Vragen en antwoorden over de ijstijd

by | feb 21, 2024 | Geologie, Logos Basics, Zondvloed

Vragen en antwoorden over de ijstijd

In dit artikel wordt ingegaan op vragen rondom de ijstijd. Hoeveel ijstijden zijn er eigenlijk geweest? Hoe past een ijstijd binnen de geschiedenis zoals de Bijbel ons die voorhoudt? Welk deel van de aarde was er dan bedekt met ijs en hoe lang duurde dat? Hoe zit het met bevroren mammoeten en wat was het effect van de ijstijd op de mens? We zullen opnieuw zien dat evolutionaire uitgangspunten tot andere conclusies leiden dan wanneer wordt gerekend met het Bijbels verslag van de geschiedenis. De evolutionist stuit bovendien op moeilijkheden bij het verklaren van welke ijstijd dan ook. Creationisten zien in de zondvloed een mechanisme dat wel een verklaring kan bieden. Je vind deze informatie terug in hoofdstuk 16 van het boek Hoe bestaat het!.

ijstijd

Hoeveel ijstijden zijn er eigenlijk geweest?

Het enige duidelijke bewijsmateriaal dat we hebben, duidt op één enkele ijstijd. We treffen hier nog altijd overblijfselen van aan, zoals gletsjers en de U-vormige valleien die daardoor zijn uitgesleten. Evolutionisten zeggen dat deze ijstijd ongeveer twee miljoen jaar geleden is begonnen en ongeveer 11.000 jaar geleden is geëindigd. Hij werd onderbroken door relatief warme ‘interglaciale’ perioden, die ongeveer 10% van de gehele ijstijd besloegen. De meeste creationisten geloven echter dat de ijstijd kort na de zondvloed begon en minder dan duizend jaar duurde. Zoals we later zullen zien, biedt de Bijbelse zondvloed inderdaad een goede basis om te kunnen begrijpen hoe die enkele ijstijd zich ontwikkelde. Evolutionisten ondervinden echter grote moeilijkheden bij het vinden van verklaringen voor welke ijstijd dan ook.1 In hun interpretatie zouden er meerdere ijstijden zijn geweest, ongeveer om de 20 tot 30 miljoen jaar.

Eerdere ijstijden?

Aan de hand van het principe ‘het heden is de sleutel tot het verleden’2 beweren evolutionisten dat er bewijsmateriaal is voor eerdere ijstijden. Echter, de veronderstelde overeenkomsten tussen gesteenten in deze geologische systemen en de specifieke kenmerken die resteren uit de ijstijd, zijn niet aantoonbaar.3, 4, 5 Tegenwoordig schuren gletsjers over het gesteente wanneer zij zich verplaatsen, en produceren daarbij een afzetting van door elkaar gemengd fijn en grof materiaal. Dit ongesorteerde materiaal staat bekend als till of, wanneer het zich bindt tot een rotslaag, als tilliet.6 De door de gletsjers meegenomen stenen schuren ook parallel lopende groeven in het vaste gesteente wanneer de gletsjers daar overheen schuiven.

De poolvos

Deze groeven worden aangeduid als gletsjergroeven. Wanneer in de zomer een gedeelte van de gletsjer smelt, komt er uit de gletsjer ‘rotsstof’ vrij, dat wegspoelt in gletsjermeren en neerslaat. Hierdoor worden opeenvolgende lagen van fijn en grof materiaal gevormd. Deze lagen worden varven (sedimentaire jaarlagen) genoemd.7 Soms breekt er een brok ijs van de gletsjer of ijskap af en belandt in het gletsjermeer. Eventueel ingesloten keien zullen op die manier in het meer terechtkomen als het ijs verder smelt. Deze ‘dropstones’ vallen in het fijne sediment op de bodem van het meer, de zogenoemde varven, met als gevolg dat daar soms stenen worden aangetroffen. Geologen hebben beweerd dat deze kenmerken in oeroude gesteentelagen zijn aangetroffen. Dat zou bewijzen dat er eerdere ijstijden in de geologische geschiedenis zijn geweest. Vele vormen van bewijsmateriaal duiden er nu echter op dat de waarnemingen verkeerd geïnterpreteerd zijn (zie voetnoot 3):

