Zijn verstandskiezen een bewijs voor evolutie?

by | feb 2, 2021 | Evolutie, Medische wetenschappen, Onderwijs

De meeste mensen kennen verstandskiezen als de achterste kiezen die in de middelbare school of universiteitstijd getrokken moeten worden. Of je nu een van de weinige gezegende mensen bent die er nooit een hebben gehad, dan wel dat ze zonder problemen zijn doorgekomen, of dat je ze hebt moeten laten trekken, allen die wat ouder zijn hebben er op een of ander manier er mee te maken gehad. Bij mijzelf ging het allemaal goed en veroorzaakten ze geen problemen, maar ik heb tientallen verstandskiezen bij patiënten verwijderd.

Waarom hebben wij mensen zoveel problemen met verstandskiezen? En impliceert dit een slecht ontwerp van de Schepper? In het reguliere wetenschappelijke denken worden verstandskiezen bij mensen beschouwd als niets meer dan onnodige, evolutionaire overblijfselen, nutteloze resten van mutatie en natuurlijke selectie. De term rudimentaire organen, die gewoonlijk wordt gebruikt voor verstandskiezen, impliceert op subtiele wijze deze evolutionistische achtergrond. In een artikel van Scientific American uit 2016 wordt het argument als volgt verwoord1:

Rudimentaire structuren zijn tekenen van evolutionaire geschiedenis. De in krijtlagen gevonden Pachyrhachis problematicus had kleine achterpoten, die in de meeste slangen van vandaag verdwenen zijn. Moderne walvissen hebben nog een klein bekken voor de achterpoten die hun landzoogdiervoorouders hadden… En, natuurlijk, mensen zitten vol met nutteloze rudimentaire structuren – een duidelijk teken van onze evolutionaire afkomst – zoals verstandskiezen, mannelijke tepels, lichaamshaar, de appendix en het stuitbeen.

Hieruit blijkt duidelijk, verstandskiezen worden nog steeds beschouwd en vermeld als rudimentaire structuren en als bewijs voor evolutie. Maar is dit werkelijk zo?

De wortel van het probleem

Dat mensen in hun mond onvoldoende ruimte hebben voor verstandskiezen en/of last hebben van verstandskiezen, is een recent fenomeen dat begon rond de industriële revolutie in 1700-1800. Alles wijst erop dat voor die tijd er weinig tot geen problemen waren met verstandskiezen.2 Diverse theorieën hebben geprobeerd dit feit te verklaren. De meest bevredigende en gemakkelijk aan te tonen verklaring is echter dat veel van de problemen met verstandskiezen terug te voeren zijn op het menselijke dieet en het gebruik van tanden in pre-industriële populaties.

In het algemeen was vóór de 18e eeuw het menselijke voedsel veel grover; als gevolg daarvan ervoeren mensen een sterkere gebitsslijtage, attritie genoemd.3. Attritie veroorzaakt een vermindering van de hoogte van de kroon of de punt van de tand. Als deze vermindering ver genoeg vordert, ontstaat er feitelijk meer ruimte in de tandboog, ruimte waardoor verstandskiezen normaal kunnen uitkomen en functioneren zoals elke andere kies. Mensen in pre-industriële tijden vertoonden dit patroon van gebitsslijtage en hadden in bijna alle gevallen doorgekomen verstandskiezen zonder zichtbare tekenen van pathologie.4 Bovendien, wanneer een individu voedsel eet dat bestaat uit veel taaier, schurend materiaal, dan worden de botten van de kaken groter en robuuster. Dit gebeurt door de toegenomen krachten die door de kauwspieren op het bot worden uitgeoefend, zowel tijdens de ontwikkeling van de kaak als gedurende de levensduur van een individu. De slijtage van de tanden en de resulterende groei en ontwikkeling van de kaken zorgen beide voor een grotere tandruimte voor alle kiezen, waardoor verstandskiezen niet alleen nuttig en voordelig zijn, maar ook noodzakelijk voor individuen om aan de zware eisen te voldoen die aan het gebit werden gesteld in het pre-industriële tijdperk. Even terzijde: verstandskiezen zijn niet alleen nuttig voor het kauwen en malen van voedsel, maar ook om als gereedschap te worden gebruikt (bijvoorbeeld scheuren, grijpen, snijden) door veel mensen in het verleden en nog steeds vandaag.

