De discussie over wat het is om mens te zijn, en welke rol onze hersenen daarin spelen, zit in een impasse. Die kan doorbroken worden als geaccepteerd wordt dat het hier niet om wetenschappelijke, maar om filosofische vragen gaat.

zijn_wij_ons_brein-pixabay

In het interview met André Aleman (ND-Zeven 8 oktober) komt een onderzoeker aan het woord die weinig op heeft met de wij-zijn-ons-brein-retoriek. Zijn christen-zijn botst voor hem niet met zijn wetenschappelijk onderzoek. ‘Als neurowetenschapper kan ik in iemands brein zien of er iets gebeurt als diegene zegt een stem te horen. Ik kan iets zeggen over het psychologische en het hersenaspect. Maar de wetenschap kan niets zeggen over het spirituele, over de vraag of een stem echt van God was of niet.’ Aleman gaat dus uit van een natuurlijke en een bovennatuurlijke werkelijkheid. Het niet kunnen waarnemen van het bovennatuurlijke, kan wat hem betreft niet resulteren in een ontkenning daarvan. ‘Een kind van drie weet al dat er best iemand achter de bank verstopt kan zijn, ook al zie je diegene niet.’ Hoewel zijn analogie mank gaat – de persoon achter de bank is gewoon met de ogen waarneembaar – ben ik blij dat onderzoekers zoals Aleman open kaart spelen over hun overtuigingen.

Proefondervindelijk

Maar na lezing van het interview ben ik geenszins overtuigd. Ik denk ook dat collega’s zoals Dick Swaab niet onder de indruk zullen zijn. Zowel Aleman als Swaab redeneert namelijk vanuit dezelfde optiek: het proefondervindelijk wetenschappelijk onderzoek. Volgens Swaab moet dat alles zijn; Aleman gaat een stap verder naar het onobserveerbare, het bovennatuurlijke. Waarom Aleman dat vindt, wordt niet duidelijk. Dus waarom zou ik met Aleman meegaan als ik al geen christen zou zijn? Waarom niet het bovennatuurlijke geschrapt? Evenzeer: waarom zou ik akkoord gaan met Swaab als hij in Wij zijn ons brein stelt dat hij ‘nog geen goed argument gehoord (heeft) tegen mijn simpele conclusie dat de ‘geest’ het resultaat is van het functioneren van onze honderd miljard hersencellen’? Zo komt de discussie over wat het is om mens te zijn, en welke rol onze hersenen daarin spelen, niet veel verder dan anekdotisch hoor en wederhoor tussen onderzoekers die het bovennatuurlijke wel of niet serieus nemen. Een patstelling.

Cirkelredering

Velen hebben Swaab al van repliek gediend. Als Swaab stelt dat ‘het functioneren van onze honderd miljard hersencellen’ onze ‘geest’ is, gaat hij er blindelings van uit dat de werkelijkheid uitputtend met de wetenschap wordt beschreven. Maar hoe weet hij dat? Door wetenschappelijk onderzoek, natuurlijk! Dit is een drogreden, een cirkelredenering. Het is de filosofie van het sciëntisme. Die gaat ervan uit dat alles in de werkelijkheid kan worden ontdekt en verklaard door de wetenschap. Zo niet, dan bestaat het niet.

leaf-nosed-bats-1575051_1280

Vleermuis

Maar de wetenschap kan, met behulp van alleen zichzelf, per definitie nooit bepalen wat de grenzen van de werkelijkheid zijn. Welke wetenschappelijke methode zou dat kunnen doen en hoe dan? De vraag stellen is haar beantwoorden: de onvermijdelijke groei van wetenschappelijke kennis kan deze drogreden nooit doorbreken. Aleman verzet zich in ieder geval tegen dit sciëntisme, al zegt hij dat niet. Zijn wij dan ons brein? Is ons brein een computer? Die vragen zijn niet oplosbaar met nog meer wetenschappelijk onderzoek.

Filosoof Thomas Nagel stelde al in 1974 in een beroemd geworden artikel de vraag: ‘What is it like to be a bat?’ Hoe is het om een vleermuis te zijn? Idealiter zou je met wetenschappelijk onderzoek de neurologie van een vleermuis uitputtend kunnen beschrijven. Maar daarmee zul je nooit te weten komen hoe het is om een vleermuis te zijn. Het eerste-persoonsperspectief van het individu kan nooit worden vervat in het derde-persoonsperspectief van neurologisch onderzoek. Logisch dus, dat wij ons brein niet zijn. We zijn veel meer dan dat.

Aleman en Swaab stellen dus geen wetenschappelijke, maar filosofische vragen. Het reduceren van de laatste tot de eerste, creëert spraakverwarring en oeverloze discussies. Wat een goede analyse van de werkelijkheid nodig heeft – veel meer dan al de experimentele wetenschappelijke kennis van in dit geval de neurologie – is een zindelijke vorm van redeneren die het sciëntisme vermijdt. En een grondig begrip van wat het betekent dat de mens een denkend en willend wezen is, die zijn eigen materie overstijgt. Ik hoop dat Aleman dat meeneemt in zijn aankomende boek.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Nederlands Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Hanekamp, J.C., 2016, ‘Wie ben ik’ is een filosofische vraag, Nederlands Dagblad 73 (19.358): 11.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. J.C. Hanekamp is chemicus en theoloog.

2 Comments

Ed Vaessen

“Filosoof Thomas Nagel (…) meer dan dat.”

De conclusie van de laatste twee zinnen volgt niet uit wat eraan voorafgaat.

Reply
Bart Klink

Hanekamp gaat uit van een duidelijk onderscheid tussen (natuur)wetenschap en filosofie. Dat is er niet: vragen die ooit puur filosofisch waren, zijn nu geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk (zoals de aard van ruimte, tijd en materie). Soms zijn vragen onzinnig geworden door voortschrijdend wetenschappelijke inzicht. We geloven nu niet meer in heksen of een élan vital – niet omdat we wetenschappelijk hebben aangetoond dat ze niet bestaan, maar omdat we erachter gekomen zijn dat deze concepten nergens naar bleken te verwijzen. Zo is het ook gegaan met de geest of ziel: alles wat daaraan ooit toegeschreven werd, blijkt in onze hersenen te zitten. Er blijft dus geen onstoffelijke geest of ziel meer over: wij zijn ons brein (in samenwerking met de rest van het lichaam, zou ik daar nog aan toe willen voegen).

Ook is het opmerkelijk dat Hanekamp het vleermuisargument van Nagel aandraagt. Dit argument tegen het fysicalisme lijkt intuïtief aannemelijk, maar heeft zo veel terechte kritiek gekregen dat volgen mij nog maar weinig serieuze filosofen het willen inzetten. De ervaring (eerste persoon) is simpelweg wat anders dan de beschrijving van de ervaring of het verklarende mechanisme erachter (derde persoon). Beide zijn fysicalistisch te begrijpen en dus zeker geen argument voor het idee dat we meer zijn dan ons brein.

Zie verder dit artikel van mijn hand: http://www.deatheist.nl/downloads/StofZijtGij.pdf Nog veel uitgebreider wordt dit uitgewerkt door cognitiewetenschapper Julian Musolino in ‘The Soul Fallacy’.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over