Ook dertig jaar na zijn overlijden heeft de Nederlands-Amerikaanse theoloog Cornelius van Til een boodschap voor christenen vandaag.

Dit jaar is het dertig jaar geleden dat Cornelius van Til overleed. Geboren als boerenzoon in het Groningse plaatsje Grootegast overleed hij als emeritus hoogleraar theologie in Pennsylvania (VS). Daartussen zat een lang en vruchtbaar leven (1895-1987) in dienst van kerk en theologie.
Hoewel Van Til zichzelf eerst en vooral als dienaar van het Woord zag, kreeg hij met name bekendheid vanwege zijn apologetische werk. De Amerikaanse theoloog William Edgar noemde hem „zonder twijfel een van de meest originele apologeten van de twintigste eeuw.”

Gekleurde bril

Cornelius van Til

Centraal staat bij Van Til de overtuiging dat elk mens zich bij zijn visie op de werkelijkheid laat leiden door bepaalde vooronderstellingen. Een neutrale blik bestaat dus niet. Iedereen bekijkt de werkelijkheid door een gekleurde bril en interpreteert de feiten in het licht daarvan. Deze overtuiging is, mede onder invloed van het postmodernisme, inmiddels gemeengoed geworden. Van Til was met deze opvatting zijn tijd ver vooruit. En dat niet op grond van postmoderne overtuigingen, maar op grond van de Schrift.

Volgens Van Til zijn er maar twee soorten mensen: mensen die het verbond houden (”covenant-keepers”) en mensen die het verbond breken (”covenant-breakers”). Elk mens denkt vanuit een ”framework” waarin óf God óf de mens het uitgangspunt vormt. Omdat de mens van nature een verbondsbreker is, probeert hij de waarheid van Gods bestaan te negeren en te onderdrukken, om zo een werkelijkheid te construeren zonder God. Niet God, maar de mens is uitgangspunt van alle dingen. Omdat volgens Van Til alleen een optiek waarin God voorondersteld wordt houdbaar is, staan alle andere opvattingen open voor kritiek. Elke visie die niet rekent met God en Zijn Woord vertoont innerlijke inconsistenties. Het is de taak van de christelijke apologeet om de ander te wijzen op deze inconsistentie.

God centraal

Van Tils methode, bekend als de ”presuppositionele” visie, benadert de werkelijkheid radicaal vanuit God. God, in Wie we leven, bewegen en zijn, is de vooronderstelling van alle dingen. God is niet de conclusie van een reeks argumenten die Zijn bestaan zouden bewijzen, Hij staat aan het begin van elk argument. Niemand, aldus Van Til, kan ook maar een lettergreep uitspreken, hetzij in bevestigende, hetzij in ontkennende zin, tenzij God bestaat. Zonder God te vooronderstellen, is er geen kennis, wetenschap of moraal mogelijk. In zijn eigen woorden: „…het geheel van de geschiedenis en de beschaving zou voor mij onbegrijpelijk zijn zonder mijn geloof in God.”

Christelijk theïsme is het enige alternatief voor scepticisme: zonder geloof in God is geen enkel geloof of overtuiging mogelijk. Alleen in Gods licht zien we het licht. De christelijke wereldbeschouwing is daarom de enige die rationeel en geldig is. Elke andere wereldbeschouwing toont innerlijke inconsistentie en de christelijke apologeet moet zijn opponent laten zien dat diens claims op kennis, wetenschap en moraal niet houdbaar zijn.

Volgens Van Til is er zonder God überhaupt geen kennis mogelijk. Kennis heeft twee onmisbare componenten: geloof en waarheid. Je kunt Donald Trump niet kennen als hij niet bestaat; dat is de component waarheid. Je kunt hem ook niet kennen als je niet gelooft dat hij bestaat; de component geloof. Deze twee kenmerken vooronderstellen het bestaan van God.

Hoewel naturalisten, die het bestaan van God ontkennen, ook kennis claimen, kunnen ze daar geen argumenten voor aandragen. Geloof en waarheid zijn namelijk concepten waar naturalisten wel gebruik van maken, maar waar ze geen basis voor hebben. Het enige wat waar is, is wat je met behulp van de wetenschap kunt aantonen. Waarheid en geloof kun je echter niet natuurwetenschappelijk aantonen, terwijl je die wel nodig hebt om tot kennis te komen.

Naturalisten hebben nog een tweede probleem. Waarheid veronderstelt normativiteit. Iets is waar of niet. Een naturalist kan echter niet inzichtelijk maken waarom dit zo zou zijn. Een christen kan dit wel. Iets is goed of fout, omdat het wel of niet in overeenstemming is met Gods karakter, met de logica en het principe van non-contradictie die verankerd zijn in God.

Het bovenstaande betekent dat een naturalist feitelijk geen wetenschap kan bedrijven. Zonder kennis immers geen wetenschap. Wetenschap en kennis vooronderstellen het bestaan van God. Natuurlijk zijn er vele niet-gelovige wetenschappers die integer wetenschap bedrijven, maar feitelijk doen ze dat met geleend kapitaal: ze werken, zonder dat ze het weten, vanuit theïstische vooronderstellingen.