  • Het tilliet van lagere rotslagen beslaat slechts een klein oppervlak, is gewoonlijk dik en waarschijnlijk allemaal ontstaan in de zee. De tillieten van moderne gletsjers echter beslaan een relatief groot oppervlak, zijn dun en continentaal.
  • Er zijn kalkgesteenten en dolomieten die veelal verward worden met dit tilliet-carbonaat. Deze vormen zich vandaag de dag in warm water en niet in koud water.
  • De grootste keien in het oude tilliet zijn veel kleiner dan de grote keien die momenteel door glaciale activiteit worden afgezet.
  • Massale landverschuivingen die onder water plaatsvinden, kunnen, evenals tilliet-achtige sedimenten, ook een gegroefde ondergrond en gegroefde stenen in het tilliet veroorzaken. Dergelijke landverschuivingen waren te verwachten tijdens de zondvloed.
  • Troebelingsstromen8 kunnen heel snel varve-achtig gelaagde sedimenten afzetten. De term ritmieten is een preciezere aanduiding voor dergelijke sedimenten. Een varve is gedefinieerd als een ritmiet die in één jaar is afgezet. Lambert en Hsu hebben met behulp van bewijsmateriaal uit een Zwitsers meer aangetoond, dat zulke varve-achtige ritmieten zich bij catastrofale troebelingsstromen snel kunnen vormen.9 Op één locatie waren vijf paren van deze varve-achtige ritmieten gevormd binnen één jaar tijd. Bij Mount St. Helens in de VS is een acht meter dikke gelaagde afzetting te vinden, bestaande uit vele dunne varve-achtige laagjes (laminae), die in minder dan een dag gevormd zijn (12 juni 1980).10 Experimenten in een testbassin hebben aangetoond hoe lagen zich snel kunnen vormen als er twee verschillende korrelgroottes samen in het stromende water worden meegevoerd.11
  • De zogenaamde ‘dropstones’ kunnen niet in de ‘oude varven’12 zijn gevallen, omdat dit gepaard zou gaan met een duidelijke verstoring in de gelaagdheid, iets wat zelden wordt waargenomen. Het bewijsmateriaal lijkt erop te wijzen dat ze, met de omliggende sedimenten, zijn afgezet door troebelingsstromen of andere massale stromen. Dit komt opnieuw overeen met wat te verwachten is tijdens een wereldwijde vloed. Met andere woorden, de ‘varven’ zijn niet het resultaat van cyclische, jaarlijkse afzettingen in gletsjermeren.

De omvang van het ijs

We kunnen de gevolgen van de ijstijd nog altijd waarnemen, in het bijzonder bij de enorme ijskappen van Antarctica en Groenland, de Alpengletsjers en de glaciale landschapsvormen en sedimenten. Omdat deze effecten zichtbaar zijn op het huidige landoppervlak, is het duidelijk dat de ijstijd na de zondvloed plaatsvond. Tijdens de ijstijd ontwikkelde zich een omvangrijke ijskap over Groenland en Noord-Amerika (met als zuidgrens het noordelijke deel van de VS) en over Noord-Europa, van Scandinavië tot Duitsland en het Verenigd Koninkrijk (zie afbeelding hieronder). In de Noord-Amerikaanse Rocky Mountains, de Europese Alpen, het Zuid-Amerikaanse Andesgebergte en andere bergketens rustten permanente ijskappen op de toppen, en in de valleien tot aan de voet van de bergen in de laagvlaktes reikten enorme gletsjers.

ijstijd wereldkaart

De globale verspreiding van het landijs op het hoogtepunt van de ijstijd. Naar: Mountain High Maps ® www.Digiwis.com

