Zijn koolstofdateringen betrouwbaar?

by | mei 23, 2023 | Logos Basics, Ouderdom van de aarde, Radiometrische datering

In dit vierde hoofdstuk uit het boek Hoe Bestaat Het? wordt ingegaan op vragen die te maken hebben met de betrouwbaarheid van koolstofdateringen: 1) Hoe werkt de ‘klok’ bij koolstofdatering?, 2) Is deze klok, betrouwbaar?, 3) Wat laat de koolstofdatering ons in werkelijkheid zien?, 4) Hoe zit het met andere radiometrische dateringsmethoden?, en 5) Zijn er aanwijzingen dat de aarde jong is?

Mensen die vragen stellen over de koolstof-14 datering, willen meestal meer weten over radiometrische1 dateringsmethoden die een ouderdom van miljoenen of miljarden jaren opleveren. De koolstofdateringsmethode kan echter slechts een ouderdom van duizenden jaren aangeven. De volgende vraag is dan hoe miljoenen jaren in het Bijbelse verslag van de wereldgeschiedenis geschoven kunnen worden.

De auteurs willen graag duidelijk maken dat zulke grote tijdsperioden niet in de Bijbel ingepast kunnen worden zonder afbreuk te doen aan wat de Bijbel zegt over de goedheid van God en de oorsprong van zonde, dood en lijden. En dat laatste, de zonde en de dood, is precies de reden waarom Jezus Christus in deze wereld is gekomen (zie hoofdstuk 2 en 3).

Christenen nemen per definitie de uitspraken van Jezus Christus serieus. Hij heeft gezegd: ‘Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt’ (Mar. 10:6). Deze uitspraak heeft alleen betekenis bij een tijdslijn die begint met een scheppingsweek van duizenden jaren geleden. Het zou onzinnig zijn wanneer de mens na een lange periode van evolutie pas aan het eind van een scheppingsproces van miljarden jaren zou verschijnen.

We zullen hieronder eerst de koolstofdatering behandelen en vervolgens de andere dateringsmethoden.

De werking van de koolstofklok

Koolstof heeft unieke eigenschappen die essentieel zijn voor het leven op aarde. We kennen koolstof als de zwarte substantie in verkoold hout, als diamanten en als grafiet in potloden. Koolstof kent verschillende vormen, ook wel isotopen genaamd. Een zeldzame vorm van koolstof heeft atomen die 14/12 maal zo zwaar zijn als gewone koolstofatomen: koolstof-14, 14C of radioactief koolstof.

Koolstof-14 ontstaat wanneer kosmische stralen in de bovenste lagen van de atmosfeer neutronen uit de atoomkernen slaan. Deze verdrongen neutronen, die snel bewegen, raken gewone stikstof (14N) op lagere hoogten, en zetten deze om in 14C. Anders dan gewone koolstof (12C), is 14C instabiel en vervalt langzaam. Daardoor verandert het weer in stikstof, waarbij energie vrijkomt. Door deze instabiliteit is het radioactief.

C-14 wordt opgenomen door levende wezens,
maar na het intreden van de dood treedt verlies
op.

De ‘normale’ koolstof 12C wordt aangetroffen in kooldioxide (CO2) in de lucht en wordt opgenomen door planten, die op hun beurt door dieren gegeten worden. Dus een bot of een boomblad, of zelfs een houten meubelstuk, bevat koolstof. Wanneer 14C is gevormd, koppelt het zich net als gewone koolstof (12C) aan zuurstof, om zo kooldioxide te vormen (14CO2), en in deze vorm wordt het opgenomen en doorgegeven door de cellen van planten en dieren.

Door een luchtmonster te nemen en te tellen hoeveel 12C atomen er zijn op ieder 14C atoom, kunnen we de 14C/12C verhouding berekenen. Omdat 14C zeer goed vermengd is met 12C, is te verwachten dat de verhouding hetzelfde is als wanneer we een monster nemen van een boomblad of van een deel van ons lichaam.

Voor levende organismen geldt dat, hoewel 14C atomen voortdurend terugveranderen in 14N, ze nog steeds koolstof uitwisselen met hun omgeving, zodat de mengverhouding ongeveer hetzelfde blijft als in de atmosfeer. Maar zodra een plant of dier doodgaat, worden de 14C atomen die vervallen niet meer vervangen, zodat de hoeveelheid 14C atomen in het eens levende organisme bij het voortschrijden van de tijd afneemt (zie de afbeelding op de pagina hiernaast). Met andere woorden, de 14C/12C verhouding wordt kleiner. Er is dus een ‘klok’ die begint te tikken op het moment dat een levend organisme doodgaat (zie de afbeelding hieronder).

Na het intreden van de dood blijft de hoeveelheid C-12 constant, maar de hoeveelheid C-14 neemt af.

Het is duidelijk dat dit alleen opgaat voor organismen die ooit geleefd hebben. Deze methode kan niet worden gebruikt om bijvoorbeeld vulkanisch gesteente te dateren.

De vervalsnelheid van 14C is dusdanig dat de helft van de hoeveelheid in 5.730 jaar (plus of min 40 jaar) zal vervallen naar 14N. Dit is dus het tijdsbestek waarin de hoeveelheid halveert, ofwel de halfwaardetijd. Dus na tweemaal de halfwaardetijd of 11.460 jaar, zal er slechts een kwart overblijven. Wanneer de hoeveelheid 14C in verhouding tot 12C in een monster een vierde is van dat van een huidig levend organisme, heeft het daarmee een theoretische leeftijd van 11.460 jaar. Alles ouder dan ongeveer 75.000 jaar kan theoretisch geen meetbare hoeveelheid 14C meer in zich hebben. Dit is de reden waarom koolstofdatering geen ouderdom van miljoenen jaren kan opleveren. In feite is de aanwezigheid van 14C in een monster een sterke aanwijzing dat het geen miljoenen jaren oud is.

De zaken liggen echter niet zo simpel. Allereerst maken planten onderscheid ten nadele van kooldioxide dat 14C bevat. Dat wil zeggen: ze nemen minder op dan men zou verwachten en lijken dus ouder dan ze werkelijk zijn. Daarnaast maken verschillende plantensoorten op een verschillende manier onderscheid. Voor die factoren dient de berekening dus ook gecorrigeerd te worden.2

Een tweede punt is dat de verhouding 14C/12C in de atmosfeer niet altijd constant is geweest. Vóór het industriële tijdperk lag die bijvoorbeeld hoger, omdat daarna bij de grootschalige verbranding van fossiele brandstoffen een grote hoeveelheid kooldioxide in de vorm van 12CO2 vrijkwam, waardoor de hoeveelheid 14CO2 sterk daalde. Daardoor daalde dus ook de verhouding 14C/12C. Omdat organismen minder 14C opnamen, zal dit organismen die in die tijd stierven schijnbaar ouder laten lijken bij koolstofdatering. Verder trad er in de jaren na 1950 een stijging in 14CO2 in de atmosfeer op door het testen van atoombommen.3 Materiaal dat door koolstofonderzoek is gedateerd, zal vanaf die tijd schijnbaar jonger lijken dan de werkelijke leeftijd, omdat daarin de verhouding 14C/12C hoger is.

Metingen van 14C in historisch gedateerde objecten, bijvoorbeeld bij zaden die in historisch gedocumenteerde graven gevonden worden, geven de mogelijkheid het 14C niveau in de atmosfeer in die tijd in te schatten. Zo is een gedeeltelijke ijking van de ‘klok’ mogelijk. Hieruit volgt dat koolstofdatering bruikbaar kan zijn als ze nauwkeurig wordt toegepast op objecten uit een historisch bekende periode. Maar zelfs met een dergelijke kalibrering op basis van historische gegevens beschouwen archeologen 14C dateringen niet als absoluut, vanwege de vele afwijkingen. Zij vertrouwen meer op dateringsmethoden die verbanden leggen met geschiedkundige gegevens.

