beetje ontspanning kan geen kwaad.”5 De vraag in dit artikel is of Huijgen en Vraag & Antwoord 25 van de Gewone Catechismus met deze citaten Van Genderen en Velema aan zijn kant heeft als het gaat om de biologische evolutietheorie. Daarvoor moeten we paragraaf 18 van de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek bestuderen. Dat doen we hieronder. In de conclusie vergelijken we kort de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek met Vraag & Antwoord 25 van de Gewone Catechismus.

Evolutietheorieën

In paragraaf 17 worden veel nuttige dingen gezegd over God de Schepper en Zijn schepping. We gaan daar nu, in dit artikel, aan voorbij, maar het loont de moeite om dat door te lezen. In paragraaf 18 wordt aandacht besteed aan ‘schepping en evolutie’. Deze paragraaf omvat 11 pagina’s. Van Genderen en Velema bespreken in die paragraaf resp. de verschillende evolutietheorieën, pogingen om conflicten tussen schepping en evolutie te vermijden, pogingen om een synthese tot stand te brengen tussen schepping en evolutie en ze werpen tegenwerpingen op tegen zowel de evolutieleer als het evolutionisme. In paragraaf 18.1 gaat men in op de verschillende evolutietheorieën zoals Lamarckisme en Darwinisme. Nadat ze deze gedachten beknopt besproken hebben komen ze tot het bespreken van argumenten voor de algemene evolutie. Ze schrijven:

Hier moet iets gezegd worden over de argumenten voor de algemene evolutie (macro-evolutie). De bewijskracht daarvan hangt af van de veronderstellingen waarvan men uitgaat! Wie de evolutietheorie of de evolutionistische denkwijze aanvaardt, zal waarde hechten aan drie categorieën van bewijzen: 1. dat de opmerkelijke overeenkomsten in bouw, functie en ontwikkeling van de verschillende levensvormen verklaard moeten worden uit een gemeenschappelijke afstamming; 2. dat de wetten van de genetica aantonen, hoe levensvormen kunnen overgaan in hoger ontwikkelde vormen; 3. dat uit het fossiele materiaal af te leiden is, dat de hogere levensvormen zich uit de lagere ontwikkelen.6

Bij dit citaat wordt verwezen naar een essay van prof. Ouweneel in het boekje Evolutie en geloof.7 Maar de hoogleraren vinden dat er verder ook genoeg aan deze argumenten voor de algemene evolutie af te dingen valt. Ze schrijven verder:

Daar is echter genoeg op af te dingen. 1. Bij de overeenkomsten die er zijn, behoeft men nog niet aan een gemeenschappelijke afstamming te denken. Men kan blijven staan bij een analoog bouwplan en dan vervalt dit argument. 2. Er is variabiliteit te constateren en er zijn nieuwe rassen en soorten, die soms door kweken, soms onder andere omstandigheden ontstaan. Maar dat is nog geen transformatie van klassen en hoofdafdelingen van het planten- en dierenrijk. 3. Er is tegen het Darwinisme ingebracht, dat bij de gevonden fossielen juist de essentiële schakels ontbreken (missing links). Dat geldt nog altijd van de overgangsvormen tussen de biologische hoofdgroepen. Het is ook niet mogelijk om binnen het geslacht Homo (mens) opklimmende niveaus te onderscheiden.8

Ook hier verwijzen de auteurs naar een essay van prof. Ouweneel in de bundel Evolutie en geloof.9 Volgens hen is dat wat Bavinck opmerkte in zijn Gereformeerde Dogmatiek nog steeds van kracht. Volgens Bavinck is de descedentieleer niet bij machte de oorsprong van het leven begrijpelijk te maken, is het Darwinisme niet in staat om de verdere ontwikkeling te verklaren, is het ontstaan van de mens een onopgelost probleem en heeft als laatste het Darwinisme geen verklaring voor de psychische en geestelijke zijde van de mens. Van Genderen en Velema wijzen op een cirkelredenering: “Van tevoren wordt aangenomen, dat de organische wezens zich van lager naar hoger ontwikkeld hebben en daarop wordt dan de orde en de duur van de sedimentformaties gebouwd. Omgekeerd gebruikt men de orde van de sedimenten weer als een bewijs voor de evolutietheorie.”10 Ze bespreken daarna de kosmologie en stellen zich de retorische vraag: “Is de oerknal dan geen verzamelplaats van onopgeloste problemen? Het standaardmodel is in elk geval door een nevel van onzekerheid omgeven.”11 Na deze laatste zin verwijzen ze naar het boekje van dr. Seldenrijk met als titel Langs natuurwetenschap en evolutie-theorie.12 Uit de bespreking van paragraaf 18.1 hierboven blijkt dat Van Genderen en Velema in hun Beknopte Gereformeerde Dogmatiek afwijzend stonden tegenover de evolutieleer en het evolutionisme. Er zijn talloze problemen en die moeten eerst opgelost worden, zo lijken ze te beweren, maar misschien kunnen we conflicten tussen schepping en evolutie vermijden.

