Waar zijn de stammen van Israël?

by | mei 16, 2024 | Geschiedenis, Historische wetenschappen

Waar zijn de stammen van Israël?

Honderd jaar ging het goed. De twaalf stammen van Sauls, Davids en Salomo’s rijk hielden de koppen bij elkaar. Maar toen ging het mis. Het koninkrijk viel uiteen in een Tienstammenrijk (Israël) en een Tweestammenrijk (Juda). Assyrische koningen liepen Israël in 722 v.Chr. onder de voet en de stammen werden weggevoerd. Hetzelfde gebeurde later met het Tweestammenrijk door de Babyloniërs. Verdwenen die stammen of streken ze elders neer?

waar zijn de stammen van Israel

Falasha dorpje

De Falasha’s in Ethiopië noemen zich afstammelingen van Israël.

Waar zijn Israëls stammen gebleven? Het is een vraag die veel onderzoekers al heeft beziggehouden. Gedeeltelijk is het antwoord op de vraag helder: duizenden Israëlieten moesten oostwaarts trekken, weggevoerd in de richting van het huidige Irak. Maar, zoals bij iedere oorlog zo’n beetje het geval is: er sloegen ook de mensen op de vlucht. Die waaierden uit over de toenmalig bekende wereld. Ze zochten de uiterste hoeken op en sloegen daar hun tentpinnen in de grond. Waar deze mensen precies neerstreken? Daar is al veel over gefantaseerd. De ene onwaarschijnlijke theorie volgde op de andere. Er zijn ook theorieën die steviger staan, en die vallen terug op vermeldingen in oude overleveringen. De Israëlieten hielden zich immers aan strikte regels (sabbatsviering, eetgebruiken, besnijdenis enzovoort). Ze mochten zich niet met heidense volken vermengen. Velen hielden zich daaraan en zijn daardoor herkenbaar gebleven. Het is dan niet vreemd als er over hen gesproken wordt in latere bronnen. Eens kijken of dat zo is…

Wat zegt de Bijbel over verloren stammen?

Wie zoekt naar de oudste vermeldingen van de verloren stammen, kan het beste beginnen met het openslaan van de Bijbel. Wat is een beter startpunt dan dat? Bladerend door het boek van de profeet Jesaja – die leefde ten tijde van de ballingschap in Assyrië – kun je best wat interessante gegevens tegenkomen. Hij schrijft bijvoorbeeld over de ‘verdrevenen van Israël’, in hoofdstuk 11, en meldt de gebieden waar je ze toen nog kon vinden: een deel streek neer in Assyrië, Egypte en Nubië (Morenland), vertellen de verzen 11 en 12. Wat was Nubië? Het was een land ten zuiden van Egypte; een machtig rijk waar veel kooplieden en sterke, lange mannen vandaan kwamen (Jesaja 45:14). Ook was Nubië rijk aan edelmetalen (‘nub’ is de Egyptische uitdrukking voor goud). Nubië – ook wel Kusj genoemd – lag aan de uiterste grenzen van de toenmalig bekende wereld (het huidige Soedan).

Brieven van Elephantine

Acht eeuwen voor Christus schreef Jesaja dus al over een gebied diep in Afrika, waar verdreven Israëlieten waren gaan wonen. Maar er zijn meer, recentere bronnen, zoals de 175 brieven en wetsdocumenten die in de Zuid-Egyptische stad Aswan zijn gevonden, dicht bij de grens met Soedan. Die stammen uit 495 tot 399 v.Chr. en vertellen over een samenleving van Joodse soldaten die hier – op het in de Nijl gelegen eiland Elephantine – gestationeerd waren. Diverse namen die in deze documenten voorkomen zijn Joods. Het wordt duidelijk dat deze mensen met de bestuurder en priesters van Jeruzalem correspondeerden. Ze hadden zelfs hun eigen tempel, gebouwd naar het model van de eerste tempel die in 586 v.Chr. door de Babyloniërs werd verwoest, toen die Jeruzalem met de grond gelijk maakten.

Overal ter wereld

Een paar eeuwen later – om precies te zijn: in 18 n.Chr. – schrijft ook Strabo, een Griekse historicus en geograaf, over de Joden. Er was volgens hem nauwelijks een plaats op de wereld waar geen Joden te vinden waren. Overal was hun aanwezigheid en invloed merkbaar. Historicus Erich Gruen, autoriteit op dit gebied, schrijft dat dit al het geval was ruim voordat de verwoesting van de eerste tempel (in 586 v.Chr) plaatsvond. ‘Ook zonder concrete cijfers kunnen we erop vertrouwen dat de Joden in het buitenland veel talrijker waren dan in Palestina (Kanaän, red.), en dat dit al vele generaties zo was.’

Globetrotters

marco polo

Marco Polo ontmoette tussen 1271 en 1295 n.Chr. diverse Joden in Afrika en Centraal-India.

In de late middeleeuwen doet de bekende wereldreiziger Marco Polo verslag van wat hij ziet. Hij schrijft over de aanwezigheid van veel Joden in Afrika, met name in het land ‘Abash’ (Abyssinia, het oude Ethiopië) en Centraal-India. Een tweede globetrotter uit de middeleeuwen is Benjamin van Tudela (1130-1173 n.Chr). Deze reiziger – ook wel ‘de Joodse Marco Polo’ genoemd – woonde in Spanje en toerde dertien jaar door Europa, Azië en Afrika. Benjamin was erop gespitst of hij andere Joden zou tegenkomen op zijn reis, en wilde weten hoe ze leefden. Daarover schrijft gedetailleerd in zijn boek. Zo bezocht hij de grote stad Tayma (het huidige Saoedi-Arabië) en ontdekte toen dat die veel Joden telde en geregeerd werd door een Joodse prins: ‘De omvang van hun land is een zestien dagen lange reis. (…) De Joden bezitten veel grote vestingsteden. (…) Alle buren zijn bang voor hen. (…) Ze hebben geleerde en wijze mannen in hun midden en geven tienden van al hun bezittingen aan hen, (…) ook aan de arme Israëlieten en de kluizenaars, die de rouwenden van Sion en Jeruzalem zijn, en die geen spijs eten of wijn drinken, en in zwarte kleding zitten.’