Het ijken van de 14C klok, bijvoorbeeld door overeenkomsten in dateringen via aardewerk, schrijfstijl etc., is dan ook niet mogelijk voor een ouderdom die buiten de bekende geschiedenis ligt.4

Andere factoren die koolstofdatering beïnvloeden

Hoe meer kosmische straling de atmosfeer van de aarde binnendringt, des te meer 14C geproduceerd wordt. Dat beïnvloedt het dateringssysteem. De hoeveelheid kosmische straling die de aarde bereikt, varieert met de activiteit van de zon en met de aanwezigheid van elektromagnetische zonnewind in de baan van de aarde (wanneer het zonnestelsel zijn baan door het melkwegstelsel aflegt).

De sterkte van het aardmagnetisch veld beïnvloedt de hoeveelheid kosmische straling die de atmosfeer binnendringt. Een sterker magnetisch veld buigt meer kosmische straling van de aarde af. Over het geheel genomen is de energie van het aardmagnetisch veld afgenomen5.

De zandlopers staan voor radiometrische dateringsmethoden. Men neemt aan dat wij de hoeveelheid ouder- en dochterelementen in het originele ‘monster’ kennen, dat de snelheid van het verval constant is en dat geen ouder- of dochtermateriaal is toegevoegd of verwijderd.

Daardoor wordt nu meer 14C geproduceerd dan in het verleden. Omdat de verhouding 14C/12C nu hoger is, zal dat oude dingen ouder doen lijken dan ze in werkelijkheid zijn.

Ook heeft de zondvloed –zoals beschreven in Genesis– de koolstofverhouding enorm verstoord. De zondvloed heeft een grote hoeveelheid koolstof begraven, die inmiddels is veranderd in steenkool, olie en dergelijke, waardoor de totale hoeveelheid 12C in de biosfeer (inclusief de atmosfeer) is verminderd. Planten die na de zondvloed begonnen te groeien, namen CO2 op die niet vervangen werd door een verrottingsproces van dode vegetatie, want die was immers bedolven.6 Het totaal aan 14C verminderde daardoor in deze periode ook evenredig. Hoewel er op dat moment geen proces op aarde gaande was om nog 12C voort te brengen, werd 14C continu geproduceerd met een snelheid die niet afhankelijk is van de hoeveelheid koolstof (dat voortkomt uit stikstof). Daardoor nam het de verhouding 14C/12C in de atmosfeer toe na de zondvloed. Omdat planten en dieren tijdens hun leven dezelfde verhouding 14C/12C hebben als de atmosfeer, moet de verhouding 14C/12C in planten, dieren en de atmosfeer voor de zondvloed dus lager geweest zijn dan ze nu is.

Deze factor komt nog boven op de kwestie van het eerder beschreven afnemende magnetisch veld. Koolstofdatering van fossielen die zijn gevormd bij de zondvloed, geven daarom veel hogere ouderdommen dan de werkelijke leeftijd, tenzij hiervoor wordt gecorrigeerd.

Creationistische onderzoekers hebben voorgesteld dat dateringen van 35.000 tot 45.000 jaar herijkt zouden moeten worden met de Bijbelse datum van de zondvloed.7 Een dergelijke herijking brengt lijn in abnormale uitslagen van koolstofdateringen, bijvoorbeeld in zeer uiteenlopende ‘dateringen’ voor de verschillende delen van het karkas van één bevroren muskusos uit Alaska. Een ander voorbeeld is een in verhouding buitengewoon langzame opeenstapeling van uitwerpselen van een bepaalde luiaardsoort in de oudere lagen van een grot, waar die lagen door middel van radioactief koolstof gedateerd werden.7

Ook vulkanen stoten veel CO2 uit met relatief weinig 14C. Fossielen die in de eerste tijd na de zondvloed gevormd zijn, vertonen op basis van datering met radioactief koolstof een hogere ouderdom dan ze in werkelijkheid bezitten, omdat de zondvloed met veel vulkanisme gepaard ging.

Samenvattend: de koolstof-14 methode kan bruikbare resultaten geven, mits gecorrigeerd wegens de effecten van de zondvloed. De methode dient echter voorzichtig te worden toegepast. De methode geeft geen dateringen van miljoenen jaren, en mits op een juiste manier gecorrigeerd, sluit zij prima aan bij de Bijbelse zondvloed (zie de afbeelding met de grafiek van de CO2 concentratie).

Andere radiometrische dateringsmethoden

Er zijn verschillende andere radiometrische dateringsmethoden in gebruik die een ouderdom voor gesteenten aangeven van miljoenen of miljarden jaren. Anders dan bij koolstofdatering, maken deze technieken veelal gebruik van de relatieve concentraties van ouder- en dochterproducten in radioactieve vervalketens. Zo vervalt kalium-40 tot argon-40, en uranium-238 tot lood-206 via andere elementen zoals radium. En uranium-235 vervalt tot lood-207, rubidium-87 tot strontium- 87, enz. Deze technieken worden toegepast op stollingsgesteenten en worden gewoonlijk geacht de leeftijd weer te geven vanaf het moment van stolling.

De concentraties isotopen kunnen heel precies gemeten worden, maar concentraties zijn nog geen leeftijden. Om leeftijden uit zulke metingen te verkrijgen, worden onbewijsbare aannamen gedaan (zie zandloperdiagram), zoals de volgende:

  • De aanvangsomstandigheden zijn bekend (bijvoorbeeld dat er bij het begin geen dochterisotoop aanwezig was, ofwel dat we weten hoeveel ervan aanwezig was).
  • De vervalsnelheden zijn altijd constant gebleven.
  • De systemen waren gesloten of geïsoleerd, zodat er geen ouder- of dochterisotopen konden verdwijnen of zijn toegevoegd.

 

De isotoopconcentraties of de isotoopverhoudingen kunnen zeer nauwkeurig gemeten worden, maar isotoopconcentraties of isotoopverhoudingen zijn geen dateringen.

Er zijn patronen zichtbaar in de isotoopgegevens

Er zijn voldoende aanwijzingen waaruit blijkt dat de radio-isotoopdateringsmethoden geen onfeilbare technieken zijn, zoals velen menen, en dat zij geen miljoenen jaren meten. Er zijn echter nog wel patronen die verklaard dienen te worden. Dieper gelegen gesteenten bijvoorbeeld geven doorgaans oudere ‘leeftijden’. Creationisten zijn het erover eens dat de dieperliggende gesteenten over het algemeen ouder zijn, maar geen miljoenen jaren. De geoloog John Woodmorappe geeft in zijn vernietigende kritiek op radiometrische datering8 aan dat er andere grootschalige ontwikkelingen in de gesteenten waarneembaar zijn, die geen enkel verband houden met radioactief verval.