Pogingen om conflicten te vermijden

Na de bespreking van de verschillende evolutietheorieën gaan de auteurs in paragraaf 18.2 verder onder bovenstaande kop. Welke pogingen zijn ondernomen om een conflict te vermijden? Ze bespreken dan een vijftal theorieën: de concordistische theorie, de restitutietheorie, de diluviale theorie, de ideale theorie en de kadertheorie.

De concordistische theorie probeert de Bijbel en de natuurwetenschappelijke gegevens zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming te brengen. Zo wordt bij de dagen van Genesis niet gedacht aan gewone dagen, maar worden deze gelezen als tijdperken van lange duur. De auteurs brengen het volgende bezwaar in:

Steeds meer bleek echter, dat zo geen harmonie te bereiken was tussen de Schrift en de wetenschappelijke beschouwingen. Daardoor verloor dit concordisme de invloed die het eens had. Exegetisch gezien is een groot bezwaar tegen deze opvatting, dat de dagen in Genesis 1 bepaald worden door een afwisseling van licht en duisternis.13

De restitutietheorie probeert tussen Genesis 1:1 en Genesis 1:2 een gat te creëren. In dat tijdsgat zou dan de val van satan plaatsgevonden hebben en in deze staat van verwoesting zouden dan de gebeurtenissen binnen een hoge ouderdom van de aarde kunnen worden geplaatst. Maar ook daar kunnen zaken ingebracht worden:

De Scofield Reference Bible verwijst bij Genesis 1:2 naar Jesaja (24:1; 14:9-14) en zegt, dat er als gevolg van een goddelijk oordeel een geweldige verandering plaatsgreep. In deze teksten is daarvoor echter geen enkel bewijs te vinden. Het is een zuiver speculatieve theorie.14

De diluviale theorie gaat uit van een zondvloed. Volgens de diluvianisten zou de zondvloed veranderingen in de natuur hebben veroorzaakt. Binnen deze theorie zijn de dagen geen tijdperken van duizenden jaren maar evenmin van dagen zoals wij die kennen. Op iedere scheppingsdag is ook veel meer gebeurd dan Genesis ons aanreikt. Hierbij wordt verwezen naar Bavinck. Volgens Bavinck zou de tijd van de schepping af tot aan de zondvloed meer dan genoeg tijd geven om de feiten die de paleontologie en de geologie ons aanreiken een plaats te geven. Volgens Van Genderen en Velema wordt deze diluviale theorie in nieuwere vorm (bijv. andere visie op de scheppingsdagen) met kracht verdedigd door de Creation Research Society in Amerika. De auteurs verwijzen voor Nederlandse werken naar het tijdschrift Bijbel en Wetenschap en de werken van Henry Morris, Alfred Rehwinkel, Arthur Wilder-Smith en Willem Ouweneel. Ook hier hebben ze kritiek op, zij het positiever dan hierboven. Ze verwijzen met instemming in het onderstaande citaat naar de publicatie van drs. Van Delden getiteld Schepping en wetenschap15:

De kritische opstelling van het nieuwere creationisme tegenover de gangbare evolutieleer is sterk, maar wie er in principe voor kiest, moet erkennen, dat het een zeer zware opgave is om tot een aanvaardbare zondvloedgeologie te komen. Zowel voor de evolutionist als voor de creationist geldt, dat men gebruik moet maken van vele veronderstellingen en speculaties, als men zich een beeld wil vormen van de geschiedenis van de aarde.

