Weg vrijheid van onderwijs!

by | okt 28, 2021 | Geschiedenis, Onderwijs

Al jaren staat artikel 23 van de Grondwet ter discussie. Op alle mogelijke manieren wordt het principe van vrijheid van onderwijs, waar dat artikel 23 over gaat, aangevallen of uitgehold. We dreigen de vrijheid van onderwijs kwijt te raken. En dat komt niet alleen en in de eerste plaats door progressief liberale stromingen, maar komt voor een belangrijk deel ook voor rekening van (christelijke) scholen die hun identiteit niet heel serieus hebben genomen…

Alle begin is moeilijk

Ruim tweehonderd jaar geleden bestonden er in ons land alleen maar openbare scholen. Op die scholen werd levensbeschouwelijk onderwijs gegeven, leerde men lezen vanuit de Bijbel en moest de Heidelbergse catechismus uit het hoofd worden geleerd. Al in 1798 kende ons land een soort wettelijke bepaling voor het onderwijs die ging om het bevorderen van ‘verlichting’ en ‘beschaving’. Dit denken was mede een gevolg van De Verlichting in de 18e eeuw en de Franse Revolutie in 1789, die vrijheid, gelijkheid en broederschap voorstond.

De macht van de koning en de kerk werd aan banden gelegd en vervangen door de filosofie van de rede, die in Frankrijk aan de Revolutie vooraf ging. Gevolg van dit denken was, dat de Bijbel steeds meer verdween uit de school. Openbare scholen begonnen en sloten de dag nog wel met een kort gebed, maar het onderwijs op die scholen mocht beslist niet leerstelling zijn.

In 1806 werd in de Schoolwet het doel van het onderwijs vastgelegd: De opvoeding tot maatschappelijke en christelijke deugden. Die wet maakte voor het eerst ook onderscheid tussen openbare en bijzondere scholen. Maar van gelijke bekostiging was geen sprake. Openbaar onderwijs was in die tijd dus nog christelijk onderwijs. Veel katholieken en protestanten zagen het openbaar onderwijs echter steeds verder afglijden van de christelijke deugden en de beginselen van de Bijbel.

De Grondwet van 1814 noemde het onderwijs ‘een aanhoudende zorg voor de regering’. In 1848 werd hieraan toegevoegd, onder aanvoering van de liberaal J.R. Thorbecke:

  • Het openbaar onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg der Regering. De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld.
  • Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoende openbaar lager onderwijs gegeven.
  • Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.

Pacificatie

Het geven van onderwijs is vrij. Dat wil zeggen dat naast openbaar onderwijs ook bijzonder onderwijs kon bestaan. Dit onderwijs moest echter wel door de ouders zelf worden betaald en er werden in die tijd grote, financiële offers gebracht.

De nieuwe Lager-onderwijswet, die in 1857 de wet uit 1806 moest vervangen, vormde het begin van een politieke groepsvorming die zou leiden tot de verzuiling. Het begin van een schoolstrijd was hiermee ook geboren. De vraag was of het Rijk, naast de openbare christelijke school, ook subsidie zou moeten geven aan particuliere (christelijke) scholen. Vanuit liberale hoek was er verzet tegen die gelijkstelling. In 1878 werd een nieuwe Schoolwet aangenomen. De radicaal-liberale minister J. Kappeyne van de Copello probeerde via deze nieuwe Schoolwet de groei van de bijzondere scholen te stoppen.

De nieuwe eisen die aan de scholen werden gesteld golden in gelijke mate voor het openbaar en bijzonder onderwijs. Het openbaar onderwijs kreeg echter de kosten uit de algemene middelen vergoed, terwijl het bijzonder onderwijs geen cent ontving. De Unie ‘Een school met den Bijbel’ ging vanaf dat moment jaarlijks een collecte houden voor het christelijk onderwijs. De strijd om financiële gelijkstelling zorgde ervoor dat de ARP en de Katholieken gingen samenwerken.

Hoewel de Grondwet subsidiëring van het bijzonder onderwijs mogelijk maakte, werd in 1889 de Lager-onderwijswet zo gewijzigd, dat subsidieverlening aan bijzondere (christelijke) scholen mogelijk werd. Het verzet van de liberalen tegen subsidiëring werd deels opgegeven. Uitbreiding van de subsidiëring van het bijzonder onderwijs vond plaats door het (rechtse) kabinet-Kuyper. De linkse partijen hadden hier bezwaren tegen, vooral omdat men dezelfde eisen van kwaliteit wilden stellen aan het bijzonder onderwijs.

In 1901 werd de leerplicht ingevoerd, zeer tegen de wens van de confessionele partijen. Zij zagen dat in veel gebieden waar geen bijzonder onderwijs bestond, de ouders verplicht zouden worden hun kind naar de openbare school te sturen. Enkele jaren later (1905) regelde het kabinet-Kuyper dat de salarissen, van de onderwijzers in het Bijzonder onderwijs, door de Staat zouden worden betaald.

