Op een belangrijk punt in zijn bediening vroeg Jezus aan zijn discipelen: “Wie zeggen jullie dat ik ben?” (Mattheüs 16:15). Het antwoord op die vraag is belangrijker dan wat dan ook. Tegenwoordig is het net als in de dagen van Jezus. Wanneer christenen mensen vragen wie Jezus is, dan krijgen zij verschillende antwoorden met betrekking tot zijn identiteit. Maar wat leert het Nieuwe Testament ons over wie Jezus is? Is Jezus God?
Inleiding
De goddelijkheid van Jezus begrijpen is van fundamenteel belang bij de verdediging van de waarheid van het christelijk geloof.
Alle grote religies1 en sektarische groeperingen2 verwerpen de leer van de goddelijkheid van Jezus. Sommige van deze tegenwerpingen zijn het gevolg van het stellen van de ratio boven openbaring (de “rede” staat boven alles, en niet God), of ze komen voort uit een misverstand over wat de leer nu eigenlijk zegt. Andere, vaker voorkomende tegenwerpingen zijn het gevolg van revisionistische geschiedenis die stelt dat de goddelijkheid van Jezus werd uitgevonden tijdens het Concillie van Nicea in de vierde eeuw3 en niet iets is dat de vroege kerk al geloofde4.
De reden dat christenen in de goddelijkheid van Jezus geloven is omdat wij tot deze conclusie gedreven worden door het heldere onderwijs van de Bijbel. Het is belangrijk om de identiteit van Jezus goed te hebben, want er staat geschreven dat we God de Vader niet hebben als we de goddelijkheid van Jezus ontkennen (zie 1 Johannes 2:23; vergelijk Johannes 5:23). Hier volgen 10 Bijbelse redenen om te geloven dat Jezus God is.
Reden 1: De Bijbel leert dat er maar één Ware God is
Dit is belangrijk om te begrijpen, want veel mensen die de goddelijkheid van Jezus tegenspreken doen dat vanuit een verkeerd begrip van wat christenen geloven over de Drie-eenheid. Christenen geloven wat de Bijbel ons voorhoudt: er is maar één ware en levende God (Deuteronomium 6:4; vergelijk 1 Korinthiërs 8:6). Nu moet monotheïsme (het geloof in één God) niet verward worden met unitarisme (het geloof dat het wezen van God wordt gedeeld door één persoon). De goddelijkheid van Jezus is een onderdeel van de leer van de Drie-eenheid, die stelt dat er binnen het ene Wezen van God, drie eeuwige personen bestaan die allen even gelijk en even eeuwig zijn: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Elke van hen is een te onderscheiden persoon, maar elk van hen wordt geïdentificeerd als God: de Vader (1 Korinthiërs 8:6), de Zoon (Johannes 1:1-3; Romeinen 9:5), en de Geest (Handelingen 5:3-4). We moeten ook niet vergeten dat niet de Vader in het vlees kam (de incarnatie), ook niet de Geest, maar de Zoon (Johannes 1:14). De Zoon werd geboren onder de Wet (Galaten 4:4). Dat is de reden waarom Jezus – in zijn menselijkheid – bidt tot de Vader (Mattheüs 26:39,42).5
De leer van de Drie-eenheid is geopenbaard tussen het Oude en het Nieuwe Testament, door de vleeswording van Jezus en de uitstorting van de Heilige Geest.6 God is niet veranderd in de tijd tussen de testamenten, alsof Hij eerst een Unitaristische God was in het Oude en daarna een Trinitarische God werd in het Nieuwe Testament. God is altijd al een Drie-eenheid geweest, maar de specifieke openbaring van de goddelijkheid van Jezus kwam pas in het Nieuwe Testament.7
Reden 2: De Bijbel leert dat Jezus al bestond voordat de wereld er was
Het Nieuwe Testament geeft in verschillende gedeelten duidelijk aan dat Jezus al in eeuwigheid bestond, voordat hij geboren werd in Bethlehem.
Genesis 1:1 zegt: “In het begin schiep God de hemel en de aarde”. In Johannes 1:1 lezen we dezelfde woorden: “In het begin”.8 Johannes informeert ons in Johannes 1:1 dat in het begin het Woord (Logos) was, en dat dit Woord niet alleen bij God was maar ook zelf God was. Dit Woord is degene die alle dingen in het bestaan riep aan het begin van de schepping (Johannes 1:3). Johannes 1:1 leert dat dit Woord eeuwig is, dat het een eeuwige relatie met de Vader heeft en dat het, wat zijn aard betreft goddelijk is.
