Waar zijn alle menselijke fossielen?

by | feb 8, 2024 | Geologie, Logos Basics, Paleontologie, Zondvloed

Waar zijn alle menselijke fossielen?

Dit artikel is gebaseerd op hoofdstuk 15 van het boek Hoe Bestaat Het?, waarin wordt ingegaan op vragen rondom menselijke fossielen. Creationisten geloven op basis van het scheppingsverhaal in Genesis 1 dat de dieren en de mens vlak na elkaar door God geschapen zijn. Ook geloven zij dat de meeste fossielen zijn ontstaan tijdens en na de zondvloed waarmee God later de toenmalige wereld vernietigde vanwege de wijdverbreide slechtheid van de mens. Je zou dan verwachten dat we menselijke fossielen bij trilobieten en dinosauriërs zouden aantreffen. Waarom vinden we die niet? En hoe zou de zondvloed ordening in het fossielenbestand kunnen aanbrengen? Lees verder voor antwoorden op deze en andere vragen.

De Bijbel leert ons in Genesis 1 dat de mens al sinds de zesde scheppingsdag op deze aarde is. Hij is geschapen op dezelfde dag als de landdieren, waaronder de dinosauriërs, en één dag na de zeedieren en de vogels. Evolutionisten stellen dat de volgorde waarin de fossielen zijn afgezet (trilobieten heel diep, mensen dicht bij de oppervlakte) moet worden toegeschreven aan een opeenvolging van de levensvormen op aarde gedurende periodes van vele honderden miljoenen jaren. Naar hun idee vertegenwoordigen de rotslagen een enorme tijdspanne. Creationisten daarentegen geloven dat de meeste fossielen zijn gevormd tijdens de één jaar durende wereldwijde zondvloed waarvan Genesis 6 tot en met 9 spreekt (zie hoofdstuk 10 in dit boek). Zij menen daarom dat de orde in het fossiele bestand toe te schrijven is aan de volgorde van afzetten en bedolven worden tijdens de zondvloed en tijdens de meer plaatselijke catastrofes die daarop volgden. Sceptici vragen dan vervolgens waarom bijvoorbeeld de menselijke fossielen niet samen gevonden worden met de fossielen van dinosauriërs.

Vertegenwoordigen de rotslagen enorme tijdperken?

Er is een overvloed aan bewijsmateriaal voorhanden om aan te tonen dat de rotslagen geen enorme tijdspannes vertegenwoordigen. Een voorbeeld hiervan is de reusachtige Coconino-zandsteenformatie in de Grand Canyon. Deze zandsteenformatie is ongeveer 100 meter dik en strekt zich uit over een gebied van ongeveer 250.000 km2. Het op grote schaal voorkomen van crossbedding (schuin afgezette sedimentlagen) toont aan dat het zandsteen is afgezet in diep, snelstromend water in een tijdsperiode van enkele dagen. Ook andere rotslagen in de Grand Canyon laten zien dat ze snel werden afgezet, zonder substantiële tijdsonderbrekingen tussen de afzetting van de afzonderlijke eenheden.1

Grand Canyon menselijke fossielen

Er kan maar weinig tijd verstreken zijn tussen de afzetting van deze beide geologische formaties, want anders zou er verwering hebben plaatsgevonden op het raakvlak ertussen (zie pijl). Dit is het raakvlak tussen de Coconine Zandsteen (boven) en de Hermit Schalie, gelegen naast de Grandview Trail, Grand Canyon. De veronderstelde tijdsperiode tussen de afzetting van deze twee lagen is ten minste 10 miljoen jaar.