Een andere ijskap bedekte nagenoeg geheel Antarctica. Er ontwikkelden zich ijskappen op de bergen van Nieuw-Zeeland, Tasmanië en de hoger gelegen delen van het zuidoosten van Australië. Er bestaan nog steeds enkele gletsjers in de hoge Zuidelijke Alpen van Nieuw-Zeeland en in het Andesgebergte, maar in de Snowy Mountains in New South Wales en in Tasmanië resten slechts glaciale landvormen als herinneringen aan de werking van het ijs. Nagenoeg alle schoolboeken beweerden dat het ijs zich in de ijstijd minstens vier keer uitbreidde en weer terugtrok, met daartussenin relatief warme periodes, interglacialen genaamd. Gebaseerd op de zoektocht naar een cyclisch patroon van de ijstijden is het aantal ervan tijdens de laatste twee miljoen jaar van de geologische tijd opgelopen tot twintig. De compacte kleibodems, oude terrasvorming van rivieren en andere fenomenen, die geïnterpreteerd zijn als aanwijzingen voor meervoudige ijstijden, zijn echter beter te verklaren als resultaat van uitbreidings- en terugtrekkingsstadia van één enkele ijstijd na de zondvloed.13

De ijstijd en menselijke bewoning

Het is belangrijk om te bedenken dat zelfs op het hoogtepunt van de ijstijd het ijs nooit meer dan een derde van het landoppervlak van de aarde bedekte. Gedurende de tijd van gletsjervorming op de hogere breedtegraden was er waarschijnlijk een periode van verhoogde regenval dichter bij de evenaar. Deze regenval zal hebben gezorgd voor een overvloed aan water, zelfs in huidige woestijngebieden zoals de Sahara, de Gobi en Arabië. Archeologische opgravingen hebben inderdaad een overvloed aan bewijsmateriaal opgeleverd van rijke vegetatie, menselijke bewoning en complexe irrigatiesystemen in deze nu verlaten gebieden. Er zijn ook aanwijzingen dat in West-Europa, aan de rand van de ijskap, gedurende de gehele ijstijd menselijke gemeenschappen bestonden. De Neanderthalers zijn een voorbeeld hiervan. Vele antropologen erkennen nu dat hun wat grove verschijning op zijn minst gedeeltelijk het gevolg was van ziekten als rachitis en artritis, die veroorzaakt werden door het donkere, koude en vochtige klimaat van deze gebieden in die tijd. De vitamine D-synthese, die nodig is voor een normale botontwikkeling, werkt onvolledig bij een tekort aan zonlicht. Samen met het slechte voedingspatroon zou dit rachitis (Engelse ziekte) veroorzaakt hebben.14 Afgezien van zeer twijfelachtige dateringsmethoden, is er geen reden waarom Neanderthalers niet geleefd kunnen hebben ten tijde van de ontwikkelde beschavingen van Egypte, Babylonië en andere, die zich, dichter bij de evenaar, ongehinderd konden ontwikkelen. Een ijstijd van ongeveer 700 jaar is veel beter verklaarbaar dan een ijstijd van twee miljoen jaar.

De zondvloed: oorzaak van de ijstijd

Voor de ontwikkeling van een ijstijd met grote, zich uitbreidende ijsmassa’s op het land, moeten de oceanen warm zijn op de midden- en hogere breedtegraden en dient het aardoppervlak koud te zijn, met name in de zomer (zie voetnoot 5),15, 16, 17 Er verdampt dan veel water uit de warme oceanen, dat zich naar het land verplaatst. De koude continenten zorgen ervoor dat het water neerslaat als sneeuw in plaats van regen, en voorkomen tevens dat de sneeuw ‘s zomers smelt. Het gevolg is een snelle aangroei van ijs. Langzame en geleidelijke evolutionistische scenario’s18 om de ijstijd te verklaren werken niet. Oude-aardetheorieën behelzen een langzame afkoeling van de aarde, maar dat zal geen ijstijd veroorzaken. Als het zo was dat de oceanen en het land geleidelijk afkoelden, zou tegen de tijd dat alles koud genoeg was om dooi van de sneeuw in de zomer te voorkomen, de verdamping van de oceanen onvoldoende zijn om genoeg sneeuw te genereren voor de kolossale ijskappen.19 Het resultaat zou een bevroren woestijn zijn, geen ijstijd.