Rond 1913 wilde men een definitief einde maken aan steeds weer oplaaiende schoolstrijd. Er werd een Staatscommissie ingesteld, bestaande uit leden van alle politieke partijen. In 1916 kwam deze commissie met het voorstel om het bijzonder onderwijs, dat voldoet aan wettelijke eisen (zoals ook voor het openbaar onderwijs gelden), recht zou krijgen op subsidie van het Rijk.

Het kabinet nam deze visie over en paste dat in 1917 aan in de Grondwet en in 1920 in de nieuwe Lager Onderwijswet. De pacificatie, of gelijkstelling, tussen openbaar en bijzonder onderwijs was daarmee een feit; zij werden gelijk bekostigd en er was vrede.

Maar de schoolstrijd zou nog lang niet ten einde zijn.

Nieuwe schoolstrijd

De pacificatie van 1917, toen velen meenden dat de winst behaald was, kun je wel degelijk zien als het begin van een nieuwe strijd; de strijd om de identiteit.

Van binnenuit lijkt de druk op die identiteit vorm te krijgen in de secularisatie. Velen binnen het onderwijs nemen God, de Bijbel en het geloof niet meer zo serieus in het persoonlijk leven en daarmee ook niet binnen het schoolleven. Daar komt nog bij dat gedacht wordt dat onderwijs wel waardenvrij gegeven kan worden; zeker gezien de toestroom van vele, uit het buitenland afkomstige, leerlingen. En natuurlijk moet ook het aantal kinderen dat de school bezoekt in de gaten worden gehouden, want terugloop in aantal betekent minder geld en misschien leerkrachten ontslaan.

Van buitenaf is er de voortdurende druk van de Tweede Kamer, onze overheid en de diverse onderwijsinstellingen, om het onderwijs aan te passen aan de eisen van de samenleving. Scholen moeten tegemoet komen aan de wil van de pluriforme samenleving en de veranderingen in die gedigitaliseerde en globalistische wereld. In dat onderwijs mogen mensen niet meer worden uitgesloten of gediscrimineerd.

Artikel 23 ter discussie

DE GRONDWET
ARTIKEL 23 – ONDERWIJS

  1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  4. In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs
    uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten Generaal.

Artikel 23 van de Grondwet is een typisch Nederlands verschijnsel. Daar staat dat we, als het om onderwijs gaat, de vrijheid hebben van richting, inrichting en oprichting. Volgens de wet hebben we dus twee soorten onderwijs: openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs, die beide uit de Staatskas worden betaald.

  • Openbaar Onderwijs wordt door de overheid verzorgd en is er voor iedereen, met of zonder godsdienst of levensovertuiging.
  • Bijzonder Onderwijs is er voor mensen met een godsdienst of levensovertuiging.

Dit Grondwetsartikel is sinds 1814 het meest omstreden artikel van alle grondwetsartikelen. De bezwaren zijn onder meer dat de bekostiging van het bijzonder onderwijs, (meestal christelijk, maar ook wel op didactische principes gebaseerd onderwijs) in strijd is met de scheiding van kerk en staat (Liberaal Manifest 2005).

Met name de liberalen gebruikten dit als argument om gelijke bekostiging tegen te houden. D66, bij monde van Rob Jetten en Thijs Kleinpaste, meent dan ook dat het recht op religieus onderwijs achterhaald is en in strijd is met fundamentele mensenrechten (RD 2009-06-13).

D66 is van mening dat religieus onderwijs om twee fundamentele redenen niet kan worden geaccepteerd:

  1. Het rechtvaardigt een cultuur waarin vrijheid wordt gereduceerd tot het recht je te houden aan de religieuze opvattingen van de onderwijsinstelling;
  2. De intellectuele vrijheid van opgroeiende kinderen wordt ingeperkt. Ouders bepalen namelijk op welke school hun kind wordt geplaatst.

De overheid heeft via de Inspectie van het Onderwijs niet de mogelijkheid de godsdienstlessen te toetsen op extremiteiten, want dan moet de Overheid zich bemoeien met de interpretatie van religieuze zaken. Daarom pleiten Jetten en Kleinpaste voor het opdoeken van scholen die op basis van een levensbeschouwelijke visie doceren.

Maar daarmee pleiten zij feitelijk voor het opdoeken van alle scholen, want welke school doceert niet op basis van een levensbeschouwelijke visie?! Welke politieke partij heeft geen levensbeschouwing die ten grondslag ligt aan het handelen? Sinds er ook islamitisch onderwijs in Nederland wordt gegeven laait de discussie hierover weer op.