De gehele opeenvolging van rotslagen in de Grand Canyon is geplooid in de Kaibab Upwarp. Op sommige plaatsen is de plooiing behoorlijk sterk en zonder scheuren of barsten. Dit duidt erop dat de lagen, waarvan wordt verondersteld dat deze het gevolg zijn van bijna 300 miljoen jaar evolutie, tijdens het plooien allemaal nog zacht waren.2 Dit is verenigbaar met een snelle afzetting en plooiing tijdens de zondvloed in de dagen van Noach. Andere bewijzen voor het niet-bestaan van de lange tijdperken en voor de snelle afzetting van de lagen zijn:

  • Polystrate fossielen – dit zijn bijvoorbeeld fossiele boomstammen die door meerdere aardlagen heengaan, waarvan wordt verondersteld dat ze in vele miljoenen jaren gevormd zijn. Dergelijke polystrate fossielen van bomen komen vaak voor in steenkool en tonen aan dat de lagen snel achter elkaar afgezet moeten zijn, anders zou het bovenste deel van de boomstammen weggerot zijn.
  • Kwetsbare bijzonderheden aan de oppervlakte van onderliggende rotslagen, zoals fossiele stroomribbels (ripple marks) en voetafdrukken. Dit wijst erop dat er geen lange tussenperiode was voordat de volgende laag werd afgezet.
  • Het ontbreken van gefossiliseerde bodemlagen in de strata (aardlagen) waar men ze wel zou verwachten. Dit duidt op het ontbreken van lange periodes tussen de afzetting van de verschillende lagen.
  • Het gebrek aan tekenen van erosie in de rotslagen of tussen de verschillende afzettingen: elke noemenswaardige onderbreking in het afzettingsproces zou geresulteerd hebben in de vorming van waterstroompjes in de blootgestelde lagen als gevolg van de werking van water of wind.
  • De beperkte omvang van discordantie (duidelijke onderbrekingen in de afzettingen).3 Dergelijke discordanties komen slechts plaatselijk voor en ontbreken in dezelfde afzettingen elders. Dit duidt erop dat de tijdsonderbreking plaatselijk en van korte duur was.
  • Klastische ‘dijken’ en ‘pijpen’, waar een zand-watermengsel zich omhoog heeft geperst door de bovenliggende lagen. Hoewel wordt verondersteld dat het onderliggende zand miljoenen jaren ouder is dan de bovenliggende lagen, had het duidelijk geen tijd om te verstenen.
  • en nog veel meer.4, 5

Er wordt verondersteld dat Uluru (Ayers Rock) in Midden-Australië zich langzaam heeft gevormd in een periode van honderden miljoenen jaren. De structuur van de rots laat echter zien dat deze zeer snel en recent moet zijn gevormd (zie ook hoofdstuk 10).6 Het bestaan van vele ‘levende fossielen’ is ook een probleem voor de veronderstelde honderden miljoenen jaren van de geschiedenis van de aarde. Fossielen van zeesterren, kwallen, brachiopoden (armpotigen), tweekleppige schelpdieren en slakken bijvoorbeeld worden door evolutionisten gedateerd op 530 miljoen jaar, maar deze dieren zien er nu nog net zo uit als toen. De Duitse wetenschapper dr. Joachim Scheven heeft een museum met meer dan 500 voorbeelden van dergelijke ‘levende fossielen’. Daarnaast ontbreken sommige van deze fossielen in de tussenliggende lagen waarvan wordt verondersteld dat ze in vele miljoenen jaren gevormd zijn. Dit is opnieuw een aanwijzing dat er geen tijdsonderbrekingen waren.

Aanwijzingen dat dinosauriërs en mensen tijdgenoten waren

Veel bewijsmateriaal wijst erop dat de mens en dinosauriërs samen leefden en niet van elkaar gescheiden zijn door 65 miljoen jaar of meer, zoals evolutionisten geloven:

  • Vele historische verslagen van levende dieren die bekend stonden als ‘draken’ leveren goede beschrijvingen van wat wij dinosauriërs zouden noemen, zoals de Triceratops, Stegosaurus, Tyrannosaurus en Ankylosaurus. De dvd-documentaire The Great Dinosaur Mystery (Het grote dinosauriërmysterie) behandelt enkele hiervan.7 De beschrijving van de Behemoth in Job 40 lijkt op die van een van de grotere dinosauriërs, zoals de Apatosaurus of Brachiosaurus.
  • Niet-gefossiliseerde (‘niet-gemineraliseerde’) dinosauriërbeenderen.8 Hoe kunnen deze beenderen, waarvan sommigen zelfs bloedcellen bevatten, 65 miljoen jaar oud of ouder zijn? Het gaat zelfs de verbeelding te boven om te geloven dat zij vele duizenden jaren oud zijn.
  • Rotslagen waarin dinosauriërfossielen worden gevonden, bevatten vaak zeer weinig resten van planten. De Morrison-formatie in Noord- Amerika is hier een voorbeeld van. Dit is eveneens een aanwijzing dat de rotslagen geen lange tijdperken in de ontwikkeling van het leven op aarde vertegenwoordigen. Als de lagen uit een tijdperk van dinosauriërs zouden stammen, wat aten zij dan? Een grote Apatosaurus zou meer dan 3 ton vegetatie per dag nodig hebben. In veel van de lagen waarin dinosauriërs worden aangetroffen, zijn echter geen aanwijzingen van significante hoeveelheden vegetatie aangetroffen. Met andere woorden: we zien begraven dinosauriërs, maar geen begraven ecosystemen of een ‘tijdperk van dinosauriërs’.

Fossielen op de verkeerde plaats

Veel fossielen en artefacten (vondsten van door mensen gemaakte voorwerpen) zijn op ‘de verkeerde plaats’ aangetroffen.9 Zij bevinden zich bijvoorbeeld in lagen waarvan de evolutionist zegt dat die uit een periode stammen waarin dat organisme niet leefde of die artefacten niet gemaakt kunnen zijn. Er zijn voldoende voorbeelden hiervan. Enkele zijn gepubliceerd in gerespecteerde tijdschriften voordat het evolutionistische paradigma opgang deed. Dergelijke voorbeelden worden tegenwoordig niet gepubliceerd in reguliere evolutionistische tijdschriften, misschien omdat ze onmogelijk passen in een evolutionistisch wereldbeeld. De Nobelprijswinnaar Sir Fred Hoyle heeft in een andere context gezegd: ‘De huidige wetenschap zit opgesloten in paradigma’s. Elke afslag wordt geblokkeerd door onjuiste overtuigingen. Als u tegenwoordig probeert om wat dan ook in een tijdschrift gepubliceerd te krijgen, stuit u op een paradigma en zullen de redacteuren publicatie verhinderen.’10

Het boek Forbidden Archeology (‘Verboden Archeologie’) van Cremo en Thompson noemt enkele ‘niet-passende’ menselijke artefacten.11 Het boek is geschreven vanuit een redelijk verwesterd hindoestandpunt, en wel met de bedoeling om aan te tonen dat de mens vanaf de oudheid aanwezig was. Dit is nodig voor de tijdperken van meervoudige reïncarnatiecycli binnen het hindoegeloof. Overigens maken ‘echte’ hindoes zich niet druk over dergelijke rationalisaties; zij geloven dat de fysieke wereld een illusie is.12

Cremo en Thompson hebben geen probleem met de miljoenen jaren, alleen met de vraag of er al mensen waren. Zij zitten slechts gedeeltelijk op dezelfde golflengte als creationisten: de overeenkomst ligt enkel hierin dat zij net als wij geloven dat de mens hier nagenoeg altijd al was. Wij accepteren echter de miljarden jaren niet. Cremo en Thompson hebben desalniettemin grondig werk verricht, dat geresulteerd heeft in een boek van 914 pagina’s.

Twijfelachtige vondsten

Er zijn weliswaar menselijke fossielen gevonden, vele honderden zelfs, maar over het algemeen in afzettingen waarvan de meeste creationisten denken dat ze van na de zondvloed zijn. De fossielen lagen bijvoorbeeld begraven in grotten uit de ijstijd na de zondvloed. In ten minste één geval zijn er echter menselijke beenderen gevonden in ‘oudere’ lagen.13

Jammer genoeg maakt het gebrek aan gedetailleerde documentatie over hun opgraving het onmogelijk om met zekerheid vast te stellen of de beenderen het resultaat zijn van een intrusie (een latere indringing in eerder gevormd gesteente), hoewel niets erop wijst dat dit het geval zou zijn.