De ideale theorie houdt niet vast aan de letter van de scheppingsgeschiedenis. Het zou niet om een historische volgorde gaan maar meer om literaire aankleding van een religieuze waarheid. Namelijk ‘dat de gehele wereld door het scheppende woord van God in aanzijn geroepen werd’. Ook hier hebben de auteurs commentaar op. Ze schrijven:

Met deze theorie kan men de wetenschap vrij spel geven, als zij maar niet ingaat tegen de waarheid, dat God de Schepper is. De ideale theorie reduceert het openbaringsgehalte van Genesis 1 in sterke mate. Maar welke grond is er in de teksten zelf om aan louter inkleding te denken?16

Als laatste wordt de kadertheorie besproken. Deze theorie lijkt op de ideale theorie. Volgens verdedigers van de kadertheorie zoals Noordtzij en Ridderbos zou Genesis geen exact verslag bedoelen te geven van wat er bij de schepping gebeurd is. De schrijver van Genesis zet slechts het achtvoudig werken van God in een kader van zes dagen en de zevende dag als rustdag. Van Genderen en Velema:

Een van de belangrijkste bezwaren tegen deze zienswijze is, dat het met de woorden van het sabbatsgebod (Ex. 20:11) niet in overeenstemming te brengen is, dat de scheppingsdagen en ook de zevende dag alleen maar een kader vormden, dat van de schrijver afkomstig is. Ridderbos beseft zelf, dat er ook bij het aanvaarden van zijn opvatting genoeg problemen overblijven.17

Het lijkt erop dat de auteurs van de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek geen van de oplossingen om conflict te vermijden bevredigend vinden. De minste theologische problemen lijken ze echter te hebben met de diluviale theorie.

Pogingen om synthese tot stand te brengen

In deze paragraaf (18.3) bespreken de auteurs de pogingen om een synthese tot stand te brengen. Deze bespreking van de werken van dr. J. Lever is vooral beschrijvend van aard. De bespreking van de synthese Teilhard de Chardin wordt ‘een sterke speculatieve wijze van denken’ genoemd. Ze schrijven:

De evolutie is voor Teilhard veel meer dan een theorie of een hypothese. Hij noemt haar een licht dat alle feiten bestraalt, een curve waarmee alle lijnen moeten meegaan. Er heeft bij hem een vermenging plaats van evolutionistische en religieuze ideeën, waarvan het gevolg is, dat Christus een kosmisch principe wordt. Het heelal wordt gechristificeerd. De evolutie is heilig verklaard!18

Als laatste worden de werken van dr. H. Berkhof kort besproken. Ook hier zijn de auteurs kritisch:

Met behulp van de inzichten die ons door het evolutionaire wereldbeeld worden voorgelegd, wil Berkhof elementen van het christelijk geloof verstaanbaarder formuleren. Maar wie zijn beschouwingen vergelijkt met wat de Bijbel zegt over de goede schepping van God en over de zondeval van de mens, ziet de transformatie die hier plaatsvindt. Het is een andere kijk op de wereld, het leven, de mens, zijn zonde en het heil!19

Ook hier zien de we dat de auteurs, al zijn de besprekingen vooral beschrijvend van aard, niet zoveel zien in de pogingen tot synthese van Teilhard de Chardin en H. Berkhof. Aan de gedachten van J. Lever wordt in paragraaf 18.3 geen waardeoordeel verbonden.

Tegen evolutieleer en evolutionisme

Uit paragraaf 18.2 blijkt, volgens de auteurs, dat er nog geen bevredigende oplossing voor het probleem is gevonden. Een opvallend citaat als samenvatting van paragraaf 18.3:

Pogingen om een synthese tot stand te brengen zoals die ondernomen zijn door Teilhard de Chardin, Lever en Berkhof, leiden tot een theologisch veredelde evolutieleer, die een groot gevaar betekenen voor ons geloof.20

Maar zijn er dan geen uitwegen? Is een boedelscheiding wellicht wat? Tussen twee werelden, twee talen, tussen juistheid en waarheid? Ook hier zijn de auteurs kritisch: “Er is maar één werkelijkheid.” Ze schrijven verder:

Men kan zeggen, dat het in de diverse hypothesen en theorieën gaat om informatie van wetenschappelijke aard, terwijl de Bijbel een boodschap bevat, die ons aanspreekt en die geloofd [sic] en verstaan wil worden. Maar er is toch geen dubbele waarheid?21

Ook het verschil maken tussen juistheid en waarheid is niet bevredigend:

De Bijbelse waarheid is zo zeker, dat men er volkomen op vertrouwen kan (‘emet) en de wetenschappelijke theorieën of modellen moeten altijd weer getoetst worden om te zien of ze voldoen. Daar komt bij dat de wetenschap alleen de waarneembare werkelijkheid tot voorwerp van haar onderzoek kan maken. (…) Het is een gereduceerd beeld van de werkelijkheid.22

Naast de evolutieleer is er ook het evolutionisme. Dit wijzen Van Genderen en Velema radicaal af. God is schepper en er is geen toevallig evoluerende wereld. “Het evolutionisme, dat op de evolutietheorie voortbouwt, is zelf geen wetenschap, maar een wijsgerige beschouwing, die als geloof aan de evolutie lijnrecht tegenover de visie van het christelijk geloof staat”23 Verwijzend naar Schilder wordt een vorm van evolutie aanvaard, namelijk micro-evolutie. Wetenschap moet ruimte krijgen voor hun onderzoek. Genesis 1 schrijft over ‘naar hun aard’, ‘dat zegt niet, dat Hij toen alle soorten geschapen heeft die nu voorkomen’.24 Ook weten we, volgens de auteurs, niet hoeveel tijd er gezeten heeft tussen Genesis 1:1 en Genesis 1:3. Van Genderen en Velema wijzen naar Bavinck die stelt dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de eerste schepping (creatio prima) en de tweede schepping (creatio secunda). Deze tweede schepping was de toebereiding van de wereld waarvoor God de scheppingsdagen gebruikt. Of deze dagen ook gewone dagen zijn daar wordt, volgens de auteurs, verschillend over gedacht. Ze verwijzen dan naar een essay van Ohmann in het boekje ‘In het licht van Genesis’25 die aangeeft dat we er geen twistpunt van moeten maken of de dagen van Genesis 1 precies vierentwintig uren hebben geduurd of niet. Daarnaast naar de Gereformeerde Oecumenische Synode die aangeeft dat het historisch karakter van Genesis 1 en 2 vooropgesteld moeten worden. “De beschrijving van Gods scheppingswerk is gegeven in een vorm die voor mensen verstaanbaar is. Ze bevat geen adequate weergave van deze goddelijke daad, maar is wel genoeg om God als onze Schepper en Here te erkennen en te verheerlijken.”26 Verwijzend naar Aalders: “Wij nemen de aarde waar op welke wij ons bevinden, (…) en nu wordt van ons al deze dingen gezegd, dat ze door God geschapen zijn, en ook in welke volgorde ze door God geschapen zijn.”27 Als laatste verwijzend naar Bavinck: “Op iedere dag is het scheppingswerk zeker veel groter en rijker geweest dan Genesis ons in zijn verheven verhaal summier bericht.”28

