Zijn God en evolutie met elkaar te verzoenen? Charles Darwin en velen na hem hebben zich over die vraag gebogen. Als evolutie waar is en God ook, dan lijkt de logische conclusie dat God de hemel en aarde door middel van evolutie geschapen heeft. Toch ligt die gevolgtrekking volgens het wetenschapsveld van de evolutionaire psychologie niet voor de hand. In tegendeel, als Darwin gelijk had, hebben we hoogst waarschijnlijk te maken met een universum zonder God, doelgerichtheid of ingebouwde morele waardenstructuur.

Dat vernietigende oordeel over theïstische evolutie komt niet van iemand die het klassieke scheppingsgeloof aanhangt, maar uit een boek van Cambridge University Press dat geschreven is door een overtuigd evolutionist. Dr. Steve Stewart-Williams is geboren in Nieuw Zeeland en tegenwoordig als evolutionair psycholoog verbonden aan de Universiteit van Nottingham. Zijn boek toont aan dat de leer van Darwin op kernpunten onverzoenbaar blijft met de traditionele godsbeelden van de monotheïstische religies.

Deze negatieve conclusie over de theorie van theïstische evolutie komt voor historici niet onverwacht. Het is immers een gevolgtrekking die het leven van Darwin zelf tekende. Naarmate Darwin het mechanisme van natuurlijke selectie en de implicaties daarvan beter verstond, werd hij steeds minder godsdienstig. Bij het verschijnen van het beroemde “Origin of Species” (1859) lijkt hij zich nog te presenteren als theïstisch of deïstisch evolutionist. Dit kan echter ook uit zelfbescherming zijn geweest omdat bijna iedereen in de Victoriaanse tijd geloofde in God als schepper. In zijn latere jaren laat Darwin zich het best beschrijven als een agnost die de christelijke confessie niet langer voor zijn rekening kon nemen. Daar waren redenen voor. Hoewel het technisch mogelijk is om evolutie en theïsme tegelijkertijd aan te hangen, is het daarmee wetenschappelijk niet de beste oplossing. Darwin vond het later zelfs onwaarschijnlijk, tot verdriet van zijn vrouw Emma die gelovig was en bleef.

Niet zo snel

Op het eerste gezicht lijkt het allemaal prima. Zolang je het Bijbelse scheppingsverhaal niet meer letterlijk leest, maar invult als een sprookje met een mooie historische kern –God die op een manier verantwoordelijk is voor ons bestaan- dan lijkt het te kunnen. De mate waarin God ingrijpt, bijstuurt en plannen maakt, verschilt bij TE-wetenschappers, maar uiteindelijk is voor allen God het “mastermind” achter de evolutie. Er zijn beroemde namen van grote geleerden in hun gelederen, zoals Fisher, Dobzhansky en Collins.

Volgens de doorsnee theïstisch evolutionist zouden geloof en wetenschap elk hun eigen gebied hebben. “Non-overlapping magisteria,” zo noemde Harvard professor Stephen Jay Gould het ooit. Op die uitspraak valt echter heel wat af te dingen. Tegenwoordig is het vooral waar omdat de evolutie theorie elke praktische notie van God als realiteit helemaal uit de exacte wetenschappen heeft weggedrukt.

Vroeger werd daar totaal anders tegen aangekeken. Voor de Verlichting werden geloof en rede niet gescheiden, maar juist geïntegreerd. Het spreken van God ging over de politiek, over de landbouw, over hoe je met dieren en de natuur om moest gaan, over rechtspraak en hoe koningen moesten regeren. Geloven werd niet beperkt tot een privéovertuiging op zondag in de kerk met als belangrijkste praktische functie liefdadigheid in de samenleving. In tegendeel, aan alle westerse universiteiten werd Godgeleerdheid beschouwd als de koningin van alle wetenschappen. Dat kwam omdat theologie de hoogste en betrouwbaarste waarheid voor alle terreinen des levens onderzocht, namelijk het spreken van God.
De scheiding tussen geloof en wetenschap is dus iets nieuws en afgedwongen door een seculaire tijd. Vanuit het klassieke christendom beschouwd is het een bijstelling van de christelijke wereldbeschouwing.