‘Foutieve’ dateringen

Wanneer een ‘ouderdomsbepaling’ afwijkt van wat wordt verwacht, bedenken de onderzoekers al snel excuses om het resultaat af te wijzen. Alleen al het feit dat deze handelwijze van ‘achteraf beredeneren’ zo algemeen aanvaard is, toont aan dat radiometrische dateringsmethoden ernstige problemen kennen. Woodmorappe citeert honderden voorbeelden van excuses die gebruikt worden om de ‘foute’ dateringen te verklaren.9

Een goed voorbeeld van de wijze waarop onderzoekers achteraf een bepaalde beredenering hebben toegepast, is de datering van de fossielen van de Australopithecus ramidus.10 De meeste basaltmonsters dicht bij de laag waar de fossielen zijn gevonden, gaven met de argonargon-methode een ouderdomsbepaling van ongeveer 23 Ma (megaannum, 1 miljoen jaar, dus in dit geval 23 miljoen jaar). De auteurs besloten dat dit ‘te oud’ was volgens hun inzicht in de positie die die fossielen behoorden te hebben in het grote tijdskader van de evolutie. Vervolgens bekeken ze basalt dat verder van de fossielen verwijderd was en kozen daaruit 17 van de 26 monsters, om zo een acceptabeler maximumleeftijd te verkrijgen van 4,4 Ma. De overige negen monsters gaven een veel hogere ouderdom aan, maar de auteurs besloten dat deze monsters wel verontreinigd moesten zijn en negeerden ze derhalve. Dat is de manier waarop radiometrisch dateren werkt. Dit dateren wordt in hoge mate bepaald door het bestaande wereldbeeld, en dat is de heersende overtuiging in de academische wereld van vandaag, namelijk dat de aarde oud is.

Voor de datering van de oude schedel van een primaat (aap of mens), bekend als KNM-ER 1470,11,12 geldt hetzelfde. Deze datering begon in eerste instantie met 212 tot 230 Ma, maar dit vond men, uitgaande van de fossielen, ondenkbaar, aangezien mensen ‘er toen nog niet waren’. Er werden verschillende andere pogingen ondernomen om de vulkanische rotsen in het gebied te dateren. Na enkele jaren werd besloten een leeftijd van 2,9 Ma aan te houden, vanwege de overeenkomst tussen een aantal verschillende, eerder gepubliceerde onderzoeken, hoewel die onderzoeken ieder voor zich weer gebruikmaakten van een selectie in ‘goede’ en ‘foute’ resultaten, net als bij de Australopithecus ramidus hierboven.

Maar ook met deze aanpassing paste een schedel ‘zo oud’ als de KNMER 1470 nog niet in de vooraf vaststaande opvattingen over de menselijke evolutie. Een onderzoek naar varkensfossielen in Afrika overtuigde de meeste antropologen er al snel van dat schedel KNM-ER 1470 veel jonger moest zijn. Nadat dit algemeen geaccepteerd was, bracht vervolgonderzoek op het gesteente de radiometrische leeftijd verder terug tot ongeveer 1,9 Ma – en opnieuw werd deze leeftijd door verschillende onderzoeken ‘bevestigd’. Zo werkt het ‘dateringsspel’.

Suggereren we hier dat evolutionisten samenzweren om gegevens zo te manipuleren dat ze de antwoorden krijgen die ze willen? Nee, dat is over het algemeen niet het geval. Maar feit is wel, dat alle waarnemingen moeten passen binnen het heersende paradigma. Het paradigma, of anders gezegd, het geloofssysteem dat uitgaat van evolutie ‘van molecuul tot mens gedurende miljarden jaren’, is zo sterk geworteld, dat het niet meer ter discussie staat.13 Daarom moet iedere waarneming passen binnen dit paradigma. Onbewust zullen de onderzoekers, die in de ogen van het grote publiek verondersteld worden ‘objectieve wetenschappers’ te zijn, alleen die bevindingen selecteren die passen binnen het algemeen aanvaarde en basale geloofssysteem.

We moeten hierbij niet uit het oog verliezen dat het verleden niet toegankelijk is voor de normale methoden van experimentele wetenschap, dat wil zeggen, herhaalbare experimenten in het heden. Een wetenschapper kan geen experimenten doen met gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden. Wetenschappers meten niet de leeftijd van het gesteente, zij meten isotoopconcentraties. En deze kunnen zeer nauwkeurig gemeten worden. De ‘leeftijd’ wordt echter berekend met gebruik van aannames over het verleden, die niet bewezen kunnen worden. We zouden Gods waarschuwing aan Job in herinnering moeten houden, die stelt: ‘Waar waart gij toen Ik de aarde grondde?’ (Job 38:4).

Degenen die zich bezighouden met de geschiedenis van de tijd voor het ontstaan van het schrift, 4000 jaar voor Christus, verzamelen informatie in het heden en stellen op basis daarvan de lijn der gebeurtenissen in het verleden vast. De eisen die worden gesteld aan het bewijsmateriaal van zulke ‘verhaallijnen’, lijken veel minder hoog te zijn dan voor onderzoek in de empirische wetenschappen zoals natuurkunde, chemie, moleculaire biologie, fysiologie etc.

A.R. Williams is een expert op het gebied van het verval van radioactieve elementen. Hij stelde zeventien gebreken vast in de isotoopdateringen die werden gerapporteerd in drie richtinggevende artikelen.14

Deze artikelen lagen ten grondslag aan het uitgangspunt dat de aarde 4,6 miljard jaar oud zou zijn.15 Woodmorappe’s steekhoudende kritiek over deze dateringsmethodes heeft honderden mythes blootgelegd die rond deze techniek opgeld doen.16 Hij toont aan dat de weinige ‘goede’ dateringen die overblijven nadat de ‘foute’ dateringen eruit zijn gefilterd, eenvoudig verklaard kunnen worden als niet meer dan gelukkig toeval.

Hoe oud wenst u het?

De formulieren van radio-isotooplaboratoria die ingevuld moeten worden bij de monsters die gedateerd dienen te worden, vragen gewoonlijk hoe oud de opdrachtgever verwacht dat de monsters zullen zijn. Waarom? Als de technieken volledig objectief en betrouwbaar waren, zou zulke informatie niet nodig zijn. Waarschijnlijk weten de laboratoria dat afwijkingen gebruikelijk zijn en hebben ze dus een soort controle nodig op het feit of ze een ‘goede’ datering hebben verkregen.

Het testen van radiometrische dateringsmethoden

Als de dateringsmethoden voor het verre verleden werkelijk een objectieve manier zouden zijn om de leeftijd van gesteente te bepalen, zouden ze ook moeten werken in situaties waarbij we de leeftijd kennen. Bovendien zouden verschillende methoden consequent vergelijkbare resultaten moeten opleveren.

Methodes zouden betrouwbaar moeten zijn bij zaken met een bekende leeftijd

Er zijn vele voorbeelden waar de dateringsmethoden zijn toegepast op gesteenten met een bekende leeftijd, en een ‘ouderdom’ gaven die verkeerd was. Een voorbeeld is de K-Ar ‘datering’ van vijf historische andesiet-lavastromen van Mount Nguaruhoe in Nieuw-Zeeland. Eén lavastroom deed zich voor in 1949, drie in 1954 en één in 1975, en toch bestrijken de ‘dateringen’ perioden van iets minder dan 0.27 tot wel 3.5 Ma.17

Afbeelding Lavastroom

Lavastromen waarvan de leeftijd bekend is, geven vaak verkeerde radioisotoopdateringen.

Opnieuw wordt met een redenering achteraf beweerd dat de ongewoon hoge concentratie argon in het magma (gesmolten gesteente) in de rotsen werd vastgehouden toen het stolde. De algemene wetenschappelijke literatuur vermeldt vele voorbeelden van hoge concentraties argon die zorgen voor een ouderdomsbepaling van miljoenen jaren, terwijl van die gesteenten de leeftijd bekend is doordat ze in het recente verleden zijn ontstaan.18 Deze grote hoeveelheid argon lijkt afkomstig te zijn uit de buitenmantel onder de aardkorst. Dit klopt met de verwachtingen vanuit een model dat uitgaat van een jonge aarde: het argon heeft te weinig tijd gehad om te ontsnappen.19 Wanneer grote hoeveelheden argon de oorzaak vormen voor veel te hoge ouderdom van gesteente waarvan de leeftijd bekend is, waarom zouden we die methode dan vertrouwen bij gesteente waarvan de leeftijd niet bekend is?