Behoudende christelijke scholen weren allochtone- en achterstandsleerlingen, zo luidt de kritiek. Daarom moeten de ouders van die leerlingen wel eigen islamitische scholen oprichten. Dat zorgt echter voor segregatie. En precies dat willen de liberalen niet.

De VVD-er Dijkhof wil ook stoppen met de bekostiging van het bijzonder onderwijs, omdat op die scholen waarden worden aangehangen die strijdig zijn met de algemeen geaccepteerde kernwaarden ‘vrijheid en gelijkwaardigheid’. Mensen mogen op geen enkele manier worden beperkt in haar of zijn vrijheid (In: Liberalisme dat werkt voor mensen – 2019).

Ook de PvdA pleit voor gelijkheid en gelijke behandeling en wil het moeilijker maken voor behoudende christelijke- of islamitische scholen, om zich achter de vrijheid van onderwijs te verschuilen.

Curriculum overladen

Het nieuwe curriculum, dat vanaf 3 november besproken wordt in de Tweede Kamer, is hét middel om de ‘gemeenschappelijke kern’ van het onderwijsaanbod scherper te definiëren, zo stelt de Onderwijsraad in zijn advies ‘Grenzen stellen, ruimte laten’ (Advies over artikel 23 – vrijheid van onderwijs 5-10-2021).

Aanleiding voor dit advies waren de spanningen die aan artikel 23 kleven. Want waar ligt de grens aan de vrijheid van onderwijs? Mag je bijvoorbeeld een les geven over vrouwenbesnijdenis en dit gebruik afwijzen? Of is het toegestaan in een les over de Homo-acceptatie, te wijzen op het Bijbelse principe van het huwelijk van één man met één vrouw?

Onderwijsvrijheid wordt door de Onderwijsraad bekeken vanuit het perspectief van de democratische rechtsstaat om zo tegemoet te komen aan ouders en groepen in de samenleving die een bepaalde pedagogische opvatting, (levens)overtuiging of religie hebben.

De Onderwijsraad geeft aan dat scholen ruimte hebben binnen drie ringen:

  1. Een gemeenschappelijke kern voor alle scholen en leerlingen — onderwijsaanbod waarvan iedereen kennis moet nemen.
  2. Een ‘groene zone’ – het deel waarin scholen vrij zijn om vanuit hun eigenheid onderwijs te verzorgen. Deze mag de overheid niet te klein maken.
  3. Een buitengrens – scholen mogen niet de grens van de democratische rechtsstaat over.

Hierbij moet met name het 1e punt, de gemeenschappelijke kern, scherper worden geformuleerd, aldus de Onderwijsraad. De beste weg hiervoor is een duidelijke uitwerking van het burgerschapsonderwijs in het curriculum. De Onderwijsinspectie kan hier toezicht op houden op basis van de Wet Burgerschapsonderwijs.

In die gemeenschappelijke kern, voor alle scholen en alle leerlingen, ligt nu het probleem. De Tweede Kamer bepaalt namelijk wat er in het curriculum komt. De wensen van de Kamer worden bepaald door de levensbeschouwing van de politieke partijen, die bijna allemaal worstelen met hun identiteit – zeker gezien naar het aantal afsplitsingen en nieuwe samenwerking.

De wensen van de Kamer lijken ook te worden ingegeven door de waan van de dag; de wereld en de opvattingen over actuele kwesties veranderen snel. In het Parlement bepaalt dus een meerderheid – de helft + één – de inhoud van het curriculum, dat, door alle verschillende partijen met hun uiteenlopende wensen, te zwaar beladen kan worden.

Burgerschap

Burgerschapsonderwijs was al verplicht, maar op 1 augustus 2021 werd de opdracht aan de scholen duidelijker en stevig verankerd; de Eerste Kamer stemde in met de nieuwe wet. Ook schoolbesturen spelen hierin een belangrijke rol. Zij moeten een duidelijke burgerschapsopdracht communiceren in de richting van hun scholen.

Verder heeft het schoolbestuur een zorgplicht voor de schoolcultuur. Daarbij gaat het om vraagstukken die de identiteit raken van de school als geheel, maar ook van de verschillende individuen, de voorgestane onderwijsconcepten en de praktijk van alle dag. Hoe gaan we bijvoorbeeld om met het creationisme binnen het christelijk onderwijs. Dat mag niet worden afgedaan als slechts geloof, want daar ligt wel degelijk wetenschap aan ten grondslag.

De Tweede Kamer wil dat de regering bij de herziening van het curriculum allereerst prioriteit geeft aan basiskennis- en vaardigheden Nederlands, rekenen/wiskunde, Engels en burgerschap.

Leerlingen moeten voortaan leren over de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en over mensenrechten. Verder moeten scholen sociale en maatschappelijke competenties bijbrengen die ze later in de samenleving nodig hebben.