In zijn gebed in Johannes 17:3-5 verwijst Jezus naar zijn pre-existentie en gebruikt daarbij woorden die alleen van toepassing kunnen zijn op goddelijkheid:
“En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt op de aarde. Ik heb het werk volbracht dat U Mij gegeven hebt om te doen. En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was.” [HSV]
Het eeuwige leven hebben is het kennen van twee personen: zowel de Vader als Jezus (zie Johannes 14:6-7; 16:3). Maar let op, Jezus wordt onderscheiden van de Vader, omdat Jezus degene is die tot de Vader spreekt. De persoonlijk voornaamwoorden (mij, U) laten duidelijk zien dat hier een persoon tot een ander persoon spreekt. In dit gesprek spreekt de Zoon over de heerlijkheid die hij deelde met de Vader, voordat de wereld er was. De woorden “bij U” verwijzen naar de gedeelde goddelijke glorie.9
Johannes 17:3-5 is geen voorbeeld van de “menselijke kant” die bidt tot de “goddelijke kant”, maar van een goddelijke, geïncarneerde (Johannes 1:14) persoon, de Zoon, die communiceert met een goddelijke, niet-geïncarneerde persoon, de Vader in de hemel.
De woorden van Paulus in Filippenzen 2:5-8 leren niet alleen over de goddelijkheid van Jezus, maar ook van de te onderscheiden persoonlijkheid van de Zoon, voorafgaand aan zijn vleeswording.10 In dit gedeelte roept Paulus de Filippenzen op om dezelfde houding aan te nemen als Christus Jezus die “in de gestalte van God was”.11 Deze woorden gaan vooraf aan de werkwoorden ontledigen, aannemen en worden. Ze verwijzen naar de pre-existentie van degene die “in de gestalte van God was.”12 Meer nog, Jezus beschouwde13 dit aan God gelijk zijn in het eeuwige verleden niet als iets om aan vast te houden. In plaats daarvan heeft hij “zichzelf ontledigd”14, door twee dingen te doen: de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden.15 Toen hij het menselijk bestaan was binnengekomen heeft hij zichzelf vernederd toot de dood aan het kruis. Om deze reden zal elke knie zich voor hem buigen en elke tong belijden dat Jezus Christus de Heere is (Fillippenzen 2:10-11). Alleen God mag als Heere aanbeden worden (zie Jesaja 45:23).
Reden 3: Jezus is de Schepper, niet een schepsel
Jehova’s Getuigen geloven dat Paulus met Kolossenzen 1:15 leert dat Jezus een geschapen wezen was (“de Eerstgeborene van heel de schepping”). Deze leer van de Jehova’s Getuigen lijkt echter meer op de oude ketterij die Paulus onder de Kolossenzen moest bestrijden.
De valse leraren te Kolosse verkondigden de idee dat Jezus de eerste was van vele middelaars tussen God en mensen. Door de specifieke Griekse term prōtotokos, “eerstgeborene”, te gebruiken, wordt dit idee van Jezus als schepsel uitgesloten. “Eerstgeborene” betekent niet “als eerste geschapen”. Met deze term wordt gewezen op de aloude aanduiding van autoriteit, van preëminentie, die op metaforische wijze werd toegepast op de eerstgeborene (Genesis 49:3-4; Exodus 4:22). Op dezelfde manier wordt ook David, de jongste zoon van Isaï, de “eerstgeborene” genoemd (Psalm 89:20-27) die over Israël regeerde. Manasse was als eerste geboren bij Jozef, maar zijn jongere broer Efraïm was de “eerstgeborene” vanwege de positie die hem door Jakob/Israël werd gegeven (Genesis 48:13-20; Jeremia 31:9).
Als Paulus Jezus had willen beschrijven als een geschapen wezen, dan had hij gewoon het Griekse woord protokistos – “eerst geschapene” – kunnen gebruiken.16 Dus waarom heeft hij dat woord niet gebruikt? Omdat Paulus niet geloofde dat Jezus geschapen was. Door Jezus te beschrijven als de “Eerstgeborene van heel de schepping”, zegt Paulus dat hij de absolute heerser over heel de schepping is.