Andere technieken, zoals het gebruik van isochronen,20 maken gebruik van andere aannames over de begincondities, maar er is een groeiende erkenning dat zulke ‘foolproof’ technieken ook ‘foutieve’ leeftijden kunnen opleveren. Dus opnieuw worden juist die gegevens geselecteerd die overeenstemmen met wat de onderzoeker vooraf al geloofde over de ouderdom van het gesteente.

De geoloog dr. Steve Austin heeft basaltmonsters genomen aan de voet van de afzettingen van de Grand Canyon, en monsters van de lava die over de rand van de canyon was gestroomd.21 Beredeneerd vanuit een evolutionistisch standpunt, zou laatstgenoemde lava een miljard jaar jonger moeten zijn dan het basalt aan de basis. Officiële laboratoria werd gevraagd de isotopen te analyseren. De rubidium-strontiumisochroontechniek suggereerde dat de recente lavastroom 270 Ma ouder was dan het basalt onder aan de Grand Canyon – en dat is een onmogelijkheid.

Verschillende dateringstechnieken zouden consequent gelijke uitkomsten behoren te geven

Wanneer de dateringsmethoden objectieve en betrouwbare middelen zouden zijn om ouderdom te bepalen, zouden de resultaten van verschillende methoden overeen moeten komen. Als een chemicus de suikerwaarde in bloed meet, zouden alle geldige bepalingsmethodieken hetzelfde resultaat behoren te geven (binnen de grenzen van hun nauwkeurigheid). Maar bij radiometrisch dateren geven de verschillende technieken vaak behoorlijk verschillende resultaten.

Bij het onderzoek van Austin22 naar diabase sill-gesteente van de Grand Canyon gaven verschillende technieken verschillende resultaten (zie de tabel). Er kunnen wederom allerlei redenen aangevoerd worden voor de ‘foutieve’ dateringen, maar dit is opnieuw niets anders dan beredeneren achteraf. Het is moeilijk om dateringsmethoden als objectief te beschouwen als ze resultaten geven die eenvoudigweg verworpen worden omdat ze niet overeenstemmen met wat er van tevoren geloofd wordt.

Tabel Dateringsmethoden en Resultaten

Radiometrische `leeftijden’, bij gebruik van verschillende methoden, voor basalt-rotsen die door de meeste geologen aanvaard worden als slechts duizenden jaren oud, van het Uinkaret Plateau van de Grand Canyon.

In Australië werd een houtfragment gevonden in tertiair basalt. Dit was overduidelijk bedolven onder de lavastroom die het basalt had gevormd, zoals ook bleek uit de zichtbare verkoling. Het hout werd met de radiokoolstofanalyse (14C) ‘gedateerd’ op ongeveer 45.000 jaar oud, maar het basalt werd met de potassium-argonmethode ‘gedateerd’ op 45 miljoen jaar oud!23

Isotoopratio’s van uraninietkristallen afkomstig uit het Koongarra uraniummassief in de Australische provincie Northern Territory gaven lood-lood-isochroondateringen van 841 Ma, met een variatie van plus of minus 140 Ma.24 Dit staat sterk in contrast met de leeftijd van 1550-1650 Ma die werd gemeten via andere isotoopverhoudingen25 en leeftijden van 275, 61, 0, 0, en 0 Ma voor thorium/lood (232Th/208Pb) verhoudingen in vijf uraninietkorrels.26 De laatste cijfers zijn veelzeggend, want dateringen gebaseerd op thorium horen betrouwbaarder te zijn. De reden hiervoor is dat thorium minder beweeglijk is dan de uraniummineralen die de oudermaterialen zijn van de loodisotopen in een lood-lood-systeem.27 De ‘nul’-waarden stemmen in dit geval overeen met de Bijbel.

Meer aanwijzingen dat er iets fout zit

14C wordt aangetroffen in fossielen die verondersteld worden miljoenen jaren oud te zijn

Fossielen die ouder zijn dan 100.000 jaar behoren vanwege de halfwaardetijd te weinig 14C te hebben om te meten. Toch blijven laboratoria die zich bezighouden met ouderdomsbepaling 14C aantreffen, ruim boven de hoeveelheden die door ‘ruis’ veroorzaakt kunnen zijn,28 in fossielen waarvan men denkt dat die vele miljoenen jaren oud zijn.29,30

Zo is er bijvoorbeeld nog nooit steenkool aangetroffen waarin 14C ontbreekt, ook al wordt ervan uitgegaan dat deze fossiele brandstof tot wel honderd miljoen jaren oud is. Fossielen in rotsen die gedateerd zijn op 1-500 Ma via radio-isotoop-dateringsmethoden (speciaal geschikt voor oude tijdperken), blijken een gemiddelde radioactieve koolstof ‘leeftijd’ te geven van ongeveer 50.000 jaar, veel minder dan de grenzen van moderne koolstofdateringsmethodes31 aangeven. Eerder in dit hoofdstuk kwam al aan de orde waarom die radioactieve koolstofleeftijden te sterk zijn opgeblazen. Daarnaast was er geen patroon te vinden dat wees op een verloop van jong naar oud in de koolstofdateringen, zodat het overeenkwam met de evolutionistische en uniformitaristische ‘leeftijden’, wat wel het geval had moeten zijn.32

Het bewijsmateriaal komt echter goed overeen met rotslagen die vol fossielen zitten als gevolg van een jaar durende catastrofe die de wereld heeft getroffen tijdens de bijbelse zondvloed. Dit is iets wat vloedgeologen sinds de tijd van Nicholas Steno (1631-1687) al hebben aangegeven. Zelfs precambrisch grafiet (‘ouder dan 545 Ma’) dat niet van organische oorsprong is, bevat 14C op een niveau hoger dan een normale ruis of achtergrondniveau.33 Dat past in het beeld van een aarde van slechts enkele duizenden jaren oud, en daar kom je ook bij uit als je de Bijbel rechttoe rechtaan leest, zoals het er staat.

Voor evolutionisten is het een onopgelost raadsel waarom steenkool nog 14C bevat,34 of waarom hout waarvan gedacht wordt dat het miljoenen jaren oud is, nog steeds 14C bevat. Dit is in het creationistische wereldbeeld volstrekt logisch.

Vele aanwijzingen in de wereld rondom ons spreken de ‘miljarden jaren’ tegen

Van de methoden die zijn gebruikt om de leeftijd van de aarde te bepalen, wijst 90 procent op een veel lagere leeftijd dan de miljarden jaren waar binnen de evolutietheorie aan wordt vastgehouden. We noemen een aantal aanwijzingen hiervoor.

Bewijs voor een snelle vorming van de geologische lagen zoals tijdens de zondvloed, waaronder:

  • het ontbreken van erosie tussen de rotslagen die miljoenen jaren na elkaar zouden zijn ontstaan;
  • het ontbreken van verstoring in de rotslagen door biologische activiteit van bijvoorbeeld wormen of wortels, etc.;
  • het ontbreken van bodemgrondlagen;
  • de aanwezigheid van zogenaamde polystrate fossielen, die verschillende rotslagen verticaal doorkruisen – het is niet mogelijk dat die bomen daar eeuwenlang rechtop hebben gestaan terwijl ze langzaam bedolven werden;
  • dikke rotslagen die gebogen lijken te zijn zonder te breken, iets wat aantoont dat het gesteente zacht was toen het werd gebogen. Zie verder hoofdstuk 15 en de boeken van de geologen Morris35 en Austin.36
schema aardlagen

Dwarsdoorsnede van de geologie van de Grand Canyon die de Kaibabombuiging toont. Het elastisch vouwen van lagen toont aan dat de lagen nog zacht waren toen zij gebogen werden, wat klopt met een snelle afzetting zoals tijdens de zondvloed. (illustratie gebaseerd op het boek van Morris[note]J. Morris, The young earth, Creation-Life Publishers, Colorado Springs, 1994.[/note])