De stammen Ruben, Gad en Manasse in Saoedi-Arabië?

Verder meldt Benjamin dat deze mensen afkomstig zijn uit de stammen Ruben, Gad en Manasse en dat ze smeken ‘om genade van de Heilige vanwege de ballingschap van Israël, biddend dat Hij medelijden met hen mag hebben, en met alle Joden, (…) omwille van Zijn grote Naam.’ Benjamin beschrijft dat dit rijk nog een andere grote stad kende: ‘Tilmas, waar ongeveer 100.000 Joden zijn.’ Ook meldt hij dat het land ‘toebehoort aan twee broers, die uit het zaad van David zijn, want zij hebben hun stamboom op schrift. (…) Er zijn hier ongeveer veertig grote steden en 200 gehuchten en dorpen. De belangrijkste stad is Tanai, en in alle districten samen zijn er ongeveer 300.000 Joden.’ Saoedi-Arabië is overigens niet het enige gebied waar Benjamin interessante dingen over zegt. Over de bergen van Turkmenistan (ten noorden van Iran) schrijft hij bijvoorbeeld dat daar toen nog steeds afstammelingen van vier stammen van Israël zouden zijn: ‘De stam van Naftali, Zebulon, Dan en Aser, die deel uitmaakten van de eerste deportatie door Salmanasser, de koning van Assyrië, zoals beschreven in 2 Koningen 18:11.

Rabijn Rabdaz

De laatste bron die in deze zoektocht naar de verloren stammen geciteerd wordt, is rabbijn Radbaz. In 1545 n.Chr. is hij opperrabbijn van Egypte en schrijft hij over mensen ‘die uit het land Kusj (Nubië, -red) komen, die zonder twijfel van de stam van Dan zijn’. Hij geeft daarmee aan dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van Israëlieten in Soedan en Ethiopië.

ethiopische leiders

Ethiopische leiders van Joodse groepen bereiden zich voor op het gebed.

Talmoed-professor David Bleich gaat hier in zijn boek Contemporary Halakhic Problems dieper op in. Hij legt de vinger bij een van Radbaz’s citaten waarin het oude Ethiopische koninkrijk (Abyssinia) wordt omschreven: ‘Er is voortdurend oorlog tussen de koningen van Abyssinia, want in Abyssinia zijn drie koninkrijken; een deel van het land wordt bewoond door moslims, een deel door christenen die standvastig zijn in hun godsdienst, en een deel door Joden.’

Kamerling van Kandaké

relief kandake

Een Egyptisch reliëf van Kandaké
Amanitore, een koningin-regent van
het oude koninkrijk Meroë (Nubië).

Wat al deze bronnen zeggen past in het plaatje dat de Bijbel schetst in Handelingen 8. Daar gaat het over de evangelist Filippus, die de kamerling van Kandaké ontmoet. Wat was dat voor een man? Een kamerling is zoiets als een minister van Financiën. ‘Kandaké’ is de machtstitel van de koningin van zijn land Nubië (Kusj), in het huidige Soedan. De Bijbel zegt dat deze machtige Afrikaan naar Jeruzalem reisde en daar een boekrol van Jesaja kocht om die te gaan lezen. Waarom zou hij dat doen? Een verklaring is dat hij in zijn thuisland bekend was geraakt met het Oude Testament – misschien omdat daar al Joden woonden? – en dat hij toen naar Jeruzalem ging om daar God te aanbidden en offers te brengen. De Griekse tekst van Handelingen 8 verklapt dat hij een eunuch was, een ontmande. En mede daarom was hij waarschijnlijk zo geïnteresseerd in het boek Jesaja, want daar staan allerlei beloften in voor vreemdelingen en ontmanden (Jesaja 56:3-4).

Deze geschiedenis wekt de herinnering op aan wat er ooit – honderden jaren eerder – gebeurde. Een belangrijke koningin reisde naar Israël: de koningin van Seba, een land dat meestal in verband wordt gebracht met het oude koninkrijk Ethiopië, waar de kamerling vandaan kwam. Ze wilde koning Salomo ontmoeten vanwege zijn enorme wijsheid en rijkdom. Salomo gaf haar alles wat haar hartje begeerde (1 Koningen 10:13). Dit overweldigde haar zo dat ze Salomo’s God ging loven en prijzen (1 Koningen 10:9). Is het dan niet waarschijnlijk dat ze naast allerlei kostbaarheden ook Salomo’s woorden – misschien in de vorm van geschriften – meenam naar haar land? En dat dit ervoor kan hebben gezorgd dat de kamerling een paar eeuwen later naar Jeruzalem afreisde? De Bijbel laat die vragen onbeantwoord, maar biedt wel een intrigerend raamwerk om deze stukjes in elkaar te leggen.

Meer weten over verloren stammen?

Bronvermelding
Weet 58    Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine nummer 58, augustus 2019. De betreffende Weet is te koop via de Logos Webshop. Wil je vaker Weet Magazine lezen? Dan kun je ook abonnee worden via de website van Weet Magazine. Logos Instituut beveelt het Weet Magazine van harte aan.

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!