Schema ijsvorming op de continenten

De zondvloed en de nasleep daarvan zullen warme oceanen en koude continenten hebben veroorzaakt, die leidden tot een ‘ijstijd’.

De wereldwijde zondvloed, zoals beschreven in de Bijbel, voorziet echter in een eenvoudig mechanisme voor een ijstijd. Tegen het einde van de vloed zouden we warme oceanen verwachten, als gevolg van heet ondergronds water dat zich vermengde met het oceaanwater van voor de zondvloed, alsook door de thermische energie die vrijkwam bij vulkanische activiteit. Oard en Vardiman wijzen op bewijsmateriaal waaruit blijkt dat kort voor de ijstijd het oceaanwater inderdaad warmer was. Dit is terug te vinden in de zuurstofisotopen van de schelpen van kleine waterdieren, foraminifera genaamd.20, 21, 22, 23 Grote hoeveelheden vulkanisch stof en aërosolen zullen, als gevolg van vulkaanuitbarstingen aan het einde van en na de zondvloed, het zonlicht terug hebben gereflecteerd naar de ruimte en daarmee op het land lagere temperaturen hebben veroorzaakt. Hierdoor werden vooral de zomerperiodes kouder.24 Stof en aërosolen verdwenen weliswaar langzaam uit de atmosfeer, maar het aanhoudende vulkanisme van na de zondvloed zal dit gedurende honderden jaren hebben aangevuld. Deze gedachte wordt ondersteund door het feit dat er grote hoeveelheden vulkanisch gesteente gevonden worden in de zogenaamde pleistocene sedimenten, die zich waarschijnlijk direct na de zondvloed hebben gevormd. Dit duidt op aanhoudend en wijdverspreid vulkanisme in de periode direct na de zondvloed.

IJsbeer

De ijsbeer behoort tot de geschapen soort van de beren en heeft zich aangepast aan koude omstandigheden.

Op basis van algemene kennis aangaande circulatiepatronen in onze atmosfeer heeft Vardiman aangetoond (zie voetnoot 21 en 22) dat de warme oceanen en de snelle afkoeling van de polen na de zondvloed extreme atmosferische convectie (circulatie in de atmosfeer) hebben veroorzaakt. Dit zal bij de polen een enorm orkaanachtig systematisch stormklimaat hebben gecreëerd, dat een groot deel van de poolgebieden bestreek. Deze storm, zo meent hij, zou actief kunnen zijn geweest gedurende een groot deel van de periode van 500 jaar tot aan het glaciale maximum (zie hieronder). Dergelijke circulatiepatronen zullen de hogere breedtegraden hebben voorzien van grote hoeveelheden sneeuw, die spoedig tot ijsbedekking zullen hebben geleid. Die verspreidde zich eerst over de continenten en later ook over de oceanen, toen tegen het einde van het glaciale tijdperk het water verder was afgekoeld.

Hoe lang duurde de ijstijd?

