Bronnen uit de Vroege Kerk bieden veel aanwijzingen dat Paulus de brief aan de Hebreeën schreef, meent prof. dr. Benno Zuiddam. Het beroep op de kerkvader Origenes voor de tegengestelde opvatting is niet terecht.

Met een beroep op Origenes trekt dr. H. R. van de Kamp, schrijver van een nieuw commentaar op Hebreeën, in het Reformatorisch Dagblad van 13-10-2010 het auteurschap van Paulus in twijfel. „De kerk heeft globaal genomen vijftien eeuwen lang Paulus als de schrijver gezien. Vanaf Luther en Calvijn is die gedachte wat losgelaten, maar ook Origenes gaf rond de overgang van de derde naar de vierde eeuw al aan dat de auteur van de Hebreeënbrief niet bekend is. Dus toen was er ook al onduidelijkheid over.”

Saint_Paul,_Rembrandt_van_Rijn.wikipedia

Apostel Paulus (schilderij van Rembrandt van Rijn)

Van de Kamp is niet de eerste om zich voor deze twijfels op de kerkvader Origenes (ca. 185-254) te beroepen. De evangelicale nieuwtestamenticus F. F. Bruce en anderen deden dat in het verleden ook al. Dit beroep op Origenes is echter even onjuist als onwetenschappelijk.

Kerkhistorisch feit is dat de Hebreeënbrief overal in de Kerk waar zij aanvaard is, altijd als van apostolische oorsprong werd beschouwd en gewoonlijk van de hand van Paulus. In tegenstelling tot wat populairtheologische lectuur de lezer voorgeeft, is het bronnenmateriaal uit de Vroege Kerk dat de brief met de apostel Paulus in verband brengt, vrij overweldigend. Er zijn sterke aanwijzingen dat de brief reeds in het post-apostolisch tijdperk was opgenomen in het paulinisch corpus. Zelfs het bij de moderne tekstedities van Nestle-Aland zo populaire en oeroude Papyrus 47 rangschikt de Hebreeënbrief onder de geschriften van Paulus, na de Romeinenbrief. De meeste oude Griekse manuscripten (ook het Westen las oorspronkelijk een Griekse Bijbel) plaatsen Hebreeën na 2 Thessalonicensen en vóór de persoonlijke brieven van Paulus.

Het verschil in stijl met de andere brieven van Paulus is evenmin iets wat theologen in de 21e eeuw plotseling ontdekt hebben. Dit bezwaar is vanaf de tweede eeuw al genoegzaam weerlegd door mensen die echt verstand hadden van Grieks en de taal zelf spraken. De leermeester van Clemens van Alexandrië, Paetenus (zie Eusebius’ ”Historia Ecclesiastica” 3.11.14) stelde dat Paulus de brief oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven had en dat Lukas alles vertaalde in het Grieks. Al heel vroeg en aan de andere kant van het Romeinse Rijk was Clemens van Rome dezelfde opinie toegedaan.

In tegenstelling tot wat dr. Van de Kamp en andere hedendaagse Bijbelcommentaren ons willen laten geloven, meende ook Origenes van Alexandrië dat Paulus beschouwd moest worden als de auteur van de inhoud van de Hebreeënbrief. Via Eusebius (HE 6.25) weten we van zijn beroemde uitspraak dat God alleen weet wie de brief geschreven heeft. Wie de passage zelf naleest, ziet dat Origenes daarmee bedoelt dat de inhoud van Paulus is, maar dat hij niet met zekerheid durft te zeggen wie deze op papier heeft gezet. Ook stelt hij dat via Clemens van Rome hem het bericht heeft bereikt dat dit Lukas is geweest. Dwars door zijn werken gaat Origenes ervan uit dat Paulus de schrijver van de Hebreeënbrief was (bijvoorbeeld ”De Principiis” Pref. 1; 1.2.5; 1.27; 3.1.10; 4.1.13). Bovendien schrijft hij (”Epistula ad Africanum” 11.67-68) openlijk tegen hen die het paulinisch auteurschap verwerpen en kondigt hij zijn voornemen aan om „duidelijk aan te tonen dat de brief van Paulus is.”

Cruciaal in het debat is mijns inziens de waardering van de primaire bronnen. Als die de waarheid spreken, erkende men in het tijdperk direct na de apostelen Hebreeën als een vertaald werk van Paulus, zowel in Rome als in Alexandrië. Geen anonimiteitstheorie dus. In Noordwest-Afrika lijkt er een gebrek aan overlevering te zijn, wat zou kunnen samenhangen met het feit dat op een later tijdstip de brief in Rome een tijdje discutabel was. Dat is niet vreemd aangezien daar een sterke Marcionitische partij was. Eusebius meldt dat er in Rome enige tijd twijfel was over de canonieke status van Hebreeën, maar er is bij hem geen twijfel dat de brief daarvoor en daarna als paulinisch aanvaard werd. Hebreeën is waarschijnlijk een vertaalde preek van Paulus die door Lukas de Kerk in is gestuurd als rondzendbrief.

