De discussie over schepping en evolutie is recent behoorlijk opgelaaid dankzij de verschijning van twee nogal tegengestelde boeken over dit onderwerp. Net voor de zomervakantie kwam het boek En de aarde bracht voort van prof. dr. Gijsbert van den Brink uit. Meteen kwam er een stroom reacties op gang in het Reformatorisch Dagblad, variërend van begrip en meevoelen tot volstrekte afwijzing. Net na de zomervakantie verscheen het boek Oorspronkelijk. Overwegingen bij schepping en evolutie van prof. dr. Mart-Jan Paul. Twee theologen die beiden hun wetenschappelijke sporen verdiend hebben, bestuderen de Bijbel en de uitkomsten van de hedendaagse biologie en komen tot volstrekt tegengestelde conclusies. Hoe kan dat?

Het is geen uniek geval. Bekend zijn ook de zeer conflicterende uitkomsten van klimaatonderzoek. De ene onderzoeker beweert aangetoond te hebben dat de opwarming van de aarde het gevolg is van de menselijke industriële activiteiten. Andere onderzoekers beweren dat de aarde alleen maar opwarmt omdat we in de overgang van de ene, koelere, klimaatperiode naar een andere, warmere, zitten en dat dat gewoon een kwestie is van effecten van de zon die ook bepaalde cycli doorloopt. Twee groepen wetenschappers die dezelfde meetgegevens gebruiken en toch op tegengestelde resultaten uitkomen. Hoe kan dat?

Tegenstrijdig

Milieuonderzoek is (helaas) een gebied dat rijk is aan dit soort tegengestelde uitkomsten van wetenschap. De ene dag kun je in de krant lezen dat het gebruik van mokken beter is voor het milieu dan het gebruik van plastic bekertjes en de volgende dag wordt er een rapport aangehaald dat het omgekeerde beweert. De ene keer lees je dat zonnepanelen op het dak de oplossing zijn voor ons energieprobleem en de volgende dag hoor je dat het nog maar de vraag is of ze wel echt sparend werken voor het milieu.

Het vervelende van dit soort tegenstrijdige berichten is dat ze een sceptische houding tegenover wetenschap kunnen bewerken. Die wetenschappers weten het blijkbaar ook niet, dus gooi het maar in mijn pet. Laat ze eerst onderling maar uitvechten wie er gelijk heeft en dan zal ik daarna mijn gedrag wel aanpassen. Tot die tijd geloof ik het wel met afvalscheiding, bezuinigen op energie en het kopen van bioproducten.

Tegenover deze scepsis staat het sterke geloof dat wetenschap uiteindelijk toch de meest betrouwbare bron van kennis is. Vervelend natuurlijk dat wetenschappers er vooralsnog even niet uitkomen, maar uiteindelijk komt het goed. Als ze maar lang genoeg argumenteren komt er een winnende theorie uit de bus en dan weten we waar we aan toe zijn. Alles beter dan kennisbronnen die het zonder harde meetgegevens en strakke methoden moeten doen. Ook geloofskennis valt onder die laatste soort. Hoe fijn het ook kan zijn om zulke kennis te hebben, omdat je daar troost aan kunt ontlenen, als kennissoort kan ze niet op tegen de uitkomsten van wetenschap. Daarbij gelden de natuurwetenschappen als het kroonjuweel. Vergeleken bij economen en historici komen natuurwetenschappers met de theorieën die de meest voorspellende waarde hebben. Economen slaan er ogenschijnlijk maar een slag naar, want de beurs jojoot op en neer zonder dat ze dat kunnen verklaren en historici kijken alleen maar achterom.

Zowel scepsis als ongebreideld geloof in wetenschap zijn niet wenselijk, in het algemeen niet en al helemaal niet vanuit een christelijk perspectief. Scepsis in wetenschap ontkent de waarde ervan als geschenk van God dat Hij ons na de zondeval nog gelaten heeft. Ongegrond geloof in wetenschap kan leiden tot scepsis ten aanzien van geloofskennis en dat is nog onwenselijker dan scepsis ten aanzien van wetenschap. Maar wat doe je eraan om veilig tussen deze Scylla en Charybdis door te komen? Dat is het punt waar het onderwijs om de hoek komt kijken, want daar kunnen we leerlingen vertrouwd maken met wat wetenschap eigenlijk is, zowel in haar mogelijkheden als in haar beperkingen.