De meteoroloog Michael Oard 25 heeft berekend dat er slechts 700 jaar nodig is geweest om de poolzeeën af te laten koelen van een uniforme temperatuur van 30°C aan het einde van de zondvloed tot de temperaturen die momenteel worden waargenomen (gemiddeld 4°C). Deze periode van 700 jaar is de duur van de ijstijd. Het ijs zal zich kort na de zondvloed zijn gaan opbouwen. Ongeveer 500 jaar na de zondvloed was de gemiddelde temperatuur van de oceanen gedaald tot ongeveer 10°C. Hierdoor nam de verdamping af, wat resulteerde in een minder dicht wolkendek. Gecombineerd met de afname van vulkanisch stof in de atmosfeer zal dit ertoe geleid hebben dat meer zonnestraling het aardoppervlak kon bereiken, zodat de ijskappen in toenemende mate wegsmolten. De piek van de ijstijd, het zogeheten glaciale maximum, moet daarom ongeveer 500 jaar na de zondvloed bereikt zijn. Interessant genoeg lijkt er een aantal verwijzingen naar deze ijstijd te staan in het Bijbelboek Job (37:9-10, 38:22-23,38:29-30). Job leefde mogelijk in de laatste fase van de ijstijd. Hij woonde namelijk in het land van Uz, en Uz was een nakomeling van Sem (Gen. 10:22-23). Daarom zijn de meeste conservatieve Bijbelwetenschappers het erover eens dat Job waarschijnlijk leefde in de tijd tussen de torenbouw van Babel en Abraham. God vroeg Job vanuit een wervelwind: ‘Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart de rijm des hemels? Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgronds wordt omvat’ (Job 38:29-30). Dergelijke vragen veronderstellen dat Job, ofwel uit de eerste hand, of door historische of familieverslagen, wist waar God over sprak. Dit is mogelijk een verwijzing naar klimatologische effecten van de ijstijd die nu in het Midden-Oosten niet meer worden waargenomen. Het lijkt erop dat in de afgelopen jaren de conventionele leeftijdsberekeningen voor de ijstijd bekrachtigd zijn door ijskernen (ijsmonsters) afkomstig uit boringen in de ijskappen van Antarctica en Groenland. Men stelt dat de ijsmonsters duizenden jaarlagen laten zien. Laagvorming is zeker zichtbaar in het bovenste deel van de ijskernen, maar de lagen tonen slechts de jaarlijkse patronen van de laatste paar duizend jaar. En dat zou ook het geval zijn wanneer hier een jaarlijkse sneeuwafzetting weergegeven wordt vanaf het einde van de ijstijd. In de onderste delen van de ijskernen zijn de zogenaamde jaarlagen minder duidelijk. Zij kunnen net zo goed het gevolg zijn van andere mechanismen, zoals individuele stormen. Vardiman (zie voetnoot 20, 21 en 22) heeft aangetoond dat de gegevens van de ijskernen het oude-aardemodel alleen maar ondersteunen als ze op die manier geïnterpreteerd worden. De gegevens van de ijskernen passen echter gemakkelijk in het jonge-aardemodel, waarbij het grootste deel van de ijskap is afgezet tijdens de zeer stormachtige circulaties (o.a. orkanen) in de relatief korte periode van circa 500 jaar na de zondvloed. Bij deze interpretatie komen bijvoorbeeld de variaties in de zuurstofisotopen niet overeen met jaarlijkse seizoenen, maar met individuele stormen uit verschillende windrichtingen, waarbij de neerslag afkomstig was van verdamping uit oceanen met verschillende temperaturen.26