Om vast te stellen of dingen die samen worden gevonden ook noodzakelijkerwijs samen leefden en stierven, kunnen paleontologen fossielen onderzoeken op beschadigingen die het gevolg zouden kunnen zijn van ‘bewerkingen’. Deze beschadigingen zouden een indicatie kunnen zijn dat de organismen niet noodzakelijkerwijs samen leefden of stierven. Als het gaat om ‘niet-passende’ fossielen wordt er echter bijna altijd een beroep gedaan op ‘bewerkte fossielen’ of een ‘stratigrafisch lek’. Dat laatste is het geval wanneer iets ‘jongs’ aangetroffen wordt in ‘oud’ gesteente.

Hoe zit het met het algemene patroon?

Hoewel de rotslagen geen reeks van tijdperken in de geschiedenis van de aarde vertegenwoordigen, zoals algemeen wordt aangenomen, vertonen zij wel een min of meer vaststaand patroon. De relatief immobiele en op de bodem levende zeeorganismen bijvoorbeeld, worden meestal in de diepere lagen gevonden, die complexe organismen bevatten. De mobielere gewervelde landdieren worden meestal in de hogere lagen gevonden. Denk daarbij ook aan de volgende factoren: Fossielen van gewervelden zijn zeldzaam in vergelijking met die van ongewervelde zeeorganismen. Het grootste deel van het fossiele bestand bestaat uit ongewervelde zeedieren of plantaardig materiaal in de vorm van kolen en olie. Fossielen van gewervelden zijn relatief zeldzaam en menselijke fossielen nog zeldzamer.14

zondvloed fossielen

Er is een geordende opeenvolging van fossielen, wat kan worden verwacht bij een wereldwijde overstroming als de zondvloed.

Zelfs als we er even van uit zouden gaan dat er ten tijde van de zondvloed 10 miljoen mensen waren,15 dat al hun lichamen bewaard zouden zijn gebleven en gelijkmatig verdeeld waren over de 700 miljoen kubieke kilometers fossielhoudende sedimentaire rotslagen, dan nog zou er slechts één fossiel in elke 70 kubieke kilometer rots gevonden worden. Het is dus zeer onwaarschijnlijk om zelfs maar één menselijk fossiel te vinden. Een wereldwijde zondvloed die begon met het openbreken van ‘de fonteinen van de grote afgrond’ zou ertoe leiden dat de zeedieren die op de bodem leven als eerste bedolven werden. Vele hiervan zijn immobiel of relatief immobiel. Ook zijn ze overvloedig aanwezig en over het algemeen stevig (bijvoorbeeld schelpdieren).16 Met het stijgen van het water zouden als laatsten de landdieren zijn overstroomd.17

Wel of niet kunnen rennen voor je leven

Hetzelfde geldt voor planten. Eerst zouden waterplanten, dan de moerasplanten en uiteindelijk de planten van hoger gelegen gebieden bedolven zijn. Aan de andere kant moet ook worden bedacht dat mobiele landdieren, zoals zoogdieren en (vooral) vogels, naar hoger gelegen grond konden vluchten, waar ze als laatsten zijn bezweken. De mensen zullen zich hebben vastgeklampt aan vlotten, bomen en ander drijvend materiaal. Na verdrinking hebben lichamen de neiging op te zwellen en te gaan drijven, en ook worden ze aangevreten door vissen. Het gebeente breekt daarbij relatief snel af en wordt juist niet geconserveerd. Dit alles zal ertoe hebben geleid dat menselijke fossielen als gevolg van de zondvloed bijzonder zeldzaam zijn.

Verder is het aannemelijk dat de mobielere, intelligentere dieren tijdens de zondvloed het langst hebben kunnen overleven en als laatsten door het water werden bedolven. Dit betekent ook dat hun overblijfselen werden blootgesteld aan erosie door het terugtrekkende vloedwater aan het eind van de zondvloed. Daardoor zullen hun overblijfselen eerder zijn vernietigd. De intelligentiefactor zou ook voor een deel de duidelijke scheiding tussen bijvoorbeeld dinosauriërs en zoogdieren, zoals koeien, kunnen verklaren.18