  • Rode bloedcellen en hemoglobine zijn aangetroffen in (ongefossiliseerde!) dinosauriërbotten. Het is echter onmogelijk dat deze meer dan een paar duizend jaar overleven. En het is zeker onmogelijk dat ze 65 Ma oud zijn, het tijdstip waarop volgens evolutionisten de laatste dinosauriërs leefden.37
  • Het aardmagnetisch veld is zodanig snel afgenomen, dat het erop lijkt dat het minder dan 10.000 jaar oud is. Snelle wisselingen van de polen (ompolingen) tijdens het jaar van de zondvloed en fluctuaties kort daarna zouden de veldsterkte zelfs nog sneller hebben doen afnemen.38,39
  • Een supernova is de explosie van een enorme ster – het licht van zo’n explosie overtreft kortstondig de andere lichtbronnen in het melkwegstelsel. De overblijfselen van supernova’s (SNR) zouden volgens natuurkundige berekeningen honderdduizenden jaren moeten blijven uitdijen. Er bestaan echter geen zeer oude, breed uitgedijde SNR’s, in vaktermen zogenaamde Stage 3 SNR. En er zijn slechts enkele exemplaren die maar een beperkte ouderdom hebben (Stage 1) in ons melkwegstelsel of in de Magellaanse Wolken (zijn satelliet-sterrenstelsels). Dit klopt precies met wat we zouden verwachten voor ‘jonge’ melkwegstelsels, die niet lang genoeg bestaan hebben voor een omvangrijke expansie.40,41
  • Continenten eroderen zo snel, dat zij in miljarden jaren meermalen volledig weggesleten zouden moeten zijn.42 Dit principe van erosie vormt een groot probleem bij de verklaring van berggebieden. Maar er zijn ook grote vlakten waarvan verondersteld wordt dat ze zeer oud zijn en waar erosie vrijwel ontbreekt. De gemiddelde afname door erosie voor alle continenten van de wereld is ongeveer 6,0 mm per honderd jaar.43 Een continent met een hoogte van 150 kilometer zou zijn weggeërodeerd in 2,5 miljard jaar (volgens de uniformitaristische theorie is dat de leeftijd van de kern van de continenten). Als de erosie gedurende miljarden jaren verder zou zijn gegaan, zou er geen continent op aarde meer over kunnen zijn. Noord-Amerika zou bijvoorbeeld in slechts 10 miljoen jaar tot zeeniveau zijn afgesleten, als erosie daar zou plaatsvinden met de gemiddelde snelheid. Let erop dat die 10 miljoen jaar een maximaal mogelijke tijdgrens is, en niet de werkelijke leeftijd.
  • Er komt veel meer zout in de oceaan dan eruit ontsnapt. De zee is niet zout genoeg om te veronderstellen dat dit proces in miljarden jaren heeft plaatsgevonden. Zelfs als we grootmoedig tegemoetkomen aan de aannames van de evolutietheorie, zoals de veronderstelling dat de zeeën in het begin geen zout bevatten, kunnen de zeeën niet ouder zijn dan 62 Ma jaar – veel jonger dan de miljarden jaren waar evolutionisten in geloven. Opnieuw geeft dit een maximale leeftijd (grens) aan, niet de werkelijke leeftijd.44,45

In het boekje Argumenten voor een jonge aarde wijst dr. Russell Humphreys ook op andere verschijnselen die niet kloppen met de miljarden jaren.46

Het is goed om hier op te merken dat creationisten net zo min als evolutionisten de leeftijd van de aarde kunnen bewijzen door het gebruik van een bepaalde wetenschappelijke methode. Creationisten beseffen dat alle wetenschap onvolledig is, omdat we niet over alle gegevens beschikken, en dat geldt eens te meer als het om het verleden gaat. Dit geldt voor de wetenschappelijke argumenten van zowel de creationisten als die van de evolutionisten. Evolutionisten hebben in de afgelopen tientallen jaren al veel van hun ‘bewijzen’ voor de evolutie moeten loslaten. En creationisten hebben hun argumentatie eveneens moeten aanpassen. De overtuigd atheïstische hoogleraar W.B. Provine is er open over: ‘Het meeste van wat ik op dit gebied (evolutionistische biologie) tijdens mijn studie en promotie (1964-1968) heb geleerd, is ofwel fout ofwel in belangrijke mate aangepast.’47

Creationisten lijken een beter begrip te hebben van de beperkingen van dateringsmethoden dan evolutionisten. Aanhangers van de evolutie beweren dat ze in het heden waargenomen verschijnselen kunnen gebruiken om te ‘bewijzen’ dat de aarde miljarden jaren oud is. In werkelijkheid zijn alle dateringsmethoden gebaseerd op uniformitaristische aannames die niet te bewijzen zijn, inclusief de methoden die op een jonge aarde duiden.

Uiteindelijk dateren creationisten de geschiedenis van de aarde met behulp van de chronologie van de Bijbel. De reden hiervoor is dat zij geloven dat dit een nauwkeurig ooggetuigenverslag is van de wereldgeschiedenis. De Bijbel bevat de bewijzen dat dit het Woord van God is en daarom volledig betrouwbaar en foutloos (zie hoofdstuk 1 voor een aantal argumenten hiervoor).

Radiohalo-’wezen’

Radiohalo’s zijn gekleurde ringen die zichtbaar worden rondom microscopische stukjes mineralen in rotskristallen. Het verval van de radioactieve deeltjes in massief gesteente veroorzaakt schade aan de omliggende kristalstructuur. Een klein stipje van een radioactief element, uranium-238 bijvoorbeeld, zal een bolvormige verkleuring achterlaten in het proces van verval naar lood-206. Elk element dat hierdoor ontstaat, zal een eigen karakteristieke verkleuring veroorzaken.48 Als je een dwarsdoorsnede bekijkt door een microscoop, verschijnen deze bolvormen als ringen, die we radiohalo’s noemen. De natuurkundige dr. Robert Gentry heeft deze radiohalo’s jarenlang onderzocht en heeft zijn resultaten gepubliceerd in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften.49

concentrische radiohalo's

Een concentrische reeks radiohalo’s

Van wat er tussentijds vrijkomt door het verval, hebben sommige onderdelen een zeer korte halfwaardetijd; zij vervallen dus snel. polonium-214 heeft bijvoorbeeld een halfwaardetijd van slechts 164 microseconden. Het is dan ook merkwaardig dat ringen die gevormd worden door poloniumverval, vaak worden aangetroffen zonder dat de halo’s van het uranium-moederisotoop te zien zijn. Het polonium moet in het gesteente terecht zijn gekomen voordat de rots zijn vaste vorm had aangenomen en gestold was. Het kan echter niet zijn ontstaan vanuit uranium in het gesteente, want dan zou er ook een uraniumhalo zichtbaar moeten zijn. Dit wijst erop dat de rots zeer snel gevormd is.50 Mogelijk is er ook een periode van heel snel verval van het uranium geweest, zodat die grote hoeveelheid waargenomen polonium is veroorzaakt. Dit soort ‘verweesde’ halo’s wijst op omstandigheden in het verleden die absoluut niet passen bij het uniformitaristische beeld van de geschiedenis van de aarde, dat nu juist de basis vormt van de radiometrische dateringssystemen.

Hebben radiometrische ‘dateringen’ enige betekenis?

Nadat hij 500 wetenschappelijke artikelen over radio-isotoopdatering had geanalyseerd, concludeerde Woodmorappe dat deze datering krioelt van de cirkelredeneringen en fabeltjes, om maar aansluiting te vinden bij de vooringenomen ideeën van de onderzoekers.51

Een mooi voorbeeld is de isochroon-dateringstechniek.52,53 Deze werd gezien als onfeilbaar, omdat men ervan uitging dat alle aannames over de begincondities en het uitgangspunt van gesloten systemen waren afgedekt.