Kauw er op

We zien de kenmerken van slijtage en grotere kaken niet alleen bij mensen die leefden vóór de 18e eeuw, maar ook bij bepaalde hedendaagse populaties die nog steeds afhankelijk zijn van een niet-modern dieet voor hun dagelijks voedsel. Bij deze bevolkingsgroepen is er vaak ook een sterke correlatie met functionele verstandskiezen en vermindering van impactie [vert.: van impactie wordt gesproken als tanden of kiezen niet kunnen doorbreken, bijvoorbeeld omdat een ander gebitselement in de weg zit.]. Onderzoekers ontdekten bijvoorbeeld dat Nigerianen op het platteland een veel minder impactie hadden bij hun verstandskiezen (1,1%) dan hun landgenoten in de stad (10,7%), terwijl daarnaast “vezelrijk dieet” en “sterke attritie werd waargenomen bij Nigerianen op het platteland”.5

Bovendien hebben studies bij Australische inheemse bevolkingsgroepen met bewerkte en niet-bewerkte voedselbronnen aangetoond dat bij individuen die het niet-bewerkte voedsel aten, de resulterende slijtage en kauwkrachten mogelijk een impactie van de verstandskies kunnen verminderen.6 We zien dus dat mensen die niet-moderne voeding consumeren over het algemeen goed gebruik maken van hun verstandskiezen en veel van de problemen vermijden die de deelnemers aan een zacht, modern dieet teisteren.

Zelfs voor hedendaagse mensen die over het algemeen kleinere kaken hebben en minder slijtage, lijkt het probleem van verstandskiezen schromelijk overdreven. Hoewel alleen al in de Verenigde Staten jaarlijks ongeveer 10 miljoen verstandskiezen worden getrokken,7 worden in veel gevallen de verstandskiezen profylactisch verwijderd, wat betekent dat ze worden verwijderd om eventuele pathologische aandoeningen in de toekomst te voorkomen. Friedman stelt dat “ten minste twee derde van deze extracties, met hun bijbehorende kosten en verwondingen niet nodig zijn.”8 Geschat wordt dat in feite slechts ongeveer 12% van de aangetaste verstandskiezen geassocieerd is met pathologische aandoeningen zoals cysten en tumoren.9 En dat verstandskiesextracties een inherent, zij het laag, risico hebben op zwelling, bloeding en TMJ-letsel, tijdelijke/permanente paresthesie (gevoelloosheid van de lip, tong of wang) en kaakfracturen, om er maar een paar te noemen. Dus hoewel veel verstandskiezen inderdaad om legitieme redenen moeten worden geëxtraheerd, is het probleem niet zo immens als het aantal extracties doet vermoeden.

Helder en duidelijk

Concluderend, het is aangetoond dat pre-industriële (en sommige hedendaagse) populaties met een meer primitief dieet functionele verstandskiezen hebben en dat het nuttigen van verwerkt voedsel en het verminderen van kauwkrachten grotendeels verantwoordelijk zijn voor de afname van slijtage en de vermindering van kaakgrootte. Het gebitsysteem is dus ontworpen om intensief gebruik te doorstaan, met schurend voedsel, dat een God vol liefde, vooruitziendheid en zorgvuldige voorziening, logischerwijs heeft opgenomen in het ontwerp voor zijn schepselen. Zorgverleners zouden alle voorzorgsmaatregelen moeten nemen om deze tanden te beschermen en de benadering vermijden dat ze algemeen schadelijk en nutteloos zijn. Verstandskiezen zijn stevige, praktische constructies met een specifiek en nuttig doel. Dat impactie/stoornissen steeds vaker voorkomen in de wereld van vandaag, zegt niets over de veronderstelde evolutie van mensen uit primaten of een verondersteld slecht ontwerp. Verstandskiezen zijn zeker geen rudimentaire organen. Je zou er verstandig aan doen om dat idee uit je hoofd te laten verwijderen.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website van Answers in Genesis. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