In het slot van paragraaf 18 geven de auteurs aan dat in de theologie lang niet alle vragen beantwoord kunnen worden met betrekking tot de oergeschiedenis. Ze schrijven: “Wij houden ons aan de Bijbel, die ons bij het fundamentele bepaalt. Het gaat ook in de scheppingsgeschiedenis om de kennis van God, onze Schepper, de kennis van de wereld als zijn schepping, waarover Hij alleen zeggenschap heeft, en om de kennis van de mens, die naar Zijn beeld geschapen is en die Hij in zijn openbaring aanspreekt.”29 Volgens Van Genderen en Velema zijn we daarmee verder dan de wetenschap die achter het ‘hoe’ en ‘wanneer’ probeert te komen. Ze vervolgen: “De theorie die hen die van de betrouwbaarheid van de Bijbel uitgaan, het meeste aantrekt, is het creationisme , want het erkent God als de Schepper van de aarde en streeft ernaar om op wetenschappelijke wijze te werken met het scheppingsmodel.”30 De theologie zou zich, volgens de schrijvers, niet op wetenschappelijke theorieën als het scheppingsmodel moeten vastpinnen. Hoe plausibel deze theorieën ook mogen zijn, ze hebben altijd iets voorlopigs. “De scheppingsgeschiedenis van Genesis 1 en 2 en het scheppingsmodel van het creationisme vallen niet samen. Als het zondvloedmodel onjuist zou blijken te zijn, raakt dat de betrouwbaarheid van de geschiedenis van de zondvloed in het boek Genesis niet .”31 Bij dit laatste citaat wordt verwezen naar het hierboven genoemde boek van dr. Seldenrijk. Het heelal zou volgens Van Genderen en Velema ook ouder kunnen zijn dan de meeste creationisten aannemen, ‘zoals het ook veel groter is dan men vroeger vermoeden kon.’ We moeten echter niet loslaten dat de aarde in Bijbels licht een unieke plaats is.

De afsluiting is te mooi om te laten staan:

De eerste hoofdstukken van Genesis laten ons zien, wat God ervoor deed om haar tot de goede aarde te maken, die Hij aan de mens gaf om er te wonen en Hem te dienen. Dan volgt de geschiedenis van de val van de mens en de gevolgen daarvan. Alles wat God gemaakt had, was zeer goed (Gen. 1:31). Maar in Genesis 6:12 staat: En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. Toch gaf God zijn schepping niet prijs. Op deze aarde heeft Christus zijn middelaarswerk volbracht. De herschepping en de vernieuwing hebben niet alleen op mensen, maar ook op de aarde betrekking.32

Hoewel de auteurs in deze paragraaf worstelen met de exegese van de eerste hoofdstukken van Genesis, wordt duidelijk dat zij tegen zowel de evolutieleer als het evolutionisme zijn. De theologie dient zich te houden aan de Bijbel en zich niet vast te leggen op wetenschappelijke theorieën.

Conclusie

Prof. Huijgen verbaast zich over de ophef over vraag en antwoord 25 van de Gewone Catechismus. En na de citaten van Van Genderen en Velema geeft hij aan dat een beetje ontspanning in de discussie geen kwaad kan. Het eerste citaat, namelijk dat de theologie zich niet moet vastleggen op wetenschappelijke theorieën als het scheppingsmodel, heeft niets met de verontrusting van Bewaar het Pand te maken. Nergens in het bericht geven de mensen achter Bewaar het Pand er blijk van zich vast te pinnen op een scheppingsmodel. Het tweede citaat, namelijk dat het heelal ouder kan zijn dan wat creationisten beweren (let op: niet ‘ouder is’, maar ‘ouder kan zijn’), kan in de context van paragraaf 18 betekenen dat de auteurs de optie open houden dat het lege heelal ouder is (ze zijn immers tegen een ‘oerknal’) of een open chronologie voorstaan (zie daarvoor de bijdrage van prof. Van Genderen in Evolutie en geloof33). Dit kan echter geen pleidooi vormen voor een ‘evolutie om het even’-benadering van vraag en antwoord 25 van de Gewone Catechismus.

Samenvattend kunnen we het volgende zeggen over de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek van Van Genderen en Velema:
(1) In navolging van prof. Ouweneel, zien de auteurs problemen met een theorie van Universele Gemeenschappelijke afstamming (hier evolutieleer of macro-evolutie genoemd).
(2) De pogingen om conflicten te vermijden leveren geen bevredigende oplossingen op, al wordt de diluviale theorie geprezen om de opstelling tegenover de evolutieleer. Het ‘nieuwere creationisme’ staat echter voor ‘een zeer zware opgave om tot een aanvaardbare zondvloedgeologie te komen’. Alle andere opvattingen lijken te worden afgewezen.
(3) De pogingen om een synthese tot stand te brengen ‘leiden tot een theologisch veredelde evolutieleer, die een groot gevaar betekent voor ons geloof.’
(4) Er wordt radicaal afstand genomen van het evolutionisme dat zelfs God als Schepper wil ontkennen.
(5) Veranderingen in diersoorten zijn waargenomen en vormen geen struikelblok voor de Schriftgelovigen.
(6) Hoe lang de scheppingsdagen exact geduurd hebben weten we niet en we moeten daar ook geen twistpunt van maken. De auteur van Genesis 1 heeft ook niet alles opgeschreven wat God exact gedaan heeft elke dag. ‘Op iedere dag is het scheppingswerk zeker veel groter en rijker geweest.’
(7) De theorie die Schriftgelovigen het meest aantrekt is het ‘creationisme’, omdat deze de Schepper erkent en er naar streeft om op wetenschappelijke wijze te werken met het scheppingsmodel. Toch moet de theologie zich ook hier niet op vastleggen, hoe plausibel sommige modellen ook lijken. Dit omdat ze altijd iets voorlopigs houden. Als een bepaald zondvloedmodel onjuist zou blijken te zijn, raakt dit de betrouwbaarheid van de geschiedenis van de zondvloed niet.

