Flavius Josephus over Jezus en zijn volgelingen

door | 26 mei 2025 | Bijbelse archeologie, Bijbelse geschiedenis, Geschiedenis

De Joodse Opstand, de verwoesting van Jeruzalem en de verspreiding van het christendom: er was in de tweede helft van de eerste eeuw heel wat gaande in wat nu Israël heet. Als tijdgenoot van de schrijvers van het Nieuwe Testament was Flavius Josephus er ooggetuige van. De dikke boeken die hij schreef over wat hij zag en meemaakte, zijn bewaard gebleven en nog altijd van onschatbare waarde.

Stel dat er in de eerste eeuw na Christus televisie bestond. Dan zou het journaal zo geklonken kunnen hebben. ‘Goedenavond, dit is het nieuws van 4 augustus van het jaar 70. Nadat het Romeinse leger gisteren, onder leiding van Titus, de zoon van de vorig jaar tot keizer uitgeroepen Vespasianus, de tempel in brand zette, zijn duizenden mensen, zowel verdedigers als inwoners, omgebracht. Daarnaast zijn er grote verwoestingen aangericht en branden gesticht. Op deze beelden is te zien hoe de tempel, het belangrijkste religieuze gebouw voor de joodse gelovigen, in vlammen opgaat. De Romeinen lijken met hun inname van Jeruzalem, na vier jaar, de Joodse Opstand te hebben gebroken. De strijd heeft sinds het jaar 66 vele tienduizenden dodelijke slachtoffers geëist. En dan nu het overige nieuws…’

Dat zou wat zijn, om er zo verslag van te krijgen! En al helemaal als je dit journaal vandaag nog zou kunnen afspelen. Maar wist je dat dit nog niet eens zo’n hele rare gedachte is? Hoewel het bovenstaande natuurlijk is verzonnen, bestaat er wel degelijk een direct en gedetailleerd ooggetuigenverslag van de gebeurtenissen van destijds. En ook nog eens geschreven door een man die naast Titus voor de poorten van Jeruzalem stond en moest toezien hoe de stad, waar hij was geboren en getogen, werd ingenomen. Wie was deze verslaggever? Waarom schreef hij over de strijd? En hoe schreef hij over Jezus en zijn volgelingen?

Flavius Josephus CV

De maat is vol

Josephus werd als Josef ben Mattitjahoe geboren in het jaar 37 na Christus in Jeruzalem, de hoofdstad van Judea. Hij was van belangrijke joods priesterlijke afkomst, kreeg een goede opleiding en bevond zich meteen in de bovenlaag van de elite van het land. Maar als hooggeplaatste priester kreeg hij al snel te maken met oplopende spanningen binnen de geloofsgroepen en tussen de Joden en het Romeinse bestuur. Na de plundering van de tempel door de Romeinse gouverneur was de maat voor veel Joden vol. Zij wilden in opstand komen tegen Rome. Josephus ging naar Galilea om de gemoederen tot bedaren te brengen, maar de missie om een oorlog koste wat kost te voorkomen, mislukte.

Snel nadat in het jaar 66 de Joodse Opstand begon, stuurde keizer Nero generaal Vespasianus en diens zoon Titus naar Palestina. Met vier legioenen, aangevuld met troepen van koning Agrippa II, gingen ze de opstandelingen te lijf. Een voor een namen ze de belangrijkste Joodse bolwerken in Galilea in. Josephus kwam op die manier tussen twee vuren te staan en was het aan zijn priesterstand verplicht, nu de nood aan de man was, als legerleider op te treden. In zijn boeken laat hij later zien dat hij veel wist over legers en strijdtechnieken. Onderzoeker Tessel Jonquière schrijft in haar boek Flavius Josephus zelfs dat het de uitgebreidste beschrijving van het Romeinse leger uit de eerste eeuw is, die bewaard is gebleven.

JUDEA IN DE EEUW DAT JEZUS LEEFDE

De Romeinse generaal Pompeius veroverde Jeruzalem in 63 v.Chr. maar stelde een zelfbestuur in, wat inhield dat de Judeeërs wel zelf hun heersers mochten blijven benoemen. De bekendste daarvan, met name door de Bijbel en de boeken van Flavius Josephus, was Herodes de Grote (37 tot 4 v.Chr.), de vazalkoning die leefde in de tijd van Jezus’ geboorte.

