Een recent artikel deed me terugdenken aan het boek “De bloemen en haar vrienden”1, dat ik al jaren niet meer had ingezien. Een zogenaamd Verkade-album uit 1934 geschreven door Jac. P. Thijsse (1865-1945). Decennialang verzamelden onze ouders, grootouders en overgrootouders de plaatjes die de Zaanse koekfabriek bij de producten bijsloot om die daarna in te plakken in albums over de natuur en cultuur. Andere fabrikanten kopieerden dit concept. Dat deze vorm van klantenbinding nog steeds werkt zagen we een paar jaar terug bij de dinoplaatjesactie van een ander uit het Zaanse stammend bedrijf. Verscheidene van die Verkade-albums zijn geschreven door Jac. P. Thijsse. Velen zullen zijn naam alleen nog kennen door de tientallen straten die terecht naar hem genoemd zijn, want hij stond, samen met een aantal vrienden, aan de wieg van de Nederlandse natuurbescherming. Een gigantische reeks boeken en artikelen vloeiden letterlijk uit zijn pen. Als niet-academicus deed hij dat allemaal naast het gewone werk als docent aan verschillende lagere en middelbare scholen en zijn vele bestuurlijke en redactionele bezigheden. Een heel nauwkeurig waarnemer was hij, zo blijkt uit zijn beschrijvingen en tekeningen van vooral planten, insecten en vogels.

De bloemen en haar vrienden

Een paar citaten uit het genoemde boek “De bloemen en haar vrienden,” waarna uit het vervolg van deze column wel zal blijken waarom die gekozen zijn. Thijsse schrijft op pagina 8 naar aanleiding van een boek uit 1793: “Het werk van Sprengel is pas wereldkundig geworden in de tweede helft van de negentiende eeuw en wel door tusschenkomst van een nog grooter onderzoeker, den Engelschman Charles Darwin, welbekend. Hij zette Sprengels werk voort en gaf een belangrijk boek uit over de bevruchting bij de bloemen van de beroemde familie van de Orchideeën. Tegelijk vestigde hij de aandacht er op, dat het voor veel planten noodig is, dat hun bloemen bestoven worden met stuifmeel afkomstig van een andere bloem, liefst van een andere plant van dezelfde soort. […] Wij zijn gewoon om den kruisbestuivingsregel te noemen de wet van Knight-Darwin.” Binnen creationistische kringen wordt in de wandelgangen nog al eens meewarig over Charles Darwin gesproken, maar hij was een systematisch, kundig en gewaardeerd onderzoeker. Op pagina 11 en 12 schrijft Thijsse: “Wanneer we nog wat verder in dit album komen, zult ge zien, dat de betrekkingen tusschen de bloemen en de insecten al bijzonder innig en volledig zijn. Bij velen is dat verband zoo innig, dat de bloem niet zonder het insect zou kunnen blijven bestaan, evenmin als het insect zonder de bloemen. […] Onwillekeurig zeggen we, die bloem en die hommel zijn voor elkaar geschapen.” Ondanks zo’n laatste opmerking, was, voor zover ik weet, Thijsse geen christen. Hij geloofde ook in wat wij nu ‘deep time’ noemen, zoals blijkt uit wat hij verder op pagina 12 schrijft: “Nu is er vele millioenen jaren geleden een tijd geweest, dat er nog geen planten met kleurige bloemen waren. Wel had je toen wouden van boomvarens, van reusachtige paardenstaarten en wolfsklauwen en later ook naaldbomen, maar heelemaal geen planten met kleurige bloemen. Ook vinden we onder overblijfselen uit dien tijd in het geheel geen hommels of bijen, noch vlinders, wèl insecten die geleken op de tegenwoordige kakkerlakken en oorwurmen.”