Het is zelfs zo dat het bewijs van Jezus’ heerschappij over heel de schepping wordt gegeven in Kolossenzen 1:16. Hier wordt de idee dat Jezus slechts een geschapen wezen is volledig uitgesloten, doordat hij hier wordt gepresenteerd als de Schepper van het hele universum, wat bestaat door zijn creatieve macht (Johannes 1:1-3; Hebreeën 1:2,8-10). De reden dat Jezus “alle dingen geschapen” kan hebben, is omdat in hem “heel de volheid van de Godheid lichamelijk [woont]” (Kolossenzen 2:9). Het Griekse woord voor “Godheid”, theotēs, verwijst naar “de toestand van het God zijn”.17. Alleen God kan scheppen (Jesaja 42:5, 44:24, 45:18).
Reden 4: Jezus identificeert zichzelf als goddelijk
Tijdens het Loofhuttenfeest had Jezus eens een ontmoeting met de Farizeeën (Johannes 8:13). Hij zei toen tegen hen, “Ik heb u dan gezegd dat u in uw zonden zult sterven, want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven.” (Johannes 8:24) De Joden reageerden op zijn woorden door hem te vragen, “Wie bent U?” (vers 25).
Jezus vertelde de Joden precies wie hij is: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik.” (Johannes 8:58). Met deze woorden “ik ben” (ego eimi) gaf Jezus het duidelijkste voorbeeld van zijn proclamatie, “Ik ben Yahweh”, met als achtergrond het boek van Jesaja (zie Jesaja 41:4; 43:10-13, 25; 46:4; 48:12; vergelijk met Johannes 13:19).
Door deze zelfde woorden (ego eimi) vielen de Romeinse soldaten op de grond, toen ze Jezus kwamen arresteren (Johannes 18:6). Jezus’ expliciete identificatie met Yahweh van het Oude Testament is de reden waarvoor de Joodse leiders hem wilden stenigen vanwege godslastering (zie Johannes 5:18; 10:33).
Reden 5: De apostelen identificeerden Jezus als goddelijk
Zowel Jezus als zijn apostelen identificeerden hem als goddelijk. De apostel Petrus beschreef Jezus als “onze God en Zaligmaker” (2 Petrus 1:1; vergelijk met Titus 2:13). Hij riep gelovigen op om “Christus te heiligen als Heere” (1 Petrus 3:14, NBG’51).18 Jezus zijn eigen half-broer Jakobus, die eerst een ongelovige was (Johannes 7:5), beschreef hem als “de Heere der heerlijkheid” (Jakobus 2:1; vergelijk met 1 Korinthiërs 2:8; Psalm 24:7-8). Welke mens of profeet zou ooit zo omschreven kunnen worden? De apostel Johannes paste ook titels op Jezus toe, die alleen op God van toepassing zijn: “Alfa en Omega” en de “eerste en de laatste” (Openbaring 22:13; 1:8, 17-18; vergelijk Jesaja 44:6). De schrijven van de brief aan de Hebreeën heeft ook inzicht in de identiteit van Jezus. In Hebreeën 1 identificeert de schrijver Jezus (de Zoon) als superieur ten opzichte van elke profeet (verzen 1-2), als hoger dan de engelen (vers 5) en onze aanbidding waard (verzen 6-8_; vergelijk Psalm 45:6-7). Hij wordt zelfs de schepper van alle dingen genoemd, degene die niet verandert (verzen 2-3, 10) vergelijk Psalm 102:25). Bovendien stelt de schrijver dat Jezus “zit aan de rechterhand van de troon van God” (Hebreeën 12:2; vergelijk Handelingen 2:30).
Reden 6: De Joodse leiders herkenden Jezus’ claim van goddelijkheid
Een van de duidelijkste bewijzen van de goddelijkheid van Jezus is de manier waarom de Joodse leiders reageerden op Jezus zijn woorden en daden. In Markus 2 geneest Jezus niet alleen een verlamde man, maar hij vergeeft ook nog eens zijn zonden (Markus 2:5). Om die reden riepen de Schriftgeleerden godslastering, want alleen God kan zonden vergeven (Markus 2:7)19
Toen Jezus werd terechtgesteld voor het Sanhedrin klonk opnieuw de aanklacht van godslastering, vanwege zijn antwoord op de vraag: “Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?” (Markus 14:61). Jezus antwoordde: “Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel.” (vers 62). De hogepriester scheurde zijn kleren, beschuldigde Jezus van godslastering en veroordeelde hem tot de dood (vers 64). Waarom reageerde de hogepriester op deze manier? Omdat Jezus citeerde uit Psalm 110:1 en Daniel 7:13-14 en deze woorden op zichzelf betrok. In Daniel 7 verschijnt de goddelijke Zoon des Mensen voor de Oude van Dagen en alle volken en natiën dienen hem.20 De Farizeeën herkennen Jezus zijn claim van goddelijkheid en beschuldigen hem van godslastering met het doel hem om het leven te brengen.