Prof. Huijgen haalt de citaten van Van Genderen en Velema uit de context. Daarnaast zijn deze citaten niet te gebruiken tegen de verontrusting van de mensen achter de stroming Bewaar het Pand. Er wordt wel degelijk iets nieuws gezegd met de Gewone Catechismus. Van Genderen en Velema zouden een ‘evolutie om het even’-opvatting niet verdedigen. Evenmin zouden zij daar ‘ontspannen’ over doen. Integendeel, pogingen tot synthese leiden tot een theologisch veredelde evolutieleer en betekenen een groot gevaar voor ons geloof. Dit laatste is in strijd met de formulering van de Gewone Catechismus dat dit niets afdoet ‘van de liefdevolle bedoeling God deze wereld, maar ook mij, tot zijn eer gemaakt heeft’. De verontrusting van Bewaar het Pand blijft hiermee staan. De opstellers van de Gewone Catechismus gaan in vraag en antwoord 25 veel verder dan de schrijvers van de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek. De Gewone Catechismus bevat echter veel meer vragen en antwoorden. Hoe schrijven de opstellers in de rest van het boekje over ‘geloof en wetenschap’, ‘schepping of evolutie’ en ‘Genesis’? Daar gaan we volgende week naar kijken.

Voetnoten

  1. Pleizier, T.T.J., Huijgen, A., Velde, R.T. te, 2019, Gewone catechismus. Christelijk geloof in 100 vragen en antwoorden (Utrecht: KokBoekencentrum).
  2. Zie: https://www.bewaarhetpand.nl/.
  3. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 259.
  4. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 259-260.
  5. Anoniem, 2019, Bewaar het Pand hekelt visie op evolutie in Gewone Catechismus, Reformatorisch Dagblad 49 (44): 2.
  6. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 251.
  7. Graaf, J. van der, Ouweneel, W.J., Genderen, J. van, Schuurman, E., 1975, Evolutie en geloof. Verleden en Toekomst (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok).
  8. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 251-252.
  9. Graaf, J. van der, Ouweneel, W.J., Genderen, J. van, Schuurman, E., 1975, Evolutie en geloof. Verleden en toekomst (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok).
  10. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 252.
  11. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 253.
  12. Seldenrijk, R., 1988, Langs natuurwetenschap en evolutie-theorie. Een Bijbels-historische ontdekkingstocht (Houten: Den Hertog).
  13. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 253.
  14. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 254.
  15. Delden, J.A. van, 1989, Schepping en wetenschap (Amsterdam: Buijten en Schipperheijn), tweede druk.
  16. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 255.
  17. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 255.
  18. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 256.
  19. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 256.
  20. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 257.
  21. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 257.
  22. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 257.
  23. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 258.
  24. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 258.
  25. Wisse, A.P. (red.), 1986, In het licht van Genesis. Christelijke wetenschappers over schepping en evolutie (Barneveld: De Vuurbaak).
  26. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 258-259.
  27. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 259.
  28. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 259.
  29. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 259.
  30. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 259.
  31. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 260.
  32. Genderen, J. van, Velema, W.H., 1992, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok), p. 260.
  33. Graaf, J. van der, Ouweneel, W.J., Genderen, J. van, Schuurman, E., 1975, Evolutie en geloof. Verleden en toekomst (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok).

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.