De geoloog dr. Andrew Snelling gebruikte de lood-lood-isochroonmethode als belangrijkste dateringstechniek van de uraniumafzetting bij Koongarra in het Noordelijk Territorium van Australië.54 Zelfs 113 stuks sterk verweerde bodemmonsters uit dat gebied gaven fraai ogende isochroonlijnen met ‘leeftijden’ die lagen tussen 1.445 Ma.+/-20 Ma, terwijl er op geen enkele manier sprake was van een gesloten systeem. En dat is iets dat absoluut was vereist, want lekkage van ouder- en dochterisotopen maakt de ‘dateringen’ onbruikbaar. Toen Snelling andere methodes gebruikte, kwamen er ‘leeftijden’ naar voren variërend van nog hoger tot als allerlaagste een meting van 0 jaar.

Zulke ‘onjuiste isochronen’ komen zo vaak voor, dat er binnen die tak van wetenschap een hele terminologie is ontstaan om ze te beschrijven, zoals schijnbare isochroon, mantelisochroon, pseudo-isochroon, secundaire isochroon, geërfde isochroon, uitgebarsten isochroon, vermengde lijn en vermengde isochroon. Onderzoeker Y.F. Zheng schreef:

‘Een aantal basisaannames van de conventionele rubidiumstrontium (Rb-Sr) isochroonmethode zullen moeten worden aangepast. Een waargenomen isochroon levert niet per definitie geldige ouderdomsinformatie op over een geologisch systeem. Daar is zelfs sprake van als goed passende experimentele resultaten zijn verkregen door het in een grafiek over elkaar leggen van 87Sr/86Sr en 87Rb/86Sr. Dit probleem kan niet genegeerd worden, zeker niet als we kijken naar de numerieke ouderdomstabel. Vergelijkbare problemen kunnen ook voorkomen bij de toepassing van Sm-Nd [samarium-neodymium] en U-Pb [uranium-lood] isochroonmethodes.’55

Zelfs bij ‘isochronen’ wordt een deel van de isochroonlijn buiten beschouwing gelaten, omdat men denkt dat die niet veroorzaakt worden door de ouderdom. Maar hoe kan één deel van de lijn worden toegeschreven aan ouderdom, terwijl een ander deel van dezelfde lijn word genegeerd en als irrelevant wordt beschouwd? Het gaat nog verder: zelfs niet-radioactieve elementen zullen mooie rechte lijnen geven als verhoudingen van concentraties in een grafiek worden uitgezet.56 Dergelijke patronen hebben duidelijk niets te maken met ouderdom.

Een andere veelgebruikte dateringsmethode is de uranium-lood-concordiatechniek. Deze techniek combineert feitelijk de twee uraniumlood- vervalseries in één grafiek. Resultaten die op de concordiacurve liggen, hebben volgens de twee lood-series dezelfde leeftijd en worden ‘gelijkluidend’ genoemd (‘concordant’, vandaar de naam). Maar de resultaten van bijvoorbeeld zirkonen liggen gewoonlijk buiten de concordiacurve – zij zijn discordant, oftewel strijdig. Talloze modellen,of beter gezegd ‘verhalen’, zijn bedacht om deze uitkomsten te verklaren.57 Maar zulke mythes zijn geen objectieve wetenschap die het bewijs levert voor een oude aarde.

Dr. Snelling heeft als verklaring voor de verhoudingen in isotoop-concentraties voorgesteld dat het sorteren (fractioneren) van elementen in de gesmolten toestand in de mantel van de aarde een belangrijke factor zou kunnen zijn. Die verhoudingen in isotoopconcentraties worden tot nog toe als ouderdom geïnterpreteerd.

Dit zou een verklaring zijn voor het zeer vaak voorkomen van ‘foutieve isochronen’. Maar hoe kan een geoloog onderscheid maken tussen een goede en een foutieve isochroon? Feit is dat resultaten die kloppen met algemeen aanvaarde leeftijden, als ‘goed’ worden beschouwd. Dit is een cirkelredenering en een bewijs van slechte wetenschap.

Al in 1966 merkte Melvin Cook, hoogleraar in de metallurgie aan de Universiteit van Utah en genomineerd voor een Nobelprijs, op dat lood-isotoopverhoudingen kunnen veranderen door andere belangrijke factoren dan radioactief verval.58 Cook gaf aan dat erts uit de Katanga-mijn een grote hoeveelheid lood-208 bevatte, een stabiele isotoop. Maar thorium-232 als bron voor lood-208 ontbrak in dat erts. Thorium heeft een lange halfwaardetijd; het vervalt dus heel langzaam, en verdwijnt moeilijk uit het gesteente. Als het lood-208 was ontstaan uit thoriumverval, zou er in ieder geval enig thorium achtergebleven moeten zijn.

Cook veronderstelde dat lood-208 mogelijk was ontstaan door neutronenactivering van lood-206 naar lood-207 en verder naar lood-208. Maar een periode van snel radioactief verval zou ook een verklaring kunnen zijn voor deze gegevens (zie onder). In beide gevallen kloppen de gegevens met een leeftijd van duizenden jaren, niet van miljoenen jaren.

Helium en warmte: bewijsmateriaal voor niet-constante vervalratio’s

Gentry heeft erop gewezen dat de hoeveelheden helium (helium ontstaat door verval van radioactieve elementen zoals uranium) en lood in zirkonen die zijn aangetroffen in diepe (hete) boorgaten niet overeenkomen met de evolutionistische ouderdom van 1.500 Ma voor het granietgesteente waarin ze gevonden worden.59

De hoeveelheid lood mag dan overeenkomen met de huidige vervalsnelheid van uranium over de veronderstelde tijdsperiode, bijna alle gevormde helium had in die tijd door diffusie uit de kristallen verdwenen moeten zijn. De diffusiesnelheden van helium zijn inmiddels gemeten en zijn zeer hoog (100.000 keer groter dan evolutionistische geologen hadden aangenomen). Het helium zou niet kunnen zijn aangetroffen wanneer het radioactieve verval met de huidige snelheid gedurende miljarden jaren zou zijn voortgegaan, zoals uniformitaristische wetenschappers beweren.60

Als het radioactieve verval van ‘1,5 miljard jaar’ in een model wordt geplaatst waarbij het weglekken van helium in ogenschouw wordt genomen, zijn die ‘miljard jaar oude’ zirkonen nog maar 5.700 jaar oud, met een marge van 2.000 jaar.61 De enige logische verklaring hiervoor is dat er enkele duizenden jaren geleden een periode van verhoogd radioactief verval is geweest. Datgene wat een dergelijke verhoogde vervalsnelheid heeft veroorzaakt, kan ook verantwoordelijk zijn geweest voor de onregelmatigheden in lood-isotoop, zoals Cook gedocumenteerd heeft (zie boven).

Een periode van versneld verval zou ook de puzzel oplossen van de hoeveelheid warmte die de aarde uitstraalt, een hoeveelheid die overeenkomt met de hoeveelheid opgetreden radioactief verval, maar niet met een tijdschaal van miljarden jaren.62 Er is dus in toenemende mate bewijs voor de stelling dat er een periode van snel radioactief verval is geweest in een verleden dat slechts enkele duizenden jaren geleden achter ons ligt. Interessant hierbij is dat dit versnelde verval vooral de isotopen met de langste halfwaardetijd heeft beïnvloed, en dan vooral die met alfaverval.63

Conclusie

Er zijn op veel verschillende vlakken argumenten aan te voeren die erop duiden dat radiometrische dateringen niet het objectieve bewijsmateriaal zijn voor een oude aarde, zoals vaak gezegd wordt, en dat de wereld in werkelijkheid slechts duizenden jaren oud is. Hoewel we niet alle antwoorden hebben, hebben we al wel veel antwoorden. En we hebben het betrouwbare getuigenis van het Woord van God over de ware geschiedenis van de wereld.