Roeping

Een Bijbels perspectief kan een heel eigen invulling geven aan de stimulering van wat tegenwoordig wel scientific literacy heet. Hier ligt dus een prachtige roeping voor de reformatorische school. Wanneer leerlingen beter inzien hoe de resultaten van wetenschap tot stand komen, zullen ze
ook beter in staat zijn om die resultaten op waarde te schatten. Het kan enerzijds voorkomen dat ze bijvoorbeeld de evolutietheorie afdoen als ‘toch maar een theorie’, omdat ze gezien hebben dat iets niet zo maar een theorie wordt in de wetenschap. Tegelijk zullen ze inzien dat elke theorie beperkingen kent, en wel om verschillende redenen. Omdat er op dit moment over het algemeen meer over- dan onderschattingen van wetenschap zijn, wil ik op die beperkingen wat verder ingaan. Met nadruk zij nogmaals opgemerkt dat wetenschap ontegenzeglijk een grote waarde heeft.

Beperkingen in uitspraken

De eerste beperking van wetenschap is dat ze zich altijd beperkt tot één en slechts enkele aspecten van de werkelijkheid, en dat ze daarom over de andere aspecten geen wetenschappelijke uitspraken kan doen. De natuurkundige beperkt zich tot natuurlijke processen van krachten, bewegingen en interacties van materie en energie. Om daar iets wetenschappelijks over te kunnen zeggen, doen natuurkundigen metingen waarbij ze materie en energie waarnemen. Soms zijn die waarnemingen vrij direct, soms zijn ze heel indirect via ingewikkelde apparaten waarbij de uitslag van een meter pas via een aantal vertaalslagen iets zegt over het bestudeerde verschijnsel. Bovennatuurlijke verschijnselen krijgt een natuurkundige dus naar de aard van zijn discipline niet te zien. Hij of zij kan daar dus ook niets over zeggen. Zowel de natuurkundige die beweert dat hij het bestaan van God heeft weerlegd als degene die beweert dat hij dat bestaan juist heeft bewezen, gaat buiten zijn boekje. Dat hij God niet heeft kunnen waarnemen, ligt niet aan het al of niet bestaan van God, maar aan de beperkingen van zijn instrumentarium. Maar dat verhindert hem zowel positieve als negatieve uitspraken over het bestaan van God te doen. Hij weet het eenvoudigweg niet, en hij hoeft het ook niet te weten, want het valt buiten zijn discipline. Dat laat onverlet dat hij daar als mens, gelovige of atheïst, natuurlijk overtuigingen over mag hebben. Zolang hij maar geen wetenschappelijke waarde aan die overtuigingen toeschrijft.

Niet bewijsbare vooronderstellingen

Een tweede beperking zit in het gegeven dat elk onderzoek uitgaat van bepaalde vooronderstellingen die een voorwetenschappelijk karakter hebben en zelf niet bewijsbaar zijn. Om de leeftijd van het heelal te bepalen, wordt gekeken naar de tijd die het licht erover gedaan heeft om van de verst van ons verwijderde ster bij ons te komen. Die berekening staat of valt met het constant zijn van de lichtsnelheid. Voor zover we hebben kunnen meten, is die inderdaad constant, maar er zit wel een onzekerheidsmarge in die metingen, en bovendien kunnen we de lichtsnelheid pas een paar honderd jaar meten, terwijl we de constantheid ervan moeten aannemen voor miljarden jaren. Dat is een wel heel forse extrapolatie. Nu kun je zeggen dat als je geen aanleiding hebt om wat anders aan te nemen, die aanname alleszins redelijk is. Maar het gaat dan toch wel erg ver om te beweren dat je bewezen hebt dat het heelal zoveel miljard jaar oud is.