Het sorterende effect van water

Een ander punt is het sorterende effect van water. Een steenkoollaag in Yallourn in Victoria, Australië, bevat een laag van een halve meter dik, die voor de helft uit pollen (stuifmeel) bestaat. De enige manier om een dergelijke laag stuifmeel te verkrijgen is door de sorterende werking van water tijdens een enorme (water)catastrofe, waarbij het plantaardige materiaal van een groot gebied werd verzameld en in een bekken in het Yallourn-gebied werd gedeponeerd. ‘Cope’s Rule’ (de regel van Cope) beschrijft de tendens van fossielen, zoals schelpdieren, om groter te zijn naarmate ze hoger in de geologische lagen voorkomen. Maar waarom zou evolutie dingen over het algemeen groter maken? We zien in werkelijkheid dat de levende vormen van de fossielen over het algemeen kleiner zijn dan hun fossiele voorouders. Een betere verklaring voor deze indeling van klein naar groot is de sorterende werking van water.19

De geoloog Woodmorappe geeft in een van zijn artikelen een diepgaande behandeling van het fossiele bestand van de cephalopoda, waaronder bijvoorbeeld de octopus en de pijlinktvis, en hoe dit overeenstemt met de schepping en de zondvloed.20

Dit zijn enkele factoren die de patronen in het fossiele bestand, met inbegrip van de algemene afwezigheid van menselijke fossielen in de afzettingen van de zondvloed, zouden kunnen verklaren. Het grootste deel van het fossiele bestand komt niet overeen met de geschiedenis van het leven op aarde, maar met de orde van bedekking tijdens de zondvloed. Wij zouden bij een wereldwijde vloed een bepaald patroon verwachten, dat echter niet volledig consistent is. Dit is precies wat we terugzien in de geologische lagen.

Reconstructie van geschiedenis blijft lastig

Er zijn problemen met het reconstrueren van iedere historische gebeurtenis, maar dit geldt in het bijzonder voor gebeurtenissen die geen moderne tegenhanger kennen. Zo ook de zondvloed.21 Het is daarom erg lastig om de exacte opeenvolging van gebeurtenissen vast te stellen, waardoor de zondvloed materiaal erodeerde en deponeerde en waarbij fossielen ontstonden. Het is heel goed mogelijk dat er ooit een ondernemende creationistische wetenschapper op de proppen komt met een zondvloedmodel dat een volledige verklaring geeft voor alle fossielen en de verschillende aardlagen.

Meer weten?

Voor de geïnteresseerde lezer zijn er over dit onderwerp enkele interessante publicaties verschenen, onder andere het TAB (Tectonically Associated Biological) ‘provinciemodel’ van Woodmorappe.22 Het zondvloedmodel van dr. Tasman Walker lijkt ook veel van de gegevens te verklaren.23 Het catastrofale plaattektoniekmodel van dr. Austin, dr. Baumgardner en hun collega’s lijkt ook interessant te zijn, vooral met betrekking tot de verklaring van de verspreiding van een groot deel van de fossielen (zie hoofdstuk 11). Andere modellen die ook nuttig kunnen zijn bij het verklaren van het bewijsmateriaal, zijn nog in ontwikkeling.24

Tot slot

Men kan er zeker van zijn dat de evolutionistische kijk op de geschiedenis van de aarde onjuist is en dat het verslag vanuit de rotsen en de fossielen, met inbegrip van de verspreiding van menselijke fossielen logischer te verklaren is in het licht van de Bijbelse beschrijving van de schepping, de zondeval en de zondvloed. Toen God het oordeel over de wereld uitsprak, zei Hij: ‘Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem’ (Gen. 6:7). Misschien maakt het gebrek aan menselijke fossielen van voor de zondvloed wel deel uit van de vervulling van dit oordeel?

Meer Logos Basics lezen?

Je vind het overzicht hier.

 

Hoe bestaat het?

Dit artikel “Waar zijn alle menselijke fossielen?” is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). De Banier.

Het betreft hoofdstuk 15,  ‘Waar zijn alle menselijke fossielen?’, pagina 233-243.

Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

Voetnoten

  1. S.A. Austin, Grand Canyon: Monument to Catastrophe, San Diego 1994.
  2. J. Morris, The Young Earth, Colorado Springs 1994.
  3. Discordantie: binnen de stratigrafie is dit een typering van de oriëntatie van sedimentaire gesteentelagen. Als er een hoekverschil tussen twee lagen zit, worden dit discordante lagen genoemd.
  4. J. Morris, The Young Earth, Colorado Springs 1994.
  5. Zie ook Raging Waters, een video geproduceerd door Keziah Videos, 1998.
  6. A. Snelling, ‘Uluru and Kata Tjuta testimony to the Flood’, Creation 20/2 (1998) p. 36-40; www.creation.com/article/798.
  7. Deze dvd is een uitgave van Mediagroep In Genesis. Zie ook hoofdstuk 19.
  8. C. Wieland, ‘Dinosaur bones: just how old are they really?’, in: Creation 21/1 (1999), p. 54-55 en de daar voorkomende referenties; www.creation.com/article/219.
  9. Bijvoorbeeld: G.F. Howe e.a. ‘Creation Research Society studies on Precambrian pollen, Part III: A pollen analysis of Hakatai Shale and other Grand Canyon rocks’, in: Creation Research Society Quarterly 24/4 (1998), p. 173-182.
  10. J. Horgan, ‘Profile: Fred Hoyle’, in: Scientific American 272/3 (1995), p. 24-25.
  11. M.A. Cremo, R.L. Thompson, Forbidden Archeology, San Diego 1993, p. 797-814.
  12. Dit is een van de redenen waarom wetenschap alleen floreerde in op de Bijbel georiënteerde culturen.
  13. In een kopermijn in Moab, Utah (VS), in het Dakota Sandstone, zijn twee menselijke skeletten gevonden waarvan wordt verondersteld dat ze stammen uit het dinosauriërtijdperk. C.L. Burdick, ‘Discovery of human skeletons in Cretaceous formation (Moab, Utah)’, in: Creation Research Society Quarterly 10/2 (1973), p. 109-110.
  14. J. Morris, The Young Earth, Colorado Springs 1994.
  15. J. Woodmorappe, ‘A diluviological treatise on the stratigraphic separation of fossils’, in: Creation Research Society Quarterly 20/3 (1983), p. 133-185.
  16. De conservering van afdrukken van zachte schepsels zoals kwallen komt echter ook voor en getuigt van snel bedolven zijn.
  17. De Bijbel lijkt aan te geven dat de zondvloed begon in de ‘grote afgrond’ (de zee). Zie ook hoofdstuk 12.
  18. De meeste creationisten beschouwen afzettingen met grote zoogdierfossielen, zoals in de John Day County of Oregon, VS, als stammend van na de zondvloed.
  19. Hoewel over het algemeen grotere rotsen lager terechtkomen, is bijvoorbeeld de dichtheid van grotere schaaldieren over het algemeen minder groot dan bij de kleinere. Het is mogelijk dat zij door de sorterende werking van het water pas zijn afgezet na de kleinere soorten schaaldieren.
  20. J. Woodmorappe, ‘The cephalopods in the creation and the universal Deluge’, in: Creation Research Society Quarterly 15/2 (1978), p. 94-112.
  21. Seculiere geologen veronderstellen ten onrechte dat de geschiedenis van de aarde dezelfde processen heeft ondergaan als die van tegenwoordig. Dit is het dogma van het uniformitarisme, dat de geologie de laatste tweehonderd jaar heeft bepaald. Aangezien er in onze moderne tijd geen wereldwijde zondvloed plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, verhindert deze denkwijze de meeste geologen om het bewijsmateriaal van de zondvloed te herkennen. Zij proberen het bewijsmateriaal te verklaren met processen die slechts in het heden gezien worden. De Bijbel bevat een profetie, in 2 Petrus 3:3-7, betreffende deze verkeerde benadering van de geologie die de bovennatuurlijke schepping en de zondvloed ontkent.
  22. J. Woodmorappe, ‘A diluviological treatise on the stratigraphic separation of fossils’, in: Creation Research Society Quarterly 20/3 (1983), p. 133-185.
  23. T. Walker, ‘A biblical geologic model’, in: Proceedings of the IIIrd ICC (1994), p. 581-592.
  24. Privé-correspondentie met Michael Oard.

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!