Het wordt tijd dat wetenschappers stoppen met elkaar napraten en zelf de bronnen gaan lezen. Laten we geloof in de Schrift en respect voor de kerkelijke overlevering, van Origenes tot artikel 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, bevorderen waar daar wetenschappelijke aanleiding toe is.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. B.A. Zuiddam is hoogleraar Nieuwe Testament, Grieks en kerkhistorie aan de North West University in het Zuid-Afrikaanse Potchefstroom en is daarnaast een vrije presbyteriaanse predikant

6 Comments

Jan van Meerten

Geachte Radagast, Eusebius schrijft: ‘In zijn werk geheten de Hupotuposen geeft Clemens ons, om kort te gaan, samenvattingen van al de canonieke Schriften; ook de boeken die weersproken worden neemt hij daarin op. (…) Clemens beweert dat de Brief aan de Hebreeën van Paulus is, geschreven voor de Hebreeën en in de Hebreeuwse taal; Lukas zou er een nauwkeurige vertaling van gemaakt hebben voor d Grieken. Daarom kan men in de vertaling van deze brief en in het boek van de Handelingen dezelfde kleur, hetzelfde type stijl tegenkomen.’ Bron: Eusebius, 2000, Kerkgeschiedenis. Vertaald bewerkt en van aantekeningen voorzien door dr. Chr. Fahner (Zoetermeer: Boekencentrum), p. 268

Reply
Radagast

Geachte Jan van Meerten,
De Hupotuposen is geschreven door Clemens van Alexandrië en niet door Clemens van Rome. De auteur schrijft echter:
“Al heel vroeg en aan de andere kant van het Romeinse Rijk was Clemens van Rome dezelfde opinie toegedaan.”

Jan van Meerten

Geachte Radagast, u heeft gelijk ik was iets te snel met mijn antwoord, mijn excuses. Overigens is niet elke geleerde er van overtuigd dat Hupotuposen door Clemens van Alexandrië is geschreven, maar Eusebius schrijft het werk wel aan hem toe. Een Masterscriptie, van M. Roelofse, vermeldt het volgende over uw vraag: “Wat wel houvast geeft is 1 Clemens, een vroegchristelijke tekst, die enkele malen de tekst van Hebreeën aanhaalt en ergens geschreven is in de periode 90 t/m 120. Deze aanwijzing in combinatie met het noemen van de naam Timotheüs in 13:23, die waarschijnlijk niet meer geleefd en zeker niet meer rondgereisd heeft na het jaar 100, geeft de bovengrens voor de datering van Hebreeën: het boek is geschreven voor 100 na Christus.” Met in de voetnoot: 1 Clemens 17:1 citeert Hebreeën 11:37 en 1 Clemens 32:2 t/m 6 verwijst naar Hebreeën 1:3 t/m 5, 7. Lane, Hebrews, lxii. Bron: Roelofse, M., 2008, Ingaan in de Rust (Utrecht: Universiteit Utrecht), p. 6.

Reply
Radagast

1 Clemens 17:1 luidt:
“Laat ons navolgers zijn ook van hen, die in geiten- en schapenvachten rondtrokken en de komst van de Christus predikten.”

Hebreeën 11:37 luidt (SV):
“Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;”

Het is natuurlijk best mogelijk dat Clemens hier Hebreeën parafraseerde, maar de verschillen zijn zó groot, dat het niet noodzakelijk is. Tussen Hebr. 1:3-5,7 en 1 Clemens 32 zie ik al helemaal geen overeenkomst. Kunt u citeren wat u daar precies voor overeenkomst in ziet?

Jan van Meerten

Geachte Radagast, het citaat is niet perse mijn gedachte. Het is onderdeel van mijn zoektocht op uw vraag, welke ik een boeiende vind. Wikipedia vermeldt: ‘Clemens Romanus baseert zich vaak op de ideeën in Hebreeën en neemt zelfs uitdrukkingen letterlijk over, maar hij noemt nooit Paulus’ naam in dit verband.’ Helaas geen bronvermelding. In een andere bron (van prof. dr. Roukema) vond ik nog dit: ‘In c. 10 sluit Clemens enkele citaten uit het boek Genesis over Gods beloften aan Abraham af met de woorden: „Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend‟ (10,6; vgl. Romeinen 4,3; Galaten 3,6). Clemens vervolgt: Door geloof en gastvrijheid werd hem in de ouderdom een zoon gegeven, en uit gehoorzaamheid bracht hij hem God ten offer op een van de bergen die Hij hem getoond had. (10,7) Zo staat geloof dus op één lijn met gastvrijheid en gehoorzaamheid. Hierbij sluit aan wat in 11,1 van Lot wordt gezegd: „door gastvrijheid en vroomheid (εὐζέβεια) werd Lot uit Sodom verlost‟. In 12,1 heet het over Rachab: „door geloof en gastvrijheid werd de hoer Rachab verlost‟. Deze drie voorbeelden doen denken aan Hebreeën 11, waar immers Abrahams offer van zijn zoon Izaak en Rachabs gastvrijheid in verband worden gebracht met hun geloofsvertrouwen27. Deze vermelding van de brief aan de Hebreeën herinnert ons eraan dat Clemens allerminst verplicht was, eenzijdig het geloofsbegrip van Paulus over te nemen. Bron: http://www.riemerroukema.nl/downloads/RiemerRoukema-0167.pdf

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over