Het raadsel van de bevroren mammoeten

Door heel Noord-Europa, Siberië en Alaska zijn er overblijfselen van honderdduizenden wolharige mammoeten gevonden. Jarenlang is er een lucratieve handel in mammoetivoor geweest. Er moeten in Siberië en Alaska minstens één miljoen mammoeten geleefd hebben.27 Maar hoe zou de bevroren woestenij van Siberië ooit genoeg voedsel voor de mammoeten kunnen hebben geproduceerd? Daar leefden ook grote aantallen wolharige neushoorns, bizons, paarden en antilopen. Zelfs wanneer de dieren alleen in de zomer naar Siberië trokken, zou er niet genoeg voedsel voor hen zijn geweest. Bovendien, wat konden dieren als wolharige mammoeten, bizons en paarden drinken tijdens de koude winters? Deze dieren hebben grote hoeveelheden water nodig. Mammoet ijstijd Evolutionisten, met hun oneindig lange tijdperken en meerdere ijstijden, geloven dat Siberië en Alaska, vergeleken met de periode waarin de mammoeten daar leefden, momenteel relatief warm zijn.28 Hoe kunnen deze grote dierenpopulaties dan in deze gebieden geleefd hebben? Er zijn daar nog steeds vele karkassen of delen van karkassen aanwezig.29 De grote meerderheid daarvan vertoonde aanzienlijke tekenen van rotting en verval voordat ze bevroren en door de elementen begraven werden. Er is echter ongeveer een half dozijn ongeschonden bevroren karkassen gevonden. Enkele van de ongeschonden karkassen zijn gevonden met een grotendeels onverteerde maaginhoud. Sommige onderzoekers hebben beweerd dat er een buitengewone, plotselinge bevriezing nodig was om de maaginhoud zo te conserveren. Er is echter ook een onverteerde maaginhoud aangetroffen in de overblijfselen van een niet-bevroren mastodont in de staat Ohio (VS). Onderzoek naar de spijsvertering van olifanten heeft aangetoond dat de maag functioneert als een opslagkamer voor voedsel, terwijl fermentatie en vertering plaatsvindt in het darmstelsel, zoals bij paarden. De maaginhoud van een olifant blijft daarom grotendeels onverteerd. Bij mammoeten zal het vrijwel zeker niet anders geweest zijn. Plotselinge bevriezing is dus niet noodzakelijk om onverteerde resten in de maag te verklaren. De meeste mammoetoverblijfselen verkeerden in verschillende stadia van verval toen ze bevroren. Sommige bevatten poppen van vleesetende vliegen, terwijl andere sporen van aanvreting vertonen, wat erop duidt dat het hier niet gaat om een plotselinge, regionale bevriezing. Enkele plantensoorten die zijn gevonden in de maag van de beroemde Beresovka-mammoet groeien nu alleen in warmere klimaten.

Muskusos

De muskusos, waarschijnlijk behorend tot de geschapen soort van de runderen, heeft zich aangepast aan de kou.

Dit duidt dus op een klimaatverandering in Noord-Siberië en Alaska. De mammoeten leefden daar, omdat het klimaat veel warmer was. Ook was er meer neerslag dan nu. Er zijn zelfs tot in zuidelijk Mexico mammoetoverblijfselen gevonden, wat aantoont dat ze zich waarschijnlijk konden aanpassen aan verschillende klimaatomstandigheden. Grottekeningen van mammoeten zijn duidelijk gemaakt door mensen die na de zondvloed hebben geleefd.30 De overblijfselen van de mammoeten zijn bevroren in slib gelegen boven op sedimenten die door de zondvloed zijn afgezet. Dit betekent dus dat ze zijn bevroren in de ijstijd die volgde op de zondvloed. Uniformitaristische of evolutionistische theorieën, die uitgaan van een langzaam en geleidelijk begin van de ijstijd over een periode van duizenden jaren en het weer langzaam wegebben over evenzo lange periodes, kunnen het begraven en het bevriezen van deze mammoeten niet verklaren. De mammoeten vormen een groot raadsel voor evolutionisten. Het Bijbelse zondvloed- en ijstijdmodel voorziet echter wel in een kader waarbinnen de mammoeten verklaard kunnen worden. Michael Oard denkt dat de mammoeten bedolven en bevroren zijn aan het einde van de ijstijd.31, 32 Er dient te worden opgemerkt dat door de warme Arctische Oceaan na de zondvloed de ijskappen de zee en ook de lage kustlanden niet bedekten, wat resulteerde in een relatief mild klimaat in kustgebieden. Het is dan ook veelbetekenend dat mammoetoverblijfselen veelvuldig voorkomen dicht bij de Arctische Oceaan en op eilanden dicht bij de kust. Er worden ook mammoetoverblijfselen aangetroffen ten zuiden van de meest zuidelijke grenzen van de ijskappen. Dit duidt erop dat de locatie van de ijskappen sterk bepaalde waar de mammoeten leefden en stierven. Pas tegen het einde van de ijstijd bevroor ook de zee en werden de laaglanden (moerasgebieden) permafrostgebieden. In diezelfde periode stierf de mammoet uit. Terwijl de oceanen afkoelden in de honderden jaren na de zondvloed, nam de luchtvochtigheid boven de oceanen af, zodat het klimaat van de arctische kust droger werd. Er kwamen periodes van droogte. De ijskappen smolten, waardoor het land bloot kwam te liggen. Op deze wijze konden enorme stofstormen van zand en silt ontstaan. De zandstormen hebben de mammoeten bedolven; sommige zijn zelfs door de stofstormen gestikt. Dit verklaart waarom de karkassen gevonden worden in wat bekendstaat als yedoma, wat bestaat uit löss of door wind aangevoerd silt. Enkele dieren zijn rechtopstaand begraven. Toen het klimaat kouder werd, raakten ook delen van de oceanen bevroren en ontwikkelde zich permafrost op het land. Het resultaat was dat de karkassen, die begraven waren in zand en silt, bevroren raakten en ook nu nog in die toestand worden gevonden.