Glijbaan van het ongeloof

Stewart-Williams neemt waar dat in de praktijk theïstische evolutie leidt tot het snijden in de Bijbel. De woorden laat men vaak nog wel staan, maar de betekenistoekenning is radicaal veranderd. Waar het spreken van de Schrift niet klopt met de evolutietheorie, wordt de Bijbel vervolgens anders gelezen. Normale taalwetenschappelijke regels en de geschiedenis van de ontvangst van de tekst worden daarbij genegeerd, hetzij door gebrek aan kennis van de antieke talen of bewust. Vroeger heette dat inlegkunde en dat is het natuurlijk ook. Het gaat niet langer om de boodschap van de antieke tekst, maar om de boodschap die wij willen meenemen. Dat is tegenwoordig populair maar gaat in tegen alle noties van klassieke filologie. Zeg dan liever eerlijk dat je het niet langer met de tekst eens bent.

De Bijbel is weliswaar geen tekstboek voor natuurkunde of biologie, maar het is volgens Stewart-Williams wel heel erg goedkoop om te zeggen dat de Bijbel slechts bedoelt te zeggen Wie de hemel en aarde en alle levende wezens gemaakt heeft (p.62). Een onbevangen lezing van de Schrift laat zien dat het hoe van de schepping in de teksten zelf een belangrijke plaats inneemt. Dat gebeurt niet slechts in Genesis, maar dwars door de Bijbel. Niet voor niets hebben christenen het allemaal bijna tweeduizend jaar lang gewoon letterlijk geloofd.

Een theïstische evolutionist kan daar positief tegenover stellen dat evolutie ons geholpen heeft om de ware boodschap van de Bijbel beter te verstaan, om het kaf van het koren te scheiden als het ware. Maar is dat werkelijk zo? Is het niet veel realistischer om te zeggen dat de Bijbelschrijvers het bij het verkeerde eind hadden vanwege hun beperkte kennis en primitieve wereldbeeld? Is het niet moediger om hardop toe te geven dat de Bijbel praktisch gesproken een boek vol met fouten is, en dat waar theologen meer kennis en een beter wereldbeeld hebben dan de Bijbelschrijvers, zij traditionele overtuigingen mogen, ja moeten bijstellen? Wij weten niet alleen meer, maar kennelijk ook beter dan de apostelen.

Stewart-Williams heeft er weinig twijfel over. “Dat hele idee dat Genesis een metafoor zou zijn en dat evolutie van de heerlijkheid van God getuigt, lijkt helemaal op het spin-dokteren wat politici zo’n slechte naam geeft. Liberale christenen veranderen de oorspronkelijke overtuigingen van hun geloof om die passend te maken bij de evolutie theorie en doen dan alsof er nooit een bedreiging was. Daarmee doen ze alsof het maar niets betekent dat ze hun eigen godsdienst radicaal herschreven hebben. Eigenlijk moeten we zeggen dat het niet langer dezelfde godsdienst is als van waaruit hun overtuigingen evolueerden; het deelt slechts nog dezelfde naam.”(p.63)

Van veel overtuigingen die in theïstisch evolutionistische kring geventileerd worden, vraagt de evolutionair psycholoog zich af hoeveel dat nog te maken heeft met geloof in traditionele zin. Theodosius Dobzhansky, bijvoorbeeld, was een prominent theïstisch evolutionist, maar verwierp het bestaan van een persoonlijke God en het leven na de dood. Blijkbaar gaat in de praktijk de combinatie van theïsme en evolutie altijd ten koste van het eerste. De eerste theïstisch evolutionist die steeds meer van het Woord van God gaat geloven, moet nog geboren worden. Gewoonlijk is het eenrichtingsverkeer waarbij het geloof inlevert.

Wensdroom of wetenschap?

Problematischer in evolutionair-psychologisch opzicht is dat theïstische evolutie geen recht doet aan de hoofdgedachte van Darwin. De rode draad in zijn theorie bestaat juist uit de gedachte dat er geen bewust ontwerp van de natuur of van soorten bestaat. Theïstische evolutie is dus technisch wetenschappelijk een contradictio in terminis. In Darwin’s theorie bestaan er geen oorzaken of hogere doelen voor evolutie, maar slechts kans-mutaties.

De gedachte aan een door Hogerhand geleide evolutie is inconsistent met het hart van Darwins theorie. Het is op zijn best een vorm van “wishful thinking,” iets wat we graag willen blijven geloven zonder dat we daar nog enige wetenschappelijke redenen voor hebben. Het klassieke christendom geloofde ook in diepere oorzaken en Gods regering van alle dingen als een mysterie, soms schijnbaar tegen de feiten in, maar daarbij was een ingrijpend verschil. Haar wereldbeeld had Gods betrouwbaar spreken als erkende wetenschappelijke vorm van kennis. Dat is bij theïstische evolutie weggevallen.