  1. M. Shermer, H. Hall, R. Pierrehumbert, P. Offit, and S. Shostak, “5 Things We Know To Be True,” Scientific American 315 (2016), 46–53, doi:10.1038/scientificamerican1116-46; accentuering toegevoegd
  2. N. Von Cramon-Taubadel, “Global Human Mandibular Variation Reflects Differences in Agricultural and Hunter-Gatherer Subsistence Strategies” PNAS 108, no. 49 (December 2011): 19546–19551, doi:10.1073/pnas.1113050108; Anita Sengupta, David K. Whittaker, Geraldine Barber, Juliet Rogers, and Jonathan H. Musgrave, “The Effects of Dental Wear on Third Molar Eruption and on the Curve of Spee in Human Archaeological Dentitions,” Archives of Oral Biology 44, no. 11 (1999): 925–934, doi:10.1016/S0003-9969(99)00095-3.
  3. zie: Von Cramon-Taubadel, “Global Human Mandibular Variation Reflects Differences in Agricultural and Hunter-Gatherer Subsistence Strategies”; and Y. Kaifu, K. Kasai, G. C. Townsend, and L. C. Richards, “Tooth Wear and the ‘Design’ of the Human Dentition: A Perspective from Evolutionary Medicine,” American Journal of Physical Anthropology, 122 (2003): 47–61, doi:10.1002/ajpa.10329.
  4. Zie: Von Cramon-Taubadel, “Global Human Mandibular Variation Reflects Differences in Agricultural and Hunter-Gatherer Subsistence Strategies;”; Anita Sengupta, David K. Whittaker, Geraldine Barber, Juliet Rogers, and Jonathan H. Musgrave, “The Effects of Dental Wear on Third Molar Eruption and on the Curve of Spee in Human Archaeological Dentitions,” Archives of Oral Biology 44, no. 11 (1999): 925–934, doi:10.1016/S0003-9969(99)00095-3; Kaifu, Kasai, Townsend, and Richards, “Tooth Wear and the ‘Design’ of the Human Dentition”; O. Mockers, M. Aubry, and B. Mafart, “Dental Crowding in a Prehistoric Population,” European Journal of Orthodontics 26, no. 2 (April 2004): 151–156, doi:10.1002/ajpa.10329.
  5. S. A. Odusanya and I. O. Abayomi, “Third Molar Eruption Among Rural Nigerians,” Oral Surgery, Oral Medicine, and Oral Pathology 71 (1991): 151–154, doi:10.1016/0030-4220(91)90457-N.
  6. Zie: R. S. Corruccini, “Australian Aboriginal Tooth Succession, Interproximal Attrition, and Begg’s Theory,” American Journal of Orthodontics and Dentofacial Orthopedics 97, no. 4 (1990): 349–357, doi:10.1016/0889-5406(90)70107-N.
  7. Zie: J. W. Friedman, “The Prophylactic Extraction of Third Molars: A Public Health Hazard,” American Journal of Public Health, 97, no. 9 (2007): 1554–1559, doi:10.2105/AJPH.2006.100271.
  8. Zie: J. W. Friedman, “The Prophylactic Extraction of Third Molars: A Public Health Hazard,” American Journal of Public Health, 97, no. 9 (2007): 1554–1559, doi:10.2105/AJPH.2006.100271.
  9. H. R. Stanley, M. Alattar, W. K. Collett, H. R. Stringfellow, and E. H. Spiegel, “Pathological Sequelae of ‘Neglected’ Impacted Third Molars,” Journal of Oral Pathology 17 (1988): 113–117, doi:10.1111/j.1600-0714.1988.tb01896.x.
M
"

Artikelen

Artikelen