Een orgaan van levende wezens dat in de evolutie tijd nodig zou hebben om tot functioneren te komen, kan niet ontstaan zijn. Immers gedurende die benodigde tijd was het element dat aan het ontstaan was, niet nuttig en niet-nuttige organen verdwijnen.

Een orgaan van levende wezens dat in de evolutie een gelijktijdige tweede ontwikkeling elders nodig heeft om tot samen functioneren te komen, kan niet ontstaan zijn. Immers zolang als beide functies niet beide tegelijkertijd tot functioneren in staat waren, waren beide elementen die aan het ontstaan waren, niet nuttig en niet-nuttige organen verdwijnen. (Zien in het oog en in de hersenen, voortplanting met twee geslachten, aderen en hart…)

Een orgaan van levende wezens dat in de evolutie ontstaan zou zijn, omdat het essentieel is voor het voortbestaan van dat wezen, kan niet ontstaan zijn. Immers gedurende de tijd van ontstaan was het element dat aan het ontstaan was, niet aanwezig en zou het wezen niet meer levensvatbaar zijn. (Lymfestelsel, nieren, uitscheiding van verbruikt voedsel….)

Samengevat:
Aan evolutie is per definitie ontstaanstijd inherent, maar die benodigde tijd maakt het ontstaan van nieuwe functies onmogelijk.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. A. Dirkzwager studeerde klassieke filologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het hoofdvak was Grieks, de bijvakken Oude Geschiedenis en Latijn. Van de Griekse en Latijnse teksten die hij te bestuderen had, stamde 40% van christelijke auteurs. Zijn doctoraatsthesis was een inhoudelijke commentaar op de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis door de Griekse aardrijkskundige Strabo. De titel was 'Strabo über Gallia Narbonensis', uitgegeven door Brill, Leiden 1975. Hij was werkzaam als leraar in Nederland en Vlaanderen, later als onderwijsinspecteur. Ook gaf hij colleges exegese Nieuwe Testament en hermeneutiek aan de Evangelische Theologische Faculteit van Heverlee. De exegetische kolom van 1 Timotheus, 2 Timotheus, Filemon en Judas in de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek is van zijn hand, na retouches door de redactie.