Atheïsme

Volgens Van Til is de werkelijkheid onverklaarbaar zonder God. Zonder God weten we niets. Elk argument, elke dialoog, elk feit vooronderstelt het bestaan van God. Het is zelfs niet mogelijk Gods bestaan te ontkennen zonder de vooronderstelling dat Hij bestaat. Van Til vergelijkt het met lucht: wie discussieert over het wel of niet bestaan van lucht, kan dat alleen door tegelijkertijd diezelfde lucht in te ademen. Zelfs een atheïst heeft dus God nodig om te bewijzen dat Hij niet bestaat.

Dit is een vruchtbaar inzicht, dat christenen zich eigen dienen te maken. Het kan een doeltreffend middel zijn om zelfs de krachtigste argumenten tegen God om te buigen tot argumenten voor Zijn bestaan. Neem bijvoorbeeld het probleem van het lijden. Wie heeft het niet eens meegemaakt dat de ellende en het lijden in de wereld worden ingebracht als argument tegen God? Van Til zou in zo’n geval dit pareren met een tegenvraag: Hoezo is dat een probleem? Vanuit evolutionair perspectief zijn lijden, ziekte, pijn en dood immers inherent aan het leven. Het is goed noch fout; de ”struggle for life” en de ”survival of the fittest” zijn immers inherent aan het evolutieproces.

Zoals gezien kan het naturalisme geen argumenten voor de noties van goed en kwaad aandragen. Dat ook niet-gelovigen ziekte, lijden en pijn toch als kwaad beschouwen, kan alleen omdat ze onbewust werken met het geleende kapitaal van het theïsme. Hun argument tegen Gods bestaan is dus juist een bewijs voor Zijn bestaan en tegelijk een stille aanwijzing dat ook niet-gelovigen besef van goed en kwaad hebben als gevolg van hun geschapen zijn door de God Die ze ontkennen.

Volgens Van Til dienen christenen zich te begeven op het terrein van hun opponenten om van binnenuit de inconsistentie van hun beweringen aan te tonen. In plaats van de verdediging kiest Van Til voor de aanval en geeft hij christenen instrumenten in handen om het bankroet van het denken zonder God aan te tonen. Alle gedachten die zich tegen de kennis van God verzetten, dienen gebracht te worden tot de gehoorzaamheid van Christus (2 Kor. 10:5).

Cirkelredenering

Een van de kritiekpunten die tegen Van Til zijn ingebracht, is het verwijt van circulariteit: je bewijst God terwijl je al uitgaat van je gelijk, namelijk dat Hij bestaat: een cirkelredenering. Dat is waar, maar (aldus Van Til) dat geldt voor iedereen. Iedereen gaat uit van bepaalde vooronderstellingen. Het enige wat ertoe doet, is dat je uitgaat van de juiste vooronderstellingen – en dat kan alleen de christen die uitgaat van de heerschappij van God en Zijn Woord. Christenen moeten niet-gelovigen niet tegemoetkomen door te kiezen voor een zogenaamde neutraliteit (want die bestaat niet) maar, uitgaande van de waarheid van Bijbelse vooronderstellingen, de ander opzoeken op diens terrein en de onjuistheid en onmogelijkheid van zijn claims op kennis en waarheid aantonen.

Van Tils benadering is wel een „copernicaanse revolutie” genoemd. In plaats van mee te gaan in het gangbare patroon, dat uitgaat van de autonome mens, neemt hij zijn uitgangspunt in God. Als het waar is dat alle dingen uit Hem, door Hem en tot Hem zijn, geldt dat ook voor ons denken. God dient de vooronderstelling te zijn van ieders denken en redeneren. Kortom: er is ook bekering van ons denken nodig. Zo is het mogelijk God niet alleen lief te hebben met ons hart en onze ziel, maar ook met ons verstand. Dat is de blijvende betekenis van Van Til.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2017, Zonder God weten we nietsReformatorisch Dagblad Accent 47 (191): 5 (Artikel).

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Maarten Klaassen

Written by

Maarten Klaassen werd op 25 februari 1981 geboren in het Zeeuws-Vlaamse Terneuzen. Na het doorlopen van de Wittenbergschool in het Gelderse Scherpenzeel bezocht hij het Van Lodenstein College te Amersfoort (1993-1999). Hier behaalde hij het vwo-diploma. Vervolgens studeerde hij theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht waar hij in 2005 zijn doctoraalexamen voltooide. Zijn scriptie Augustinus Exemplum ging over Augustinus en John Owen. In 2006 deed hij kerkelijk examen. In datzelfde jaar werd hij door ds. H. van den Belt als predikant bevestigd in de hervormde gemeente Hedel in de Bommelerwaard. In 2011 werd hij bevestigd als predikant van de hervormde gemeente Sliedrecht (wijkgemeente 3). Sinds juli 2015 dient hij de Hervormde gemeente van Arnemuiden. In 2013 promoveerde hij in Amsterdam aan de Protestantse Theologische Universiteit op het proefschrift In Christus rechtvaardig. Reformatorische perspectieven op rechtvaardiging en eenheid met Christus. Dr. Klaassen is getrouwd met Katrien van Roekel. Samen hebben zij drie dochters. Tevens is hij voorzitter van de stichting In de Rechte Straat, een stichting, opgericht door Herman Hegger, die vanuit de verbondenheid met de Reformatie het getuigend gesprek met rooms-katholieken aangaat. Als vaste scribent schrijft hij regelmatig voor de opinierubriek ‘Toegespitst’ van het Reformatorisch Dagblad.