Maar nu naar het artikel dat de aanleiding voor de lange inleiding was. Bij een palinologisch onderzoek nabij Braunschweig in Duitsland, waarbij Nederlandse onderzoekers betrokken waren, zijn in diepe bodemlagen schubben van vlinders gevonden. Palinologen speuren naar allerlei microfossielen, zoals pollen, sporen en dus ook resten van insecten. In hun recente artikel2 beschrijven ze in een boorkern op een diepte van ruim 300 meter stukjes van zo’n 70 schubjes van vlindervleugels te hebben gevonden (zie figuur hieronder). Ook daarvoor moet je een nauwkeurig waarnemer zijn om die priegelobjectjes tussen al het andere materiaal op te merken. De onderzoekers konden herleiden dat een deel van die schubjes hebben gezeten op vleugels van vlinders die behoren tot een groep waar ook veel van onze hedendaagse vlinders en motten bij ingedeeld worden (Coelolepida). Dat zijn soorten met zo’n mooie roltong (proboscis) waarmee ze vocht en voedsel kunnen opzuigen. Op grond van andere waarnemingen worden de aardlagen waarin de schubjes zaten gezien als laat Trias en vroeg Jura. In de evolutionistische tijdrekening ruim 200 miljoen (darwin)jaren3 geleden.

Tot nu toe waren er nog geen aanwijzingen voor vlinders in Trias-lagen gevonden. En volgens de auteurs, uitgaande van hun tijdrekening, wijzen deze schubjes erop dat vlinders 70 miljoen (darwin)jaren eerder op aarde rondfladderden dan tot nu toe werd gedacht. Maar daarmee zitten we wel in een evolutionaire periode waarin, zoals uit het citaat van Thijsse hierboven blijkt, er nog helemaal geen echte bloemplanten (angiospermen) waren. Die vlinders moeten wat anders hebben genuttigd dan nectar. De vinders van de schubjes opperen dat de vlinders van bestuivingsdruppels gebruik gemaakt zouden kunnen hebben. Druppels die naaktzadige planten afscheiden om in de lucht aanwezige stuifmeelkorrels te vangen.

Als de vlinders er niet voor de bloemen waren (en omgekeerd), maar er al vóór de bloemen waren, waar is in dat scenario dat mooie verband tussen nectarzoekende bestuivers en bloemen gebleven? Waar de gezamenlijke evolutionaire ontwikkeling? En heb je als insect dat leeft van bestuivingsdruppels zo’n bijzondere proboscis nodig? Andere insecten kunnen daarvan ook snoepen zonder een roltong. Hoe kan een dergelijke lange tong evolutionair ontstaan als daar geen speciale functie voor is? Vragen te over.

Samenvattend: met het graven in diepe bodems komen er steeds meer details aan het licht die niet in het grote evolutiemodel passen. Toch eens naar een ander model kijken dat deze problemen niet heeft?

Voetnoten

  1. Jac. P. Thijsse, 1934, De bloemen en haar vrienden, Verkade’s fabrieken N.V., Zaandam.
  2. Timo J. B. van Eldijk, Torsten Wappler, Paul K. Strother, Carolien M. H. van der Weijst, Hossein Rajaei, Henk Visscher, Bas van de Schootbrugge, 2018, A Triassic-Jurassic window into the evolutionof Lepidoptera, Science Advances Vol 4, No. 1, 03 January 2018 – [http://advances.sciencemag.org/content/advances/4/1/e1701568.full.pdf].
  3. Darwinjaren is een door David F. Coppedge (crev.info) veel gebruikte term om aan te geven dat aan zulke jaren, door de daaraan ten grondslag liggende vooronderstellingen, een andere betekenis hebben dan jaren waar we gewoonlijk mee rekenen.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Een recent artikel deed me terugdenken aan het boek “De bloemen en haar vrienden”, dat ik al jaren niet meer had ingezien. Een zogenaamd Verkade-album uit 1934 geschreven door Jac. P. Thijsse (1865-1945). Decennialang verzamelden onze ouders, grootouders en overgrootouders de plaatjes die de Zaanse koekfabriek bij de producten bijsloot om die daarna in te plakken in albums over de natuur en cultuur.

...
Read more