Na de dood van Herodes de Grote maakte zijn zoon een zodanig potje van het bestuur dat de Romeinen ingrepen. In het jaar 6 n.Chr. maakten ze van Juda een Romeinse provincie en stelden een praefectus (procurator) aan. De bekendste daarvan is ongetwijfeld Pontius Pilatus, de man die regeerde toen Jezus werd gekruisigd. Buurland Syrië was een grotere, belangrijkere provincie voor Rome en had een gouverneur als bestuurder. Die kon bij problemen ingrijpen in Judea als het nodig was. Het sanhedrin was een soort gerechtshof, bestaande uit aan Rome loyale priesters en voorname burgers, die de joodse geloofswetten controleerden. Er waren drie joods religieuze hoofdstromingen in Judea en het omliggende Palestina: de Farizeeën, de Sadduceeën en de Essenen. Flavius Josephus noemt deze drie groepen in zijn boeken voor het eerst als hij gebeurtenissen beschrijft die rond 150 v.Chr. plaatsvonden.

Josephus in de grot

Josephus en zijn troepen verschansten zich, nadat ze al verscheidene steden aan de Romeinen hadden moeten laten, uiteindelijk in een vestingstad: Jotapata. Maar ook die hield geen stand. En dan vindt misschien wel het vreemdste voorval in het leven van Josephus plaats. Zelfs vandaag de dag praten en schrijven historici er nog over en kunstenaars hebben het moment vastgelegd op etsen en schilderijen.

Want wat gebeurde er? Meteen nadat de Romeinen Jotapata waren binnengevallen, gingen ze op zoek naar Josephus. Die had zich met 40 metgezellen in een grot verstopt. Op een gegeven moment wilde hij zich overgeven aan de Romeinen want, zo schrijft hij: ‘Hem (Josephus) kwam plotseling de herinnering aan nachtelijke dromen voor de geest, waarin God hem de naderende rampspoed van de Joden en de lotsbestemming van de Romeinse keizers had voorspeld.’ Als hij deze voorspelling aan Vespasianus zou overbrengen, kon hij zijn leven redden, geloofde hij. Het was tegelijk zijn enige kans het er levend van af te brengen. Maar tegen zijn metgezellen in de grot zei hij niets. In plaats daarvan stelde hij voor om een pijnlijke dood door de Romeinen te voorkomen door elkaar een voor een dood te steken. Ze gingen akkoord en als een wonder bleef Josephus samen met één andere man, Nicanor, over. Ze lieten elkaar in leven, een besluit dat hen later op veel kritiek en scheve ogen kwam te staan.

Jan Willem van Henten, hoogleraar Religiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, heeft veel over deze bizarre gebeurtenis gepiekerd: „Als kritische lezer vond ik het bijna niet te verteren hoe Josephus hier zichzelf redde, ten koste van zijn metgezellen. Maar ik ben er inmiddels van overtuigd dat hij authentiek is en dat Josephus echt geloofde dat hij (van priesterlijke komaf) een missie van God had gekregen om het verhaal van het Joodse volk vast te leggen. Daarvoor vond hij zijn handelen geoorloofd.”

Josephus zelf beschrijft zijn gebed in de grot als volgt: ‘…omdat U mijn geest heeft uitgekozen om de toekomst te voorzeggen, geef ik mij vrijwillig over aan de Romeinen en kies voor het leven. U roep ik op als mijn getuige dat ik niet vertrek als verrader, maar als Uw dienaar.’

JOSEPHUS OVER JEZUS, JOHANNES EN JAKOBUS

Een van de meest bestudeerde fragmenten in Josephus werk gaat over Jezus. Dit is wat hij schrijft in zijn boek De Joodse Oudheden:

‘In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is Hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en Hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. En veel Joden alsook velen van de Grieken bracht Hij tot Zich. Hij was de Christus. Ook nadat Pilatus Hem op aanwijzing van de eerste mannen bij ons de straf van het kruis had opgelegd, gaven zij die het eerst in liefde waren gaan leven niet op. Hij was namelijk aan hen verschenen op de derde dag, opnieuw levend. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderlijke dingen over Hem gezegd. Tot op de dag van heden is de naar Hem genoemde groep van de christenen niet verdwenen.’

Over deze korte tekst, die bekendstaat als het Testimonium Flavianum, zijn tientallen wetenschappelijke artikelen verschenen. Ook Van Henten heeft de tekst onderzocht.

„De meeste historici zijn het erover eens dat het grootste deel authentiek is, behalve waar het over Jezus als de Christus gaat. Josephus is joods, dus zou het onwaarschijnlijk zijn dat hij in die termen over Jezus schreef. Volgens die theorie zijn het latere christelijke kopiisten of vertalers geweest die de tekst hier en daar hebben aangevuld. Een kleine groep experts zegt dat de tekst geheel authentiek is. Ik interpreteer het zelf zo: Josephus zegt niet dat hijzélf gelooft dat Jezus de Messias is, maar geeft aan dat anderen dat denken en blijft dus nog aardig neutraal.”

JOHANNES DE DOPER

Josephus vertelt in zijn Joodse Oudheden, boek 18, ook over de dood van Johannes de Doper, maar zijn verhaal wijkt af van de Bijbelse versie in Markus 6. Daar wordt Johannes op verzoek van de vrouw van koning Herodes Antipas onthoofd, waarna zijn hoofd op een schotel aan haar wordt gepresenteerd. Volgens Josephus liet Herodes Johannes oppakken en in de gevangenis ombrengen uit angst voor zijn steeds groter wordende aanhang.

JAKOBUS

In Joodse Oudheden, boek 20, komt Jezus nog een keer ter sprake, in het kader van de terechtstelling in het jaar 62 van een christelijke man door de hogepriester, Ananus. Algemeen wordt deze persoon, een volgeling van Jezus, geïdentificeerd als Zijn broer, de apostel Jakobus, aan wie de opgestane Jezus verscheen (1 Korinthe 15) en die (waarschijnlijk) het gelijknamige Bijbelboek heeft geschreven.

Krijgsgevangene

De opzet van Josephus slaagde. Vespasianus was onder de indruk van zijn profetie en doodde hem niet. Aan de poorten van Jeruzalem deed Josephus een laatste beroep op de Joodse opstandelingen om hun verzet te staken. Tevergeefs, waarop de verwoesting van de stad en de tempel volgde. Hierna ging Josephus als krijgsgevangene mee naar Rome waar hij een Romeinse naam kreeg (Flavius Josephus) en later een vrij staatsburger zou worden – en aan zijn boeken begon. Van Henten:

„Hoe Josephus zijn keuze voor Rome ook verdedigde – een groot deel van zijn werk is daaraan gewijd – door veel Joden werd hij tijdens zijn leven en ook nu nog gezien als verrader. Door Poolse en Franse Joden is hij zelfs de vorige eeuw nog twee keer postuum beschuldigd van hoogverraad.”

Toch leefden zijn boeken voort. Ze werden overgeschreven, gekopieerd en vertaald. Toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, was Josephus meteen een van de meest gelezen klassieke auteurs. Ondanks zijn grillige leven en de omstreden keuzes die hij maakte, zagen velen in hem vooral de verslaggever van een van de meest ingrijpende periodes in de geschiedenis.

JOSEPHUS EN DE ARCHEOLOGIE - Zijn beschrijving maakt de puzzel een stuk makkelijker
Opvallend in Josephus’ werk zijn de uitgebreide beschrijvingen van plaatsen, gebouwen en landschappen. Omdat het meestal gaat om objecten die zijn verwoest, vervallen tot ruïnes of simpelweg verdwenen, halen historici hier veel kennis uit.

Ook voor archeologen zijn de geschriften van Josephus van onschatbare waarde, zegt hoogleraar Van Henten. „De in 70 n.Chr. verwoeste tempel in Jeruzalem beschrijft Josephus tot in detail. Tijdens het doen van opgravingen hebben archeologen dan ook standaard een exemplaar van Josephus’ werk bij zich, waardoor ze de vondsten eenvoudiger kunnen interpreteren. Hetzelfde geldt voor de winterpaleizen van Herodes bij Jericho en andere historische plekken.”

Bronvermelding

Weet 72 Dit artikel over Flavius Josephus is geschreven door Imco Lanting en eerder verschenen in Weet Magazine nummer 72, december 2021. Met toestemming overgenomen. Wil je vaker Weet Magazine lezen? Dan kun je ook abonnee worden via de website van Weet Magazine.

Logos Instituut beveelt Weet Magazine van harte aan.

Maandelijkse nieuwsbrief


Steun Logos Instituut