Kennis blijven toetsen

Een derde beperking van wetenschap is dat de kennis die daaruit voorkomt bijna per definitie voorlopig is. Het is immers juist de kracht van wetenschap om alles steeds kritisch te blijven toetsen. Steeds worden nieuwe experimenten bedacht om bestaande theorieën op nog weer een andere manier op de proef te stellen. Bij theorieën die nog niet zo lang bestaan, gebeurt het dan ook regelmatig dat die ontkracht worden of bijgesteld moeten worden. Er zijn ook theorieën die het al heel lang gehouden hebben, maar zelfs die kunnen een keer sneuvelen, al is daar wel heel wat voor nodig. Toch is de klassieke mechanica, na ruim twee eeuwen stand gehouden te hebben, gevallen en vervangen door nieuwere theorieën over massa, beweging en energie. Nu wordt die theorie nog wel gebruikt, maar dan als handig rekenmiddel en niet als visie op hoe materie zich gedraagt. Misschien zal op die manier ooit de evolutietheorie nog wel gebruikt worden als een handig hulpmiddel om te bepalen welke soort genetisch het dichtst bij een andere soort staat, maar niet meer als verklaring over hoe dat komt.

(On)menselijk

Ten slotte is er de beperking dat de beoefening van wetenschap onvermijdelijk een menselijke zaak is. Daarom spelen noodzakelijk menselijke deugden en ondeugden daarin een rol. Wat in de wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd wordt, is niet alleen een kwestie van de beste metingen en argumenten. Het kan niet anders of daarin speelt ook een rol wie er de beste contacten met de redactieleden heeft, wie de grootste bekendheid geniet, wie het meeste onderzoeksgeld krijgt toegewezen, enzovoorts. Zeker zijn er allerlei mechanismen in place om zulke invloeden te beperken. De meeste wetenschappelijke tijdschriften werken met double blind beoordelen: de auteur weet niet wie de beoordelaars zijn en andersom. Maar soms is een vakgebied te klein om volledige anonimiteit te kunnen bewerken. Er zit overigens ook een kracht in die beperking. Als een wetenschapper nooit een gevoel van voldoening zou krijgen als er een artikel van hem of haar geplaatst wordt, zouden we dan nog gemotiveerd blijven om ons best te doen? Laten we niet denken dat we alleen maar belangeloze waarheidszoekers zijn. Dat zou immers onmenselijk zijn.

Wetenschap vraagt creativiteit

Ook in de andere beperkingen zitten elementen van kracht. Als een wetenschapper zich niet beperkt tot één of enkele aspecten van de werkelijkheid, probeert hij alles te zien met als waarschijnlijke uitkomst dat hij niets ziet, of in elk geval niets goed ziet. Dat een wetenschapper vooronderstellingen moet maken, geeft tevens de mogelijkheid om tot verschillende alternatieve modellen te komen. Elke vooronderstelling leidt immers tot een ander model, en dat geeft de mogelijkheid van vergelijking. Dit is de oorzaak van de ogenschijnlijk tegenstrijdige klimaatmodellen. Het is niet zo dat de één goed is en de ander fout. Ze gaan uit van verschillende vooronderstellingen en leiden daarom tot verschillende uitkomsten. Dat vergroot alleen maar de mogelijkheden tot inzicht. Het vergt alleen van de leek een bewustzijn van deze aard van wetenschap als modellenmakerij.

Onderwijs zou dat inzicht moeten aanbrengen en niet suggereren dat wetenschap een kwestie is van meten en dan wat wiskunde op de metingen loslaten zodat er als vanzelf een theorie uit de data komt bovendrijven. Als het zo ging, kon je het ook een computer laten doen en dan is alle
aardigheid voor een mens er af. Wetenschap vraagt immers creativiteit. Een theorie is minstens zo goed het resultaat van menselijke creativiteit als van meten en rekenen. Dat maakt wetenschap ook zo spannend. En in het reformatorisch onderwijs past daar naadloos de erkenning bij dat de Heere ook dat vermogen tot creativiteit heeft meegegeven om Hem daarmee te eren. Als je dat in de klas laat zien, sla je twee vliegen in één klap. Je helpt leerlingen om vanuit een Bijbels gezichtspunt te kijken naar al die uitkomsten van wetenschap die ze in de krant en in het nieuws tegenkomen, maar ook laat je ze iets ervaren van het boeiende en uitdagende van wetenschap. Prachtig als reformatorische scholen op zo’n manier leerlingen helpen om een Bijbels verantwoorde weg tussen scepsis en verafgoding te vinden. Het is in onze tijd misschien wel meer dan ooit nodig dat er christenen in de wetenschap actief zijn. Goed onderwijs aan een reformatorische school kan daar een goede bijdrage aan leveren.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Marc de Vries

Written by

Marc de Vries is fysicus en filosoof en is verbonden aan de Technische Universiteit Delft.