Hoe bestaat het?

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). De Banier.

Het betreft hoofdstuk 4 ‘Zijn koolstofdateringen betrouwbaar?’, pagina 81-105.

Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

 

Voetnoten

  1. Ook bekend als isotoopdatering of radio-isotoopdatering.
  2. De stabiele koolstofisotoop 13C wordt tegenwoordig gemeten om een aanwijzing te hebben voor de hoeveelheid verval van 14C.
  3. Straling van atoomproeven veroorzaakt, net als kosmische straling, het omzetten van 14N naar 14C
  4. Jaarringonderzoek (dendrochronologie) is gebruikt om te proberen de ijking van de koolstof-14 datering uit te breiden buiten de periode van de bekende geschiedenis. Deze methode plaatst echter houtfragmenten (van bomen die lang geleden stierven) op een tijdlijn en gebruikt daarvoor de koolstof-14 datering, die daarbij in een rechte lijn wordt geëxtrapoleerd, terug in de tijd. Jaarringpatronen worden kruislings vergeleken en vervolgens gebruikt om de ‘klok’ te ijken. Deze procedure kent hetzelfde manco als een cirkelredenering en levert geen onafhankelijke ijking van het systeem van koolstofdatering.
  5. K.L. McDonald en R.H. Gunst, ‘An analysis of the earth’s magnetic field from 1835 to 1965’, in: ESSA Technical Report IER 46-IES, U.S. Government Printing Office, Washington D.C., 1965, p. 14.
  6. B.J. Taylor, ‘Carbon Dioxide in the Antediluvian Atmosphere’, in: Creation Research Society Quarterly 30/4 (1994), p. 93-197.
  7. R.H. Brown, ‘Correlation of C-14 age with real time’, in: Creation Research Society Quarterly 29 (1992), p. 45-47. De spiervezel van een muskusos werd gedateerd op 24.000 jaar, maar het haar werd gedateerd op 17.000 jaar. De gecorrigeerde datering (voor de invloed van de zondvloed op de koolstofratio) brengt het verschil in leeftijd ongeveer binnen de levensduur van een os. Bij de uitwerpselen van de luiaard duiden de standaard koolstofdateringen van de lager gelegen lagen erop dat er minder dan twee bolletjes uitwerpselen per jaar door de berggeiten werden geproduceerd. Gecorrigeerde dateringen verhoogden het aantal naar een meer realistische 1,4 per dag.
  8. J. Woodmorappe, The mythology of modern dating methods, Institute for Creation Research, San Diego, 1999.
  9. J. Woodmorappe, The mythology of modern dating methods, Institute for Creation Research, San Diego, 1999.
  10. G. WoldeGabriel e.a., ‘Ecological and temporal placement of early Pliocene hominids at Aramis, Ethiopia’, in: Nature 371 (1994), p. 330-333.
  11. M. Lubenow, ‘The pigs took it all’, in: Creation 17/3 (1995), p. 36-38; www.creation.com/pigstook.
  12. M. Lubenow, Bones of Contention, Baker Books, Grand Rapids, Michigan, 1993, p. 247-266.
  13. Zo schreef filosoof Bas Haring in een herdenkingsartikel over Darwin: “Darwins evolutietheorie is bijna net zo onbetwijfelbaar als de stelling van Pythagoras, en niet zo maar een theorietje.” in: De Volkskrant, 3 januari 2009.
  14. Deze artikelen waren zogenaamde ‘seminal papers’, die worden gezien als baanbrekend en die voor het eerst een vernieuwende en (later) invloedrijke visie op een bepaalde theorie te berde hebben gebracht. Deze artikelen vormen de basis waarop andere onderzoekers verder hebben gebouwd.
  15. A.R. Williams, ‘Long-age isotope dating short on credibility’, in: CEN technical journal 6/1(1992), p. 2-5.
  16. J. Woodmorappe, The mythology of modern dating methods, Institute for Creation Research, San Diego, 1999.
  17. A.A. Snelling, ‘The cause of anomalous potassium-argon ‘ages’ for recent andesite flows at Mt. Nguaruhoe, New Zealand, and the implications for potassium-argon ‘dating’, in: Proceedings of the 4th ICC, 1998, p. 503-525.
  18. Voetnoot 15 geeft tal van voorbeelden. Zes gevallen werden bijvoorbeeld gerapporteerd in D. Krummenacher, ‘Isotopic composition of argon in modern surface rocks’, in: Earth and planetary science letters 8 (1970), p. 109-117; vijf werden er gerapporteerd door G.B. Dalrymple, ‘40Ar/36Ar analysis of historic lava flows’, in: Earth and planetary science letters 6 (1969), p. 47-55. Een groot overschot is gerapporteerd in D.E. Fisher, ‘Excess rare gases in a subaerial basalt from Nigeria’, in: Nature 232 (1970), p. 60-61.
  19. A.A. Snelling, ‘The cause of anomalous potassium-argon ‘ages’ for recent andesite flows at Mt. Nguaruhoe, New Zealand, and the implications for potassium-argon ‘dating’, in: Proceedings of the 4th ICC, 1998, p. 520.
  20. De isochroontechniek bestaat uit het verzamelen van een aantal monsters uit verschillende stukken van het gesteente dat gedateerd wordt. De concentratie van een radioactieve ouderisotoop, zoals rubidium-87, wordt grafisch uitgezet tegen de concentratie van een dochterisotoop, zoals strontium-87, en dat voor alle monsters. Er wordt een rechte lijn getrokken door deze punten die de verhouding ouder-dochter weergeeft en van daaruit wordt dan de ‘ouderdom’ berekend. Als de lijn goed past en de ‘leeftijd’ acceptabel is, is het een ‘goede’ datering. De methode werkt ook met het delen van de ouder- en dochterconcentraties door de concentratie van een soortgelijke stabiele isotoop – in dit voorbeeld strontium-86.
  21. S.A. Austin (red.), Grand Canyon: monument to catastrophe, Institute for Creation Research, Santee, 1994, p. 120-131.
  22. S.A. Austin (red.), Grand Canyon: monument to catastrophe, Institute for Creation Research, Santee, 1994, p. 120-131.
  23. A.A. Snelling, ‘Radiometric dating in conflict’, in: Creation 20/1 (1998), p. 24-27;www.creation.com/article/731.
  24. A.A. Snelling, ‘The Failure of U-Th-Pb ‘dating’ at Koongarra, Australia’, in: Journal of creation 9/1 (1995), p. 71-92; www.creation.com/article/1780.
  25. R. Maas, ‘Nd-Sr Isotope constraints on the age and origin of unconformity-type uranium deposits in the Alligator Rivers Uranium Field, Northern Territory, Australia’, in: Economic geology 84 (1989), p. 64-90.
  26. S.A. Austin (red.), Grand Canyon: monument to catastrophe, Institute for Creation Research, Santee, 1994, p. 120-131.
  27. S.A. Austin (red.), Grand Canyon: monument to catastrophe, Institute for Creation Research, Santee, 1994, p. 120-131.
  28. Deze ‘ruis’ (background levels in het Engels) is de hoeveelheid die aanwezig kan zijn als gevolg van natuurlijke omstandigheden of door verontreiniging.
  29. P. Giem, ‘Carbon-14 content of fossil carbon’, in: Origins 51 (2001), p. 6-30.
  30. J.R. Baumgardner e.a., ‘Measurable 14C in fossilized organic materials: confirming the young earth creation-flood model’, in: Proceedings of the 5th ICC, 2003, p. 127-142.