De nieuwe wet moet wel verder worden uitgewerkt in nieuwe kerndoelen, die zorgen voor meer samenhang in het totale onderwijsprogramma. Veel linkse en liberale partijen zien de oplossing in waardenvrij onderwijs.

Waardenvrij onderwijs

Veel scholen (zowel besturen als teams) weten vandaag niet meer wat de waarden zijn waarop hun onderwijs gebaseerd is. Dat betekent dat scholen open staan voor allerlei maatschappelijke gevoeligheden, want je weet maar nooit…

De meeste leraren – zo niet alle leraren – geven les vanuit hun eigen levensbeschouwing en idealen. En precies die levensbeschouwing wilden de liberalen door de eeuwen heen niet in de school laten prevaleren. Het onderwijs moest neutraal zijn en objectief worden doorgegeven; immers de staat is neutraal en daar past alleen Openbaar Onderwijs bij.

Maar ‘Objectiviteit is onmogelijk’, zo wordt gesteld (NRC 2021-10-17). Hoe kun je de holocaust of het slavernijverleden neutraal en objectief doorgeven? Welke les is volledig neutraal of welk vak is niet op één of andere manier levensbeschouwelijk bepaald?

De ultieme waarheid lijkt te zijn geworden ‘vrijheid en gelijkheid’. Dat wil in de ogen van de liberalen ook zeggen dat iedereen in vrijheid een school mag kiezen, als het maar een openbare school is. Bijzondere scholen mogen – in die visie – niet meer alleen leerlingen toelaten uit de eigen kring of kerk. Succesvolle integratie en emancipatie van iedereen, wordt bewerkstelligd door de vrijheid van onderwijs af te schaffen, zo luidt de liberale gedachte.

Veel christelijke scholen verkeren in de waan dat het sinds de pacificatie in 1917 allemaal wel goed zat met het ‘christelijke’ in het onderwijs. Bovendien kunnen veel bijzondere (christelijke) scholen niet goed duidelijk maken wat hun identiteit inhoudt. Scholen lijken afgedreven van hun oorspronkelijke roeping en taak: onderwijs en opvoeding gebaseerd op de Bijbel.

Maar hoe kun je zelfstandig keuzes maken als alles neutraal en objectief – ofwel waardenvrij – is?! Kerk en staat zijn nog wel, tot op zekere hoogte, te onderscheiden. Maar geloof en maatschappij kun je niet van elkaar losmaken. De gedachte dat er een wetenschappelijke consensus is over het ontstaan van het leven, wil nog niet zeggen dat de schepping niet waar zou kunnen zijn.

Dus kunnen docenten dit als twee theorieën naast elkaar zetten. Schoolboeken en methodes zullen enerzijds moeten aansluiten bij de kerndoelen, omdat leerlingen daar in de examens op worden bevraagd. Anderzijds moet er ruimte zijn om ook vanuit een levensbeschouwelijk, christelijk perspectief de aangereikte onderwerpen te bespreken.

De voorloper van Logos Instituut, St. De Oude Wereld, heeft veel tijd en energie gestoken in het project: Fair Science. Eerlijk omgaan met wetenschap zou voor het christelijk onderwijs een belangrijke pijler zijn voor de identiteit.

Voortgaande strijd

De schoolstrijd is nog lang niet beslecht.

Het feit dat de overheid een leerplicht oplegt – en de staat dus een stuk van de vorming van het kind overneemt – , moet natuurlijk een vrije keuze inhouden voor de ouders naar welke school men de kinderen wil sturen. In vrijheid kunnen zij dus kiezen uit openbaar of bijzonder onderwijs.

In vrijheid kunnen zij kiezen voor een christelijke school of een School met de Bijbel. Er zijn partijen in de Tweede Kamer die niets liever willen dan die keuzevrijheid beknotten. Hoewel die, veelal liberale, partijen vóór vrijheid zijn, ontnemen ze anderen die vrijheid door het bijzonder onderwijs, met name het christelijk onderwijs, de das om te doen.

Geestelijke strijd

Waar we vandaag de dag in het onderwijs mee worstelen, is niet alleen een schoolstrijd rond het Grondwetsartikel 23, de vrijheid van onderwijs. Ten diepste gaat het hier om een vrijheid die in het vooruitzicht wordt gesteld die geen vrijheid is en dat is een geestelijke strijd.

De Apostel Petrus schrijft in zijn brief (2 Petrus 2:19) dat vrijheid wordt voorgespiegeld, door hen die zelf slaven zijn. Zo wordt vrijheid gebruikt als een dekmantel om christelijk onderwijs weg te werken.

Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij [zullen zoeken wat] het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten.
Ze zullen [hun] gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels. (2 Timotheus 4:3- 4)

Nieuwleusen, oktober 2021

M
"

Artikelen

Artikelen