De nasleep van de ijstijd

De dieren die van de ark afkwamen, hebben zich in de eeuwen na de zondvloed vermenigvuldigd. Maar door het ontstaan van de ijstijd en het begin van een permanente klimaatverandering aan het einde hiervan, hebben veel dieren het uiteindelijk niet kunnen redden en stierven uit. Sommige, zoals de wolharige mammoet, stierven in catastrofes en klimaatveranderingen en door het verlies van hun natuurlijke leefomgeving als gevolg van de drastische klimaatveranderingen. Toen het ijs zich terugtrok en de neerslagpatronen opnieuw veranderden, verdroogden veel van de goed doorwaterde gebieden, waardoor nog meer dieren uitstierven. De zeer catastrofale zondvloed werd gevolgd door de kleinere hiermee samenhangende rampen van glaciatie (vergletsjering), vulkanisme en uiteindelijk verdroging. Dit leidde tot ingrijpende veranderingen op de aarde en bij haar inwoners, tot de situatie die we in onze tijd zien.

Meer Logos Basics lezen?

Je vind het overzicht hier.

Hoe bestaat het?
Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). De Banier. Het betreft hoofdstuk 16,  ‘Hoe zit het met de ijstijd?’, pagina 245-258. Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

Voetnoten

  1. Anon., ‘Great science mysteries,’ in: U.S. News and World Report, 18 augustus 1997.
  2. De apostel Petrus profeteert dat in de laatste dagen er spotters zullen komen die beweren dat alles nog steeds is zoals het sinds het begin van de schepping geweest is (2 Petr. 3:3-7).
  3. M.J. Oard, ‘Ancient Ice Ages or Gigantic Submarine Landslides?’ in: Creation Research Society Books, Chino Valley, 1997.
  4. M. Molén, ‘Diamictites: ice-ages or gravity flows?’ in: Proceedings of the IInd ICC 2 (1990), p. 177-190.
  5. M.J. Oard, An Ice Age Caused by the Genesis Flood, El Cajon, 1990, p. 135-149.
  6. De fijnere delen van till worden aangeduid als keileem. Geconsolideerde lagen till worden tilliet genoemd.
  7. Een varve (soms aangeduid in het Duits als warve) is een dunne laag bestaande uit sediment, een grof en een fijn deel, waarvan aangenomen wordt dat het gedurende een jaar is afgezet.
  8. Een troebelingsstroom is een sedimentdragende waterstroom, die zich over een helling snel naar beneden beweegt. De stroom heeft een dichtheid die hoger is dan het omringende medium. De karakteristieke afzetting van een dergelijke stroom wordt turbidiet genoemd.
  9. A. Lambert en K.J. Hsu, ‘Non-annual cycles of varve-like sedimentation in Walensee, Switzerland’, in: Sedimentology 26 (1979), p. 453-461.
  10. S.A. Austin, ‘Mount St Helens and catastrophism’, in: Proceedings, Ist ICC, Pittsburgh, 1986, p. 3-9.
  11. P.Y. Julien, Y.Q. Lan en Y. Raslan, ‘Experimental mechanics of sand stratification’, in: CEN Technical Journal 12/2 (1998), p. 218-221.
  12. ‘Varven’ of ritmieten die in gesteente zijn veranderd.
  13. M.J. Oard, An Ice Age Caused by the Genesis Flood, El Cajon, 1990, p. 149-166.