Een tweede belangrijk probleem zijn de onvolkomenheden die we in de natuur aantreffen in het ‘ontwerp’ van levende wezens. Zonder een echte zondeval en daadwerkelijke vloek die een volkomen schepping aantastte, is daar geen goede verklaring meer voor. Als er echt een goede en almachtige God was, had hij volgens de evolutionaire psychologie beter werk moeten leveren. Theïstische evolutie negeert immers over het algemeen de Bijbelse notie van de zondeval en de kosmische implicaties ervan als materiële werkelijkheid. Men denkt vanuit de tegenwoordige toestand van de wereld terug te kunnen extrapoleren naar “in den beginne.” De seculaire evolutietheorie heeft goede verklaringen voor imperfecties na kans-mutaties, maar als het proces door een almachtige Hand geleid wordt, vallen die weg. De evolutionistische psychologie ziet theïstisch evolutionisme in wetenschappelijk opzicht dus als een verslechtering van de theorie, omdat het in plaats van meer te verklaren extra vraagtekens oplevert.
Theologisch zijn de problemen die daaruit voortvloeien zonder weerga. Professor Kuitert zei reeds dat je dan de trits van schepping, zondeval en verlossing kon afschrijven en hij voegde de daad bij het woord. Stewart-Williams stelt terecht dat als de wereld feilbaar gemaakt is, dat dit wel moet leiden tot een ander Godsbeeld dan dat van de grote monotheïstische godsdiensten. De werkelijkheid van de natuur op dit moment wijst immers niet op een almachtige en goede God, maar is daar veeleer mee in strijd. Velen hebben dit probleem opgelost door het geloof in de persoonlijke God van de Bijbel te vervangen door een onpersoonlijke kracht. “May the force be with you!” Dat is essentieel de ‘god’ van Einstein, Dobzhansky en George Lucas.

Een derde probleem ligt op het terrein van de ethiek. Moraliteit is in het darwinisme uiteindelijk een gevolg van aan specifieke situatie gebonden mutaties en het succes daarvan. Het boek van Stewart-Williams laat zien hoe de evolutie theorie niet alleen de menselijke waardigheid ondermijnt (p.258-279), maar ook alle denken over goed en kwaad in absolute termen. Met de publicatie van Darwins Descent of Man (1871) was dat duidelijk voor goede verstaanders. Goed en kwaad waren niet meer absoluut. Eigenlijk was het nog maar de vraag of er zoiets bestond als menselijke schuld. Ook de mens is immers door omstandigheden en kans-mutaties bepaald, een product van genen en omstandigheden. Nietzsche zag dat indertijd al scherp. Mensen geloofden nog wel in goed en kwaad en daaruit voortvloeiende zondeschuld, maar in principe bestonden deze dingen niet objectief.
Dat betekent niet dat de mens geen moreel wezen is of dat evolutionisten automatisch een slecht leven leiden, maar wel dat objectieve moraliteit geen plaats meer heeft in het denken. Ethiek werd situatie-gebonden. De gevolgen in een specifieke context, de trap op de evolutionaire ladder en genetische overwegingen zijn bepalend voor keuzen. Die zijn niet meer moreel in de klassieke zin, hoogstens een afspraak tussen mensen zoals de regels van het schaken. Voor Stewart-Williams ligt de oplossing in het utilitarisme, ofwel “the greater good,” het nut van het algemeen. Het vermijden van lijden en het bevorderen van blijdschap missen dan filosofisch na Darwin alle grond, maar ze zijn op praktische gronden goed te verdedigen als persoonlijke keuze (p.305-307). Dat er juist aan het utilitarisme grote hakenkruizen en communistische ogen zitten, wordt door de auteur helaas genegeerd.

Zelfkritiek

De materie van dit boek moedigt ook aan tot zelfkritiek. In hoeverre hebben ook wij de Heere weggedrukt uit ons denken en handelen? Speelt materialisme in ons denken en leven misschien een belangrijker rol dan bij twijfelaars aan de klassieke scheppingsleer? Is er gerechtigheid in de kerk of hebben ook wij gecapituleerd voor het algemeen belang? In hoeverre vervullen andersdenkenden de Wet van Christus terwijl ons leven het evolutionaire recht van de sterkste adverteert?

N.a.v. Steve Stewart-Williams, Darwin, God and the meaning of life, how evolutionary theory undermines everything you thought you knew of life, Cambridge: Cambridge University Press 2010.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. B.A. Zuiddam is hoogleraar Nieuwe Testament, Grieks en kerkhistorie aan de North West University in het Zuid-Afrikaanse Potchefstroom en is daarnaast een vrije presbyteriaanse predikant