  31. J.R. Baumgardner e.a., ‘Measurable 14C in fossilized organic materials: confirming the young earth creation-flood model’, in: Proceedings of the 5th ICC, 2003, p. 127-142.
  32. J.R. Baumgardner e.a., ‘Measurable 14C in fossilized organic materials: confirming the young earth creation-flood model’, in: Proceedings of the 5th ICC, 2003, p. 127-142.
  33. J.R. Baumgardner e.a., ‘Measurable 14C in fossilized organic materials: confirming the young earth creation-flood model’, in: Proceedings of the 5th ICC, 2003, p. 127-142.
  34. D.C. Lowe, ‘Problems associated with the use of coal as a source of 14C free background material’, in: Radiocarbon 31 (1989), p. 117-120.
  35. J. Morris, The young earth, Creation-Life Publishers, Colorado Springs, 1994.
  36. S.A. Austin (red.), Grand Canyon: monument to catastrophe, Institute for Creation Research, Santee, 1994, p. 120-131.
  37. C. Wieland, ‘Sensational dinosaur blood report!’, in: Creation 19/4 (1997), p. 42-43; creation.com/article/606; dit is gebaseerd op M. Schweitzer, T. Staedter, ‘The real Jurassic Park’, in: Earth June, 1997, p. 55-57.
  38. D.R. Humphreys, ‘Reversals of the earth’s magnetic field during the Genesis Flood’, in: Proceedings of the 1st ICC 2 (1986), p. 113-126.
  39. J.D. Sarfati, ‘The earth’s magnetic field: evidence that the earth is young’, in: Creation 20/2 (1998), p. 15-19; www.creation.com/article/760.
  40. K. Davies, ‘Distribution of supernova remnants in the galaxy’, in: Proceedings of the 3rd ICC (1994), p. 175-184.
  41. J.D. Sarfati, ‘Exploding stars point to a young universe’, in: Creation 19/3 (1998), p. 46-49;www.creation.com/article/693.
  42. 33 T. Walker, ‘Eroding ages’, in: Creation 22/2 (2000), p. 18–21; www.creation.com/erosion.
  43. A. Roth, Origins: linking science and Scripture, Review and Herald Publishing, Hagerstown, 1998, p. 271, citeert Dott & Batten, Evolution of the earth, McGraw-Hill, New York, 1988, p. 155, en een aantal anderen.
  44. S.A. Austin, D.R. Humphreys, ‘The sea’s missing salt: a dilemma for evolutionists’, in: Proceedings of the 2nd ICC 2 (1990), p. 17-33.
  45. J.D. Sarfati, ‘Salty seas: evidence for a young earth’, in: Creation 21/1 (1999), p. 16-17; www.creation.com/article/578.
  46. D.R. Humphreys, Argumenten voor een jonge aarde, Mediagroep In Genesis, Amerongen, 2006; www.scheppingofevolutie.nl.
  47. W.B. Provine, A review of teaching about evolution and the nature of science, National Academy of Science USA (1998), online te zien op: fp.bio.utk.edu/darwin/ NAS_guidebook/provine_1.html, 18 februari 1999.
  48. Alleen een element dat alfaverval ondergaat (waarbij een heliumkern vrijkomt) veroorzaakt een halo.
  49. R.V. Gentry, Creation’s tiny mystery, Earth Science Associates, Knoxville, 1986 (zie de verwijzingen daarin) Een Nederlandse vertaling is online in te zien op: home.hetnet.nl/~genesis. Een dvd over dit onderwerp is te bestellen bij www.scheppingofevolutie.nl/winkel.
  50. A.A. Snelling, M.H. Armitage, ‘Radiohalos – a tale of three granitic plutons’, in: Proceedings of the 5th ICC (2003), p. 243-267.
  51. J. Woodmorappe, The mythology of modern dating methods, Institute for Creation Research, San Diego, 1999.
  52. A.A. Snelling, ‘The cause of anomalous potassium-argon ‘ages’ for recent andesite flows at Mt. Nguaruhoe, New Zealand, and the implications for potassium-argon ‘dating’, in: Proceedings of the 4th ICC, 1998, p. 503-525 geeft tal van voorbeelden. Zes gevallen werden bijvoorbeeld gerapporteerd in D. Krummenacher, ‘Isotopic composition of argon in modern surface rocks’, in: Earth and planetary science letters 8 (1970), p. 109-117; vijf werden er gerapporteerd door G.B. Dalrymple, ‘40Ar/36Ar analysis of historic lava flows’, in: Earth and planetary science letters 6 (1969), p. 47-55. Een groot overschot is gerapporteerd in D.E. Fisher, ‘Excess rare gases in a subaerial basalt from Nigeria’, in: Nature 232 (1970), p. 60-61.
  53. De isochroontechniek bestaat uit het verzamelen van een aantal monsters uit verschillende stukken van het gesteente dat gedateerd wordt. De concentratie van een radioactieve ouderisotoop, zoals rubidium-87, wordt grafisch uitgezet tegen de concentratie van een dochterisotoop, zoals strontium-87, en dat voor alle monsters. Er wordt een rechte lijn getrokken door deze punten die de verhouding ouder-dochter weergeeft en van daaruit wordt dan de ‘ouderdom’ berekend. Als de lijn goed past en de ‘leeftijd’ acceptabel is, is het een ‘goede’ datering. De methode werkt ook met het delen van de ouder- en dochterconcentraties door de concentratie van een soortgelijke stabiele isotoop – in dit voorbeeld strontium-86.
  54. A.A. Snelling, ‘The Failure of U-Th-Pb ‘dating’ at Koongarra, Australia’, in: TJ 9/1 (1985), p. 72-92; www.creation.com/article/1780.
  55. Y.F. Zheng, ‘Influence of the nature of initial Rb-Sr System on isochron validity,’ in: Chemical geology 80 (1998), p. 1-16, en meer specifiek p. 14.
  56. T. Walker, The Somerset Dam igneous complex, south-east Queensland, Honours thesis [met de toekenning 1st class Honours oftewel Summa cum laude], Department of Earth Sciences, University of Queensland, 1998.
  57. D. Gebauer, M. Grunenfelder, ‘U-Th-Pb dating of minerals’, in: E. Jager, J.C. Hunziker (red), Lectures in isotope geology, Springer Verlag, New York, 1979, p. 105-131.
  58. M.A. Cook, Prehistory and earth models, Max Parrish, London, 1966.
  59. R.V. Gentry, Creation’s tiny mystery, Earth Science Associates, Knoxville, 1986 (zie de verwijzingen daarin) Een Nederlandse vertaling is online in te zien op: home.hetnet.nl/~genesis. Een dvd over dit onderwerp is te bestellen bij www.scheppingofevolutie.nl/winkel.
  60. R.D. Humphreys e.a., ‘Helium diffusion rates support accelerated nuclear decay’, in: Proceedings of the 5th ICC, Pittsburg, 2003, p. 175-195.
  61. R.D. Humphreys e.a., ‘Helium diffusion rates support accelerated nuclear decay’, in: Proceedings of the 5th ICC, Pittsburg, 2003, p. 175-195.
  62. J. Baumgardner, ‘Distribution of radioactive isotopes in the earth’, in: L. Vardiman, A.A. Snelling, E.F. Chaffin (eds), Radioisotopes and the age of the earth, Institute for Creation Research and Creation Research Society, 2000.
  63. L. Vardiman, S.A. Austin, J.R. Baumgardner, E.F. Chaffin, D.B. DeYoung, D.R. Humphreys and A.A. Snelling, 2003. Radioisotopes and the age of the earth. Proc. 5th ICC, pag. 337-348.

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!