  14. F. Ivanhoe, ‘Was Virchow right about Neanderthal?’, in: Nature 227 (1970), p. 577-579.
  15. M.J. Oard, ’A rapid post-Flood ice age’, in: Creation Research Society Quarterly 16/1 (1979), p. 29-37.
  16. M.J. Oard, ’An ice age within the biblical time frame’, in: Proceedings of the 1st ICC, Pittsburgh 1986, p. 157-166.
  17. C. Wieland, Tackling the big freeze, in: Creation 19/1 (1997), p. 42-43; www.creation. com/article/643.
  18. M.J. Oard, An Ice Age Caused by the Genesis Flood, El Cajon, 1990, p. 1-22.
  19. Hoe hoger de watertemperatuur, hoe meer verdamping, want verdamping vereist veel warmte-energie. Water verdampt niet alleen bij temperaturen boven het kookpunt, maar ook bij lagere temperaturen. Maar hoe hoger de temperatuur, des te meer verdamping.
  20. L. Vardiman, Ice Cores and the Age of the Earth, El Cajon, 1993
  21. L. Vardiman, ‘A conceptual transition model of the atmospheric global circulation following the Genesis Flood’, in: Proceedings of the IIIrd ICC, Pittsburgh, 1994, p. 569-579.
  22. L. Vardiman, ‘An analytical young-earth flow model of ice sheet formation during the “Ice Age”’, in: Proceedings of the IIIrd ICC, Pittsburgh, 1994, p. 561-568.
  23. Foraminifera of forams (populair) zijn dierachtige eencelligen met een kalkskelet. Dat skelet is meestal opgebouwd uit kamers. Door de gaatjes in de tussenwanden van de kamers komen uitstulpingen van celplasma (pseudopodiën) naar buiten, waarmee ze zich kunnen verplaatsen en voeden.
  24. M.J. Oard, An Ice Age Caused by the Genesis Flood, El Cajon 1990, p .33-38.
  25. M.J. Oard, An Ice Age Caused by the Genesis Flood, El Cajon, 1990, p. 109-119.
  26. De zuurstofisotoopconcentraties van sneeuw variëren met de temperatuur van de oceaan waaruit het water oorspronkelijk verdampt is.
  27. M.J. Oard, An Ice Age Caused by the Genesis Flood, El Cajon, 1990, p. 88.
  28. Evolutionisten stellen dat we ons momenteel in een warme ‘interglaciale’ periode bevinden.
  29. M.J. Oard, An Ice Age Caused by the Genesis Flood, El Cajon, 1990, p. 129.
  30. Recent zijn in Nepal olifanten met typisch mammoetachtige eigenschappen ontdekt. Dit kan erop duiden dat mammoeten nog niet zo lang uitgestorven zijn als gewoonlijk wordt aangenomen. Zie ook C. Wieland, ‘Lost world’ animals – found!’, in: Creation 19/1 (1997), p. 10-13; www.creation.com/article/656.
  31. M.J. Oard, ‘The extinction of the woolly mammoth: was it a quick freeze?’ in: CEN Tech. J. 14/3 (2000), p. 24-34; www.creation.com/article/1640.
  32. Dit betekent dat er na de zondvloed ongeveer 600 jaar beschikbaar was voor de opbouw van de dierenpopulaties, inclusief populaties van mammoeten. Met een voorzichtige populatie-verdubbelingstijd van 17 jaar (wat overeenkomt met de generatietijd van levende olifanten) kan een mammoetpaar, zoals het paar dat van de ark afkwam, in 500 jaar een populatie van meer dan 1 miljard dieren voortbrengen.

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!