Reden 7: De vroege kerk in het Nieuwe Testament bad tot Jezus
Gebed is iets dat alleen tot God gericht zou moeten worden, maar Jezus roept zijn discipelen op om tot hem te bidden (Johannes 14:13-14; 16:26). In het boek Handelingen lezen we dat Stefanus, terwijl hij gestenigd werd, de Heer Jezus aanriep om zijn geest te ontvangen (Handelingen 7:59). Het is interessant dat de gebruikte term voor “aanroepen” (epikaloumenon) doet denken aan de oproep van Petrus om de Heer aan te roepen (epikaleshtai) om gered te worden (Handelingen 2:21). Paulus beschrijft ook de Korinthiërs als mensen die “de naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen [epikaleo]” (1 Korinthiërs 1:2). In het Oude Testament riepen mensen de naam van Yahweh aan (Joël 2:32). De Korinithiërs waren dus mensen die Jezus als Heer aanriepen in hun gebeden.
Reden 8: De vroege kerk in het Nieuwe Testament aanbad Jezus
Jezus aanvaardde aanbidding van mensen (Mattheüs 2:2, 14:33, 28:9). Een van de beste voorbeelden hiervan komt van de lippen van Thomas, toen hij uitriep: “Mijn Heer en mijn God!” (Johannes 20:28). Als Jezus niet goddelijk was, dan beging Thomas een grote fout. Maar Jezus deed geen moeite om Thomas te corrigeren. En dat terwijl Petrus (Handelingen 10:25-26), Paulus (Handelingen 14:14-15) en de engel in Openbaring (Openbaring 22:8,9) mensen wel corrigeerden die hen probeerden te aanbidden. Deze belijdenis van goddelijkheid is onmiskenbaar. Het maakt duidelijk dat aanbidding alleen God toekomt (Openbaring 22:9) en Jezus aanvaardde de aanbidding van Thomas (Johannes 20:29).
Meer nog, in het boek Openbaring zien we dat de ouderlingen en elk schepsel in de hemel en op de aarde universele aanbidding toeschrijven aan “Hem die op de troon zit, en aan het Lam” (Openbaring 5:11-14; vergelijk Johannes 1:29).
Reden 9: Jezus beweerde dingen die geen enkel mens ooit zou kunnen beweren
Jezus identificeerde zich niet alleen als God, maar zijn woorden en handelingen wezen ook op zijn goddelijkheid. Jezus zei dat we hem Heer moeten noemen om het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan (kurios, Romeinen 10:9; zie ook Mattheüs 7:21). Niet zozeer het zeggen dat Jezus Heer is maakt dat je het Koninkrijk binnen mag gaan, maar om binnen te gaan moet je hem belijden als Heer.21. Toegang tot het Koninkrijk van God hangt, volgens Jezus, af van iemands persoonlijke kennis van hem, en Jezus’ wederzijdse kennis van de persoon (Mattheüs 7:23).
Jezus beloofde zelfs rust aan allen die tot Hem zouden komen (Mattheüs 11:28). Zou Mozes ooit zoiets hebben kunnen beweren? Nee! Hoe kan een gewoon mens iemand ooit rust geven van de Wet?22
Jezus beweerde ook dat aan hem is gegeven “alle macht in hemel en op aarde” (Mattheüs 28:18). God heeft nooit een mens of profeet alle macht in hemel en op aarde gegeven, maar deze macht werd wel gegeven aan de Zoon des Mensen van Daniel 7:13-14 (zie ook Mattheüs 26:64).
Reden 10: Jezus is de zoon van God
Mensen wijzen er vaak op dat de woorden “Zoon van God” geen exclusieve titel voor Jezus is. In het Oude Testament wordt bijvoorbeeld ook Israël Gods zoon genoemd (Exodus 4:22-23; Hosea 11:1). Ook de koning van Israël werd Gods zoon genoemd (Psalm 2:7), evenals de engelen van God zonen van God genoemd worden (Job 38:7). Zelfs in het Nieuwe Testament worden Adam, en ook gelovigen zoon/zonen van God genoemd (Lukas 3:38; Romeinen 8:14).
Er is echter een verschil tussen een geadopteerde zoon en een relationele Zoon van God, waarvan de laatste een goddelijke natuur heeft. Jezus de Messias heeft, meer dan wie er ook ooit op aarde heeft rondgelopen, het unieke recht om de Zoon van God genoemd te worden (Johannes 1:49, 11:27) – “de Unieke, die zelf God is” (monogenēs theos) – zie Johannes 1:18)23
Toen Jezus terechtstond tegenover Pilatus, wisten de Joodse leiders heel goed dat Jezus’ gebruik van de term niet generiek was. Ze wilden hem immers ter dood brengen: “Wij hebben een wet en volgens onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.” (Johannes 19:7; vergelijk Johannes 10:36). Het was volgens de Wet godslasterlijk om Gods naam te gebruiken (Leviticus 24:16). Door naar zichzelf te verwijzen als de Zoon van God, beweerde Jezus “dezelfde rechten en het gezag van God te hebben (vergelijk [Johannes] 1:34; 5:19-30)”24 Mensen die zeggen dat Jezus nooit beweerde God te zijn moeten een verklaring geven voor het feit dat hij is gekruisigd vanwege godslastering. Wat Jezus ook van zichzelf heeft gezegd, het moet in voldoende mate provocerend zijn geweest om de Joodse leiders ertoe te brengen hem te veroordelen tot de doodstraf vanwege godslastering.
Het belang hiervan is dat het niet geloven dat Jezus de Zoon van God is oordeel brengt, omdat we al dood zijn in onze zonden (zie Johannes 3:18; Efeziërs 2:1), terwijl geloven in Jezus als de Zoon van God het eeuwig leven brengt (zie Johannes 3:15-17, 6:40, 20:31).
Conclusie: Jezus is God
Hoewel er veel bezwaren kunnen zijn tegen de goddelijkheid van Jezus, het Nieuwe Testament geeft ons overduidelijk een ooggetuigenverslag van de woorden, daden en het onderwijs van Jezus, die zijn goddelijkheid bewijzen. Een valse Jezus kan jou niet redden. Als we zijn identiteit niet juist hebben, dan zullen we sterven in onze zonde (Johannes 8:24).
Bron:
Met toestemming overgenomen van Answers in Genesis. Vind het oorspronkelijke artikel hier.
Voetnoten
- Islam, Judaisme, Hindoeïsme, Boeddhisme en anderen.
- Mormonen, Oneness Pentecostalism, Unitarisme, Jehovah’s Getuigen, en de Broeders in Christus.
- Deze mythe is populair gemaakt door Dan Brown’s boek (en film) De Da Vinci Code.
- Deze bewering wordt duidelijk weerlegd door niet alleen de Schrift, maar ook door uitspraken van de vroege Kerk. Een voorbeeld is de vroege kerkvader Ignatius, bisschop van Antiochië (35-108 na Chr., een discipel van de apostel Johannes), die de goddelijkheid van Jezus onderwees: “There is one Physician who is possessed both of flesh and spirit; both made and not made; God existing in flesh; true life in death; both of Mary and of God; first possible and then impossible, even Jesus Christ our Lord. . . . But our Physician is the only true God, the unbegotten and unapproachable, the Lord of all, the Father and Begetter of the only-begotten Son. We have also as a Physician the Lord our God, Jesus the Christ, the only-begotten Son and Word, before time began, but who afterwards became also man, of Mary the virgin.” The Epistle of Ignatius to the Ephesians (Chapter VII “Beware of False Teachers,” http://www.earlychristianwritings.com/text/ignatius-ephesians-longer.html). [Voor een Nederlandse vertaling, zie https://www.vincenthunink.nl/documents/IGNATIUS_GraanvanGod.pdf, pagina 25.]
- Een klassieke tegenwerping is: “Waarom bid Jezus tot God als hij God is?”, alsof hij daarmee tot zichzelf aan het bidden zou zijn. Maar opnieuw is hier verwarring over de leer van de Drie-eenheid, want christenen geloven niet dat Jezus de Vader is. Jezus, als de vleesgeworden Zoon, zou de relatie voortzetten die hij al die tijd al had gehad met zijn Vader, nog voordat de wereld er was (Johannes 17:5).
- Zie James White, The Forgotten Trinity: Recovering the Heart of Christian Belief (Bethany House Publishers: Minnesota, 1998), 165–168.
- Tegelijkertijd wordt Jezus in het Oude Testament geïdentificeerd door de Apostelen. Johannes 12:41 verwijst naar Jesaja 6:1-3; Hebreeën 1:5-6 verwijst naar Psalm 2:7; Handelingen 8:32-35 verwijst naar Jesaja 53.
- Deze volgt de Septuagint vertaling van Genesis 1:1
- God deelt Zijn glorie niet met iemand anders (Jesaja 42:8; 48:11).
- Oneness Pentecostals en Unitariërs zeggen dat dit gedeelte refereert naar de tijd van Jezus’ menselijke bediening.
- Het onvoltooid deelwoord “was” in vers 6 (ὑπάρχω huparcho) verwijst naar Jezus’ eeuwig bestaan in de gestalte van God.
- Zie G. W. Hansen, The Letter to the Philippians: The Pillar New Testament Commentary (Grand Rapids, Michigan: W. B. Eerdmans Publishing, 2009), 134.
- Iets beschouwen of achten is iets wat alleen een persoon kan doen, niet iets wat een concept doet.
- Het valt nog te betwisten, vanuit een woordenboek perspectief, of “zichzelf ontledigd,” (HSV) of “made Himself of no reputation,” (NKJV) de beste vertalingen zijn. De NIV/TNIV vertaling “made himself nothing” heeft waarschijnlijk meer steun. Zie Moises Silva, Philippians: Baker Exegetical Commentary on the New Testament. 2nd ed (Grand Rapids, Michigan: Baker Academics, 2005) 105; Hansen, The Letter to the Philippians, 149.
- Jezus hield niet op met in de gestalte van God zijn in de incarnatie, maar door het aannemen van de gestalte van een slaaf werd Hij de God-mens. Jezus heeft niet zijn goddelijke natuur opgegeven. Het kan wel zijn dat hij enkele van zijn goddelijke privileges (tijdelijk) heeft opgegeven, zoals bijvoorbeeld zijn alomtegenwoordigheid, of de heerlijkheid die Hij bij de Vader had in de hemel (Johannes 17:5). Maar niet zijn goddelijke kracht of kennis.
- Zie Bruce M. Metzger, “The Jehovah’s Witness and Jesus Christ: A Biblical and Theological Appraisal,” Theology Today 10, no. 1 (April 1953): 77.
- Joseph H. Thayer, Thayer’s Greek-English Lexicon of the New Testament (Hendrickson Publishers, Peabody, Massachusetts, 2007), 288.
- Petrus put hier uit het Oude Testament, en wel uit Jesaja 8:13 waar de term “Heere” in de Septuaginta verwijst naar “Yahweh van de Legermachten” als degene die geëerd wordt.
- Sommige mensen redeneren dat vergeving van zonden ook kon worden uitgesproken door Gods gezanten, bijvoorbeeld priesters. Echter, “Jezus was geen priester, niemand had een offer gebracht en de Schriftgeleerden hebben niets gehoord wat lijkt op een basis voor de uitspraak van vergeving, zelfs geen duidelijk teken van bekering.” Craig Keener, The IVP Bible Background Commentary: New Testament (Downers Grove, IL: InterVarsity Press, 1993), 140.
- De Septuaginta vertaalt het Hebreeuwse woord voor dienen (pelach) פְּלַח met λατρεύουσα, wat verwijst naar de hoogste vorm van religieuze aanbidding.
- Zij die Jezus belijden als Heer zijn ook zij die de wil van de Vader doen (zie Mattheüs 12:50)
- In de eerste eeuw werd de Wet van Mozes ook wel het juk van de Torah genoemd. Het juk van Jezus is lichter omdat hij het gewicht van de Wet voor ons op zich neemt.
- Deze lezing van monogenēs theos “word ondersteund door de beste manuscripten (P66 א *BC*L), en de lezing met theos wordt ook ondersteund door P75 אc, hoewel beide het bepaald lidwoord voor theos plaatsen.” Zie Grant Osborne, The Gospel of John: Cornerstone Biblical Commentary (Tyndale House Publishers: Illinois, 2007), 21.
- D. A. Carson, The Gospel According to John: The Pillar New Testament Commentary (W. B. Eerdmans Publishing Company: Grand Rapids